1-711/1

1-711/1

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997

17 JULI 1997


Wetsvoorstel tot wijziging van het decreet van 4 juli 1806 aangaande de manier van opstelling van de akte waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand constateert dat hem een levenloos kind werd vertoond

(Ingediend door de heer Anciaux c.s.)


TOELICHTING


Kinderen die levenloos geboren worden hebben in ons huidige rechtssysteem geen recht op een naam. Dit verschijnsel vloeit logisch voort uit de rechtsopvatting dat de persoonlijkheid van een kind slechts aanvangt met de geboorte op voorwaarde dat dit kind levend en levensvatbaar wordt geboren. De naam van een mens wordt aangezien als een persoonlijkheidsrecht en het recht op naam wordt dan ook gewaarborgd door het verplicht ervan vermelden in de akte van geboorte.

Ondanks het feit dat een kind dat levenloos wordt geboren (of dat kort na de geboorte overlijdt) reeds ettelijke maanden groeide en leefde in de moederschoot, erkent onze maatschappij die kinderen niet. Dit is een heel pijnlijke ervaring voor de ouders van die kinderen, die het sowieso al moeilijk hebben met de verwerking van het verlies van het kindje waar ze zo lang naar uitkeken.

Ouders van een doodgeboren kind getuigen dat de klap die ze krijgen op het moment dat ze hun baby aangeven (wat wettelijk verplicht is) enorm groot is. Wanneer dan in de officiële akten in plaats van een naam « levenloos, mannelijk » of « levenloos, vrouwelijk » wordt genoteerd, dan betekent dit een koude douche voor de betrokkenen. Door iemands naam niet te erkennen ontken je ineens ook zijn bestaan. Een naam krijgen is iets unieks. Je bent niet langer meer een nummer, maar je hebt een naam die heel zorgvuldig uit duizenden verschillende voornamen werd gekozen. Eén van deze ouders omschrijft het als volgt : « De naam is voor ons, ouders, zo belangrijk. Het is een manier om ons dode kindje een plaats te geven in ons gezin, in onze maatschappij, in ons leven. » Een andere getuigenis stelt : « ... Haar een naam geven, met veel liefde voor haar gekozen, was één van de weinige dingen die we wél konden doen. »

Reeds enkele jaren groeperen ouders van een overleden baby zich in een zelfhulpgroep, die de naam « Met lege handen » draagt. Die groep mensen ijveren voor het naamrecht van hun kinderen. Dit wetsvoorstel wil tegemoetkomen aan de rechtvaardige eis van deze mensen door de mogelijkheid te creëren om de « beoogde » naam van het kind in de « akte van vertoning van een levenloos kind » op te nemen.

Ik stel dan ook voor om het decreet dat nog dateert van begin vorige eeuw (!) te actualiseren en onze wetgeving een stukje humaner te maken.

Aangezien het wenselijk zou zijn de ouders die recentelijk een doodgeboren kindje ter wereld brachten een stukje vooruit te helpen in hun verwerkingsproces, opteer ik ervoor deze wetswijziging te laten ingaan met een terugwerkende kracht van twee jaar vóór bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Bert ANCIAUX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Het opschrift van het decreet van 4 juli 1806 aangaande de manier van opstellen van de akte waarbij de ambtenaar van de burgerlijke stand constateert dat hem een levenloos kind word vertoond wordt vervangen door het volgende opschrift :

« Decreet aangaande de aangifte van een levensloos kind. »

Art. 3

In hetzelfde decreet wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidende :

« Art. 1bis. ­ Op vraag van de ouders kan desgevallend de naam die het kind zou dragen indien het levend en levensvatbaar ware geboren, in de akte worden opgenomen met de vermelding « gewenste naam ». De keuze van die naam geschiedt overeenkomstig artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek. »

Art. 4

Deze wet heeft uitwerking vanaf twee jaar vóór de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Bert ANCIAUX.
Sabine DE BETHUNE.
Lisette NELIS-VAN LIEDEKERKE.
Jan LOONES.
Vera DUA.