1-46

1-46

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU JEUDI 23 MAI 1996

VERGADERING VAN DONDERDAG 23 MEI 1996

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN MEVROUW THIJS AAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN OVER « DE BEHANDELING VAN BELGISCHE GEDETINEERDEN IN MAROKKO EN DE HOUDING VAN ONZE DIPLOMATIEKE VERTEGENWOORDIGERS TER ZAKE »

QUESTION ORALE DE MME THIJS AU MINISTRE DES AFFAIRES ÉTRANGÈRES SUR « LE TRAITEMENT DE DÉTENUS BELGES AU MAROC ET L'ATTITUDE DE NOS REPRÉSENTANTS DIPLOMATIQUES À CET ÉGARD »

De Voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van mevrouw Thijs aan de minister van Buitenlandse Zaken over « de behandeling van Belgische gedetineerden in Marokko en de houding van onze diplomatieke vertegenwoordigers ter zake ».

Het woord is aan mevrouw Thijs.

Mevrouw Thijs (CVP). ­ Mijnheer de Voorzitter, in Het Nieuwsblad van dinsdag jongstleden las ik met verontwaardiging het verhaal van een jonge Belgische vrouw die in het Marokkaanse Tanger, na een groteske rechtsprocedure, wegens drugsmokkel werd veroordeeld tot 2,5 jaar cel. Hierover werd enige tijd geleden reeds een vraag gesteld aan de minister en ik heb zijn antwoord daarop nog eens nagelezen. Ik stel vast dat onze diplomatieke vertegenwoordigers opnieuw wegens hun lakse houding met de vinger worden gewezen en dat deze in vergelijking met het diplomatiek personeel aan andere ambassades een totaal ondermaatse houding aannemen. Ik wil mij in het geheel niet uitspreken over schuld of onschuld van onze landgenoten, maar de verschrikkelijke behandeling in de gevangenis en de minieme interesse van onze diplomaten roepen toch wel enkele vragen op.

Is het juist dat onze diplomaten in Marokko zich nauwelijks iets aantrekken van de in moeilijkheden geraakte landgenoten ? In zijn vorig antwoord had de minister het over een onderzoek betreffende de beschuldiging geuit aan het adres van de Belgische ere-consul in Tanger. Door wie werd dit onderzoek gevoerd ? Tenslotte, welke houding neemt de Belgische Regering aan tegenover de onaanvaardbare rechtsbehandeling en tegenover de mensonwaardige omstandigheden in de gevangenissen in Marokko ? Wat zal ze doen om een verbetering ter zake af te dwingen ? Is de Regering bereid om daartegen met klem te protesteren ?

De Voorzitter. ­ Het woord is aan minister Derycke.

De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. ­ Mijnheer de Voorzitter, in de periode dat ik minister van Buitenlandse Zaken ben, zijn er reeds herhaaldelijk problemen met Marokko ter sprake gekomen in mondelinge vragen en interpellaties. Een aantal elementen van mijn antwoord van vandaag zijn dan ook terug te vinden in mijn vroegere antwoorden. Het verbaast mij telkens opnieuw dat men in de berichtgeving over dergelijke problemen blijft verwijzen naar de politieke verantwoordelijkheid. Nochtans, het feit dat een Belgisch staatsburger ergens wordt veroordeeld en in de gevangenis gestopt, heeft ab initio niets te maken met de werking van de Belgische Staat, zijn administraties of zijn ministeries. Ik vrees echter dat wij ons zullen moeten schikken in een nieuwe periode waarin steeds meer Belgische onderdanen naar het buitenland gaan, zij het niet altijd met eerbare bedoelingen. Sommigen houden zich met heel wat andere dan toeristische zaken bezig, met alle gevolgen vandien. Het zal dus zeker niet de laatste keer zijn dat ik op deze tribune een antwoord moet geven op een vraag rond een dergelijk probleem.

Ik wil kort schetsen wat wij ondernemen, maar ook zeggen wat wij niet kunnen doen en ook enige commentaar geven bij de beschuldigingen aan het adres van de ereconsul. Tenslotte wil ik het kort ook hebben over de toestand in de Marokkaanse gevangenissen.

De Senaat zal ongetwijfeld begrijpen dat het internationaal rechtsverkeer bepaalde regels vereist en ook dat elke regering in haar benadering van andere regeringen een zekere terughoudendheid aan de dag moet leggen. Elke regering kan immers de Belgische Regering bepaalde verwijten beginnen maken over ons gevangenisstelsel, onze rechtsprocedures en zo meer. In het kader van de Europese Unie hebben wij Marokko reeds herhaaldelijk aangespoord om zich aan de internationale rechtsregels te conformeren. Marokko heeft dat in zekere mate ook gedaan door een associatieakkoord te sluiten. Het minste dat men dan kan verwachten, is dat er respect wordt opgebracht voor mekaars interne juridische handel en wandel.

Wanneer een landgenoot in moeilijkheden geraakt in het buitenland verlenen eerst en vooral onze diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers consulaire bijstand. Concreet betekent dit voor gevangenen die in buitenlandse gevangenissen vertoeven, dat erop wordt toegezien dat het recht op verdediging wordt nageleefd, dat de gevangenschap in normale omstandigheden plaatsvindt en dat een lid van de ambassade of het consulaat of, bij ontstentenis van een beroepsconsul, een ereconsul, regelmatig de gevangenen bezoekt. Voorts krijgen onze vertegenwoordigers ook specifieke richtlijnen om zich zo goed mogelijk in te zetten voor de belangen van onze landgenoten. Hierbij dienen zij natuurlijk de soevereiniteit van de andere Staat te respecteren.

In dit concrete dossier in verband met een gevangenschap in Marokko kan ik meedelen dat ons land zich heeft aangesloten bij een demarche van de Europese Unie bij de Marokkaanse autoriteiten, waarbij werd aangedrongen op een verbetering van de omstandigheden in de Marokkaanse gevangenissen. Ik ontken met klem dat onze diplomatieke en consulaire ambtenaren zich niet bekommeren om het lot van onze gedetineerde landgenoten. Mochten zij zwaar tekortschieten in hun verplichtingen, zouden zij overigens onmiddellijk naar België worden teruggeroepen.

Elke arrestatie waarvan mijn dienst op de hoogte wordt gebracht, wordt zowel door mijn consulaire diensten op het departement als door onze vertegenwoordiging ter plaatse van heel nabij gevolgd. Omwille van de privacy kan elke stap evenwel niet openbaar worden gemaakt. Het is echter fout daaruit te besluiten dat er niets wordt ondernomen.

In verband met de specifieke situatie in Tanger herinner ik eraan dat ik nog niet zolang geleden besloten heb een beroepskanselier aldaar te benoemen. Die moet er voor waken dat onze gedetineerde landgenoten daar professionele consulaire bijstand krijgen. Deze persoon zal nog vóór het einde van deze maand zijn werkzaamheden starten. Het is immers niet de eerste keer dat er problemen zijn in de streek van Tanger.

De tweede vraag had betrekking op de Belgische ereconsul in Tanger. De ambassade heeft in dat verband een onderzoek ingesteld. Nadat alle betrokken partijen werden gehoord, werd het onderzoek op 21 en 22 februari afgerond. Er werden echter geen concrete bewijzen gevonden die de beschuldigingen konden staven. Gelet op de enorme werkdruk ter plaatse heeft mijn administratie mij wel aangeraden in Tanger een beroepsconsul te benoemen, wat dan ook zal gebeuren.

Ten derde werd er verwezen naar de mensonwaardige omstandigheden in de Marokkaanse gevangenissen. Nog niet zo lang geleden bezocht een afvaardiging van de Europese Unie, op uitnodiging van de Marokkaanse overheid, een vleugel van de gevangenis te Rabat waar de Europese gevangenen worden ondergebracht. Ook in bilateraal verband worden er geregeld initiatieven genomen. Zo zijn er bijvoorbeeld, op ons initiatief, regelmatig overbrengingen van gevangenen van Tanger naar Rabat.

Er worden tevens demarches gedaan om Marokko ertoe aan te sporen toe te treden tot het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 waardoor ­ wat toch erg belangrijk is ­ Belgische gedetineerden in Marokko naar een Belgische gevangenis zouden kunnen worden overgebracht. Dit behoort uiteraard tot de bevoegdheid van de minister van Justitie. Tot nu toe is de Marokkaanse overheid daarop echter nog niet ingegaan.

Ik wens mevrouw Thijs nogmaals te verzekeren dat mijn departement al het mogelijke doet om onze landgenoten die vaak in uiterst moeilijke omstandigheden in gevangenissen in het buitenland verblijven, bij te staan.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan mevrouw Thijs voor een repliek.

Mevrouw Thijs (CVP). ­ Mijnheer de Voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik veronderstel toch dat het voor de Regering erg vervelend is om telkens weer in de pers dergelijke beschuldigende artikels te lezen. Het recht op verdediging is toch een belangrijk recht van beschuldigden en dat heeft niets te maken met het geen respect hebben voor de juridische werkwijze in een bepaald land. Uit het bewuste artikel concludeer ik dat dit recht op verdediging toch wel met voeten wordt getreden. Ik dring bijgevolg aan op een nauwlettend toezicht van onze ambassades of consulaire diensten.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan minister Derycke.

De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. ­ Mijnheer de Voorzitter, de ambassades en consulaten hebben als eerste verplichting ervoor te zorgen dat het recht op verdediging niet wordt geschaad.

De Voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.