1-919/1

1-919/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

24 MAART 1998


Wetsvoorstel strekkende tot invoeging in het Gerechtelijk Wetboek van een artikel 770bis betreffende het misbruik van het vorderingsrecht

(Ingediend door mevr. Milquet)


TOELICHTING


Wanneer iemand misbruik maakt van zijn recht om een zaak voor de rechter te brengen, behoort dit misbruik te worden bestraft en aanleiding te geven tot schadevergoeding. Dit recht op schadevergoeding wordt uitgeoefend via artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (1).

Het hof van beroep heeft al in 1837 die zienswijze bevestigd door erop te wijzen dat artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (« elke daad van de mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden ») van toepassing is op het geval waarin een roekeloze vordering wordt ingesteld (2).

Oorspronkelijk kende de jurisprudentie alleen dan een schadevergoeding toe wanneer het bewijs werd geleverd van een « kwaadwillige » vordering, wat betekent dat ze is ingesteld met de bedoeling iemand anders wetens en willens schade toe te brengen. Thans lijken de hoven en rechtbanken akkoord te kunnen gaan met een veroordeling wegens een roekeloze of tergende vordering wanneer de eiser of de appellant een zware fout heeft begaan of te kwader trouw heeft gehandeld.

Daar komt nog bij dat het merendeel van de rechters ervan uitgaan dat een vordering die zo lichtzinnig wordt ingesteld dat zij onverantwoord blijkt, tot schadevergoeding kan leiden wegens het instellen van een roekeloze en tergende vordering zonder dat daarom een zware fout of kwade trouw bewezen hoeft te worden (3).

Het is dus duidelijk dat justitiabelen tot schadevergoeding veroordeeld kunnen worden wanneer zij een vordering instellen ingegeven door een kennelijk foute beoordeling. Het spreekt daarbij vanzelf dat de aansprakelijkheid van de justitiabelen verschillend beoordeeld zal worden naargelang zij al dan niet kunnen beschikken over juridisch geschoold personeel.

Ook moet men vaststellen dat afstand van instantie niet uitsluit dat een vordering eventueel roekeloos of tergend kan zijn aangezien dat onderzocht behoort te worden bij de rechtsingang.

Niet alleen de jurispridentie heeft zich beziggehouden met het probleem van roekeloze en tergende procedures. Ook de wetgever heeft dat gedaan aangezien hij met de wet van 3 augustus 1992 in het Gerechtelijk Wetboek een artikel 1072bis heeft ingevoegd. Dat artikel voorziet in een burgerlijke geldboete bij roekeloos en tergend hoger beroep.

Voor dat artikel 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek is men uitgegaan van een bestaande regeling, te weten die van artikel 136 van het Wetboek van strafvordering : wanneer de burgerlijke partij op haar verzet tegen een beschikking van buitenvervolgingstelling van de raadkamer in het ongelijk wordt gesteld, moet de kamer van inbeschuldigingstelling haar, zelfs ambtshalve, veroordelen tot schadevergoeding jegens de verdachte.

Voorts herinneren wij eraan dat er bij de behandeling in de Senaat op gewezen is dat deze burgerlijke geldboete uitgesproken kan worden volledig los van een eventuele schadevergoeding die de gedaagde in hoger beroep kan eisen wegens roekeloos en tergend beroep. (4)

De hoven en rechtbanken passen deze bepaling jammer genoeg niet vaak toe, zelfs niet wanneer het beroep kennelijk is ingesteld om de zaak op de lange baan te schuiven. Een verklaring daarvan is wellicht te vinden bij het feit dat de rechtbank de debatten moet heropenen om eventueel de veroordeling tot een burgerlijke geldboete uit te spreken aangezien de procedure inzake deze geldboete immers totaal los staat van de beslissing ten gronde. Het zou echter mogelijk moeten zijn dat de gedaagde in hoger beroep onmiddellijk en bij wege van conclusie de veroordeling van de appellant tot een burgerlijke geldboete vordert op basis van artikel 1072bis van het Gerechtelijk Wetboek want in dat geval hoeven de debatten niet heropend te worden. Dat zal ongetwijfeld wel een vrome wens blijven.

Deze door de wetgever ingevoerde burgerlijke geldboete krijgt alleen toepassing in hoger beroep, dit is bij onverantwoord hoger beroep. In tal van gevallen echter is de rechtsvordering zelf en vanaf het begin onverantwoord.

Daarom wil de indiener van dit wetsvoorstel in het Gerechtelijk Wetboek een nieuw artikel invoegen dat de justitiabele veroordeelt bij een onverantwoorde vordering. Misbruik van het vorderingsrecht behoort immers vanaf de eerste aanleg strafbaar te worden gesteld. De indiener heeft zelfs gedacht aan een wettelijke sanctie voor onverantwoord cassatieberoep. Aangezien dat probleem echter minder spoedeisend is, heeft de indiener ervoor gekozen zich in een eerste fase te beperken tot de onverantwoorde vordering.

Het spreekt vanzelf dat dit voorstel een praktisch nut heeft aangezien de ontwikkelingen in de rechtspraak en dit wetsvoorstel ertoe kunnen bijdragen de schrikwekkende achterstand bij de hoven en rechtbanken ietwat te beperken. Kennelijk ongegronde vorderingen van onbezonnen justitiabelen of weinig gewetensvolle advocaten kunnen op die manier worden vermeden.

Joëlle MILQUET.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 770bis ingevoegd, luidende :

« Art. 770bis. ­ Wanneer de rechter zich uitspreekt over de zaak zelf, doet hij in dezelfde beslissing uitspraak over de eventueel gevorderde schadevergoeding wegens tergende of roekeloze vordering.

Indien daarenboven een geldboete wegens tergende of roekeloze hoofdvordering verantwoord kan zijn, wordt bij dezelfde beslissing een rechtsdag bepaald op nabije datum, waarop alleen dit punt zal worden behandeld. De griffier roept bij gerechtsbrief de partijen op om te verschijnen op de rechtsdag.

De geldboete bedraagt 5 000 frank tot 100 000 frank. De Koning kan het minimum- en het maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van levensonderhoud.

De geldboete wordt door de Administratie der registratie en domeinen geďnd met aanwending van alle middelen van recht. »

Joëlle MILQUET.

(1) Cf. Géry Van Dessel, « Contre l'abus procédural » in JT, 1997, blz. 680 e.v.; Cassatie, 11 juni 1992, JT, 1992, blz. 676 en Fagnart, J.-L., La responsabilité civile ­ Chronique de jurisprudence, (1985-1995), Les dossiers du JT, nr. 11, Larcier, 1997, blz. 52; Rb. Namen, 12 maart 1990, JLMB, 1990, blz. 853.

(2) Brussel, 2 augustus 1837, Pas., 1837, II, blz. 202.

(3) Cassatie, 15 mei 1941, Pas., 1941, I, blz. 192.

(4) Stuk Senaat, 1990-1991, nr. 1198-1, blz. 27 e.v.