1-33

1-33

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 21 MARS 1996

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 21 MAART 1996

(Vervolg-Suite)

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER DEVOLDER AAN DE MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING OVER « DE PERSONEELSPROBLEMATIEK BIJ DE KRIJGSMACHT »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. DEVOLDER AU MINISTRE DE LA DÉFENSE NATIONALE SUR « LES PROBLÈMES DE PERSONNEL À L'ARMÉE »

De Voorzitter. ­ Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Devolder aan de minister van Landsverdediging over « de personeelsproblematiek bij de krijgsmacht ».

Het woord is aan de heer Devolder.

De heer Devolder (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, zoals het een wijs man past, heeft de stafchef van het Belgisch leger na studie en een inloopperiode zijn lange-termijnvisie meegedeeld. Hij heeft hierbij gewezen op de moeilijkheden die zich kunnen, en volgens mij zullen, voordoen op het ogenblik dat de « budgettaire diepvriesperiode » op 1 januari 1998 ten einde zal lopen.

Indien zich geen politieke incidenten voordoen, draagt de huidige minister de verantwoordelijkheid om tegen 1 januari 1998 de in januari 1993 vastgelegde doelstellingen te bereiken. Dan mag de krijgsmacht nog bestaan uit 50 000 personeelsleden : 5 000 officieren, 15 000 onderofficieren, 20 000 soldaten en 5 000 burgers.

De te betreuren stoelendans op het departement van Landsverdediging zal er waarschijnlijk mede verantwoordelijk voor zijn dat wij nu, 20 maanden van de deadline verwijderd, nog een groot deel van de in januari 1993 vooropgestelde doelstellingen met betrekking tot het personeel moeten realiseren. In januari 1993 werd nochtans al duidelijk aangetoond dat bij gebrek aan afdoende maatregelen 600 officieren en 3 200 onderofficieren, of respectievelijk 12 en 21 pct. van het totaal, in overtal zouden zijn. Nu, na ongeveer 40 maanden, moet de minister dus nog een groot deel van de klus klaren.

Een eerste vraag is dan ook welke initiatieven de minister zal nemen om de door de vorige Regering vooropgestelde afvloeiingsdoelstellingen te bereiken op een sociaal aanvaardbare manier en tegen een draaglijke kostprijs. De minister moet immers rekening houden met de door de Regering vooropgestelde budgettaire imperatieven.

Ik zal de beleidsnota's over het personeelsbeleid van de drie ministers die voor het departement van Landsverdediging verantwoordelijk waren in de periode 1993-1996, bondig evalueren.

Op 8 oktober 1993 verklaarde minister Delcroix dat er niet zomaar militairen zouden worden afgedankt en dat de beoogde vermindering zou worden bereikt. Ik herinner mij dat hij zich in de commissie voor de Defensie de « Suzanne van Interlabor » van de Regering noemde omdat hij zijn collega's moest vragen zijn personeel te willen « overnemen ». Er zijn overgangsmaatregelen genomen, zoals afvloeiing naar de openbare sector, samenwerking met de regionale overheden en omscholing op kosten van het departement.

Op 8 februari 1995 maakte minister Pinxten in de Prins-Albertclub een stand van zaken op : nog 600 officieren en 3 600 onderofficieren moeten afvloeien. Alternatieven waren : beperking van de recrutering in de periode 1994-1997 tot 75 pct. van de behoefte, bij normale doorstroming van het personeel, het overgaan van 175 militairen naar de rijkswacht, het tewerkstellen van militairen die na minder dan vijf jaar op pensioen zouden gaan in nationale, regionale en gemeentelijke administraties en het opvullen van openstaande betrekkingen van burger in het leger door militairen in overtal.

De huidige minister gaf op 5 december 1995 toe dat de vooropgestelde personeelsplanning moeilijk kan worden aangehouden en dat bijkomende, maar sociaal verantwoorde maatregelen noodzakelijk zijn, zoals einde-loopbaanverlof, vertrekpremie, vervroegde pensionering van specialisten en het beperken van de recrutering van statutair kaderpersoneel tot 50 pct. van de behoefte bij normale doorstroming van het personeel.

De selectieve beperking van de werving heeft geen invloed gehad, ondanks het optrekken tot 50 pct. tijdens de voorbije overgangsperiode. Bovendien werden ongeveer evenveel officieren aangetrokken als er in overtal zijn. Bij de werving van onderofficieren gaat het om de helft.

Een tweede vraag is of de minister zinnens is de thans toegepaste vertraging bij de aanwervingen aan te houden, ofwel om na afloop van deze periode tot in 1997 de aanwervingen op een dermate selectieve wijze te organiseren dat de omvang van de afvloeiingen kan afnemen.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan minister Poncelet.

De heer Poncelet, minister van Landsverdediging. ­ Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de heer Devolder ervoor danken dat hij mij in de gelegenheid stelt ter zake enige duidelijkheid te scheppen.

Meerdere malen reeds heb ik mijn bezorgdheid uitgedrukt over het probleem van de overtallen in mijn departement.

Zoals men wellicht weet hebben de afvloeiingsmaatregelen, die genomen werden vóór de uitvoering van het herstructureringsplan, niet het verhoopte succes gehad. Indien er geen bijkomende initiatieven worden genomen blijft er een overtal van 550 officieren en 3 700 onderofficieren op 1 januari 1998.

Om te verhelpen aan dit probleem werden drie nieuwe initiatieven uitgewerkt, namelijk, de toekenning van een tijdelijke ambtsontheffing wegens kaderoverschotten aan bepaalde militairen die na vijf jaar op pensioen zouden gaan; de toekenning van een vertrekpremie aan militairen tussen de 30 en de 40 jaar, die het leger wensen te verlaten en tenslotte de aanpassing van de leeftijdsgrens van de vroegere specialisten aan deze van de andere militairen van hun categorie.

De Commissie van advies voor het militair personeel heeft zich reeds akkoord verklaard met al deze maatregelen. De andere betrokken kabinetten worden gecontacteerd met het verzoek de haalbaarheid van deze initiatieven te toetsen.

Het probleem van werving werd ook reeds aangehaald door de heer Devolder. Hier wijs ik er vooraf op dat het probleem van de werving in mijn departement niet vergelijkbaar is met dit van andere departementen.

Een geprofessionaliseerde krijgsmacht vereist in de eerste plaats een evenwichtige personeelsstructuur. Een modern leger heeft nood aan jonge krachten. In deze optiek is het nodig om een continu rekruteringsproces aan te houden. Niettemin werd reeds sedert januari 1993 een inspanning gedaan om de rekrutering te beperken. Zo werden de aanwervingen van officieren en onderofficieren beperkt tot 50 pct. van de behoefte bij een normale doorstroming van het personeel. Voor de vrijwilligers werden aanwervingen uitgevoerd noodzakelijk om de bestaande structurele tekorten die zich voordoen bij de Nederlandstaligen, enigszins bij te werken.

Eerstdaags zal ik de balans opmaken van de herstructurering van de krijgsmacht, waarin het hoofdstuk personeel een belangrijke plaats zal innemen. Ik zal dan ook voorstellen formuleren voor een oplossing van de personeelsproblemen.

Nu reeds kan ik melden, dat ik beslist heb de rekrutering voor de volgende jaren aanzienlijk te beperken. Zo zullen de aanwervingen van officieren en onderofficieren beperkt worden tot een absoluut minimum om de scholen te bevoorraden. Duizend vrijwilligers zullen worden aangeworven hetgeen overeenkomt met 56 pct. van de normale behoeften. Zelfs indien de drie hiervoor geciteerde maatregelen niet gerealiseerd zouden worden, zal dit tot gevolg hebben dat de toegewezen personeelsenveloppe ten laatste op 31 december 1998 zal worden bereikt.

Het is duidelijk dat deze inspanning niet lang zal kunnen worden aangehouden. Van zodra er ruimte is in de toegestane personeelsenveloppe zal ik terug overgaan naar een continue rekrutering.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Devolder.

De heer Devolder (VLD). ­ Mijnheer de Voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.

Heb ik het goed begrepen dat de minister zich een jaar langer de tijd heeft gegeven en dat hij zijn doelstellingen tegen 31 december 1998 wil bereiken ? Of was dat een lapsus ?

De heer Poncelet, minister van Landsverdediging. ­ Dat was geen lapsus, mijnheer Devolder.

De heer Devolder (VLD). ­ Zult u dan eventueel buiten het budgettair carcan gaan ?

De heer Poncelet, minister van Landsverdediging. ­ Om dat te weten zal men nog even moeten wachten tot ik mijn nieuwe voorstellen heb uitgewerkt.

De Voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.