1-905/1

1-905/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

11 MAART 1998


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 15 van het wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht en van artikel 71 van de nieuwe gemeentewet

(Ingediend door de heer Goris)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel strekt ertoe dat militairen zich voortaan zouden mogen kandidaat stellen bij de gemeenteraadsverkiezingen en desgevallend een gemeentelijk politiek mandaat mogen uitoefenen, met uitzondering van het mandaat van burgemeester, schepen, of OCMW-voorzitter. Eveneens wordt met dit voorstel van wet beoogd dat militairen voortaan een actieve rol kunnen spelen in de Belgische partijpolitiek, ongeacht het niveau of de functie, en zich niet langer dienen te beperken tot die activiteiten die verbonden zijn aan het louter lidmaatschap van een politieke partij en deze uitgeoefend als raadgever, deskundige of lid van een studiecentrum.

Hiervoor is een wijziging nodig van artikel 71, 5º in de nieuwe gemeentewet waarbij niet de kandidaatstelling maar wel de uitoefening van het mandaat verboden is, en van artikel 15, § 1, lid 3 en 4 van de wet van 14 januari 1975, houdende het tuchtregelement van de krijgsmacht, waarbij zowel de kandidaatstelling als de uitoefening van een actieve of publieke deelname aan het politieke leven aan militairen ontzegd wordt.

De indiener is van oordeel dat deze verruiming van politieke rechten niet ingaat tegen de beweegredenen die de wetgever ertoe brachten om deze beroepscategorie restricties aan het uitoefenen van politieke activiteiten en mandaten op te leggen. Deze beweegredenen zijn terug te vinden in de memorie van toelichting bij artikel 15, § 1 van het wetsontwerp houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht (Stuk Kamer, nr. 373/1, 71/72, blz. 5) : « Teneinde de samenhang van het leger, en dientengevolge zijn doeltreffendheid niet in gevaar te brengen, heeft de regering geoordeeld dat, in de schoot van het leger, geen enkele politieke activiteit mag worden uitgeoefend. Anderzijds, en steeds om dezelfde redenen ­ namelijk het vrijwaren van de samenhang en de onafhankelijkheid van het leger ­ is het ondenkbaar dat een militair die voor alles verplicht is de regering te dienen en zich voor te bereiden op zijn hoofdopdracht namelijk de verdediging van de natie, zich in het openbaar met politieke activiteiten inlaat. »

De indiener is van oordeel dat diverse argumenten pleiten voor het opheffen van de verbodsbepalingen :

­ Aan de basis van het verbod ligt de vrees dat de gewapende macht, als instrument van de uitvoerende macht, een gevaar zou inhouden voor de wetgevende macht. Dit is niet meer verdedigbaar. Het volledig uitsluiten van de militairen van de democratische besluitvorming houdt een beperking van hun politieke rechten in. Het getuigt van wantrouwen tegenover de militaire gemeenschap. Geen enkel objectief criterium staaft de huidige reglementering. Het houdt een flagrante schending in ten opzichte van de ambtenaren. Er werd trouwens reeds herhaaldelijk op gewezen dat het artikel 15 van de tuchtwet een schending betekent van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

­ De militair die zich kandidaat stelt bij de gemeenteraadsverkiezingen begaat dus een tuchtovertreding. In het verleden leidde dit tot statutaire maatregelen zelfs tot « ontslag van ambtswege ». Volgens de tuchtwet mag een militair zelfs geen lid zijn van het OCMW.

­ In Frankrijk en Nederland is een gemeentelijk mandaat wel mogelijk.

Stef GORIS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 15, § 1, derde en vierde lid van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht worden vervangen door het volgende lid :

« De militairen mogen zich kandidaat stellen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Ze mogen een gemeentelijk politiek mandaat uitoefenen, met uitzondering van het mandaat van burgemeester, schepen of OCMW-voorzitter. »

Art. 3

Artikel 71, 5º, van de nieuwe gemeentewet wordt opgeheven.

Stef GORIS.