1-848/5 | 1-848/5 |
11 MAART 1998
Evocatieprocedure
Bij brief van 20 februari 1998 heeft de voorzitter van de Senaat met toepassing van artikel 24 van het Reglement van de Senaat aan de commissie voor de Justitie gevraagd de commissie voor de Binnenlandse en de Administratieve Aangelegenheden uiterlijk tegen 15 maart 1998 van beredeneerd advies te dienen over de amendementen nrs. 5 tot 11, 14 en 16 tot 21 die de heer Caluwé op het voorliggende ontwerp heeft ingediend (Stukken Senaat, nrs. 1-848/2 en 4) (1).
Deze amendementen hebben tot doel de procedure in verband met de vaststelling van het overlijden en de opmaak van de desbetreffende akte te laten aansluiten op de bestaande praktijk. In tegenstelling tot de vigerende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek die voorbijgestreefd zijn (artikelen 77 en volgende) (2), voorzien deze amendementen in de verplichting om ieder overlijden door een arts te laten vaststellen, ongeacht of het overlijden te wijten is aan een natuurlijke oorzaak dan wel gewelddadig of verdacht van aard was (cf. de door de amendementen nrs. 17 en 19 voorgestelde artikelen 76ter en 81 van het Burgerlijk Wetboek).
Tijdens de vergadering van 6 maart 1998 kwam de commissie tot het volgende advies.
1. Het verdient aanbeveling om de in de amendementen van de heer Caluwé voorgestelde regeling niet binnen het kader van dit wetsontwerp te bespreken, maar af te splitsen in een afzonderlijk wetsvoorstel.
Het ter tafel liggende ontwerp heeft, zoals het opschrift aangeeft, een specifieke doelstelling, met name de regeling van de teraardebestelling en de crematie, welke duidelijk te onderscheiden valt van de ratio die aan de amendementen van de heer Caluwé ten grondslag ligt (3).
De commissie acht het derhalve raadzaam dat de heer Caluwé zijn amendementen uitwerkt tot een volwaardig wetsvoorstel waarin naast de procedure inzake de vaststelling van het overlijden ook die inzake de aangifte van de geboorte zou kunnen worden behandeld.
Bij het onderzoek van dit wetsvoorstel kan dan worden nagegaan in welke mate de bestaande praktijk bevrediging schenkt en kan worden gelegaliseerd dan wel of er wetgevend innoverend moet worden opgetreden. Tevens kan men zich met betrekking tot de vaststelling van het overlijden beraden over de opportuniteit van de verplichte tussenkomst van een arts, alsook over de vraag welke arts het overlijden mag vaststellen, de huisarts, een gerechtsarts of een andere arts.
2. Het feit dat de commissie er de voorkeur aan geeft de in de inleiding opgesomde amendementen van de heer Caluwé uit het ontwerp te lichten, neemt niet weg dat sommige van zijn voorstellen ernstige reserves oproepen. Zonder aanspraak te maken op exhaustiviteit, worden er hierna drie van opgesomd.
3. Het door amendement nr. 16 voorgestelde artikel 76bis van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat « na ieder overlijden een verklaring van overlijden dient te worden opgemaakt door een arts. Tussen de arts en de overledene mag er geen bloed- of aanverwantschap bestaan tot in de vierde graad. Al evenmin mag de arts met de overledene hebben samengewoond » (Stuk Senaat, nr. 1-848/4).
a) Deze bepaling heeft onder meer tot doel gevallen van euthanasie op te sporen (4). De vraag rijst echter hoe de vaststelling van een dergelijk overlijden juist dient te gebeuren.
Het lijkt alleszins voorbarig om vooraleer de wetgever zich over de problematiek van de euthanasie heeft uitgesproken, bepalingen met betrekking tot de vaststelling, de aangifte en de controle van overlijden aan te nemen waarvan de draagwijdte op dit punt niet duidelijk is.
b) De voorwaarde dat de arts niet met de overledene mag hebben samengewoond, behoeft verduidelijking. Welke relatie wordt hier juist geviseerd ?
4. Met betrekking tot amendement nr. 17 houdende invoeging van een artikel 76ter in het Burgerlijk Wetboek lokt vooral de tweede paragraaf van de voorgestelde bepaling negatieve kritiek uit.
Deze bepaling luidt als volgt :
« § 2. Artsen, erkende specialisten in de gerechtelijke geneeskunde en verbonden aan een erkend instituut voor forensische geneeskunde, oefenen steekproefsgewijze, overeenkomstig door de Koning nader te bepalen regels, toezicht uit op de waarachtigheid van de verklaring van overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Zij kunnen daartoe overgaan tot uitwendig en inwendig onderzoek van het lijk ».
a) Verschillende leden zijn van oordeel dat deze bepaling de plichtenleer van de artsen in vraag stelt. Bovendien stuit de procedure waarbij steekproefsgewijs toezicht wordt uitgeoefend op de waarachtigheid van de verklaring van overlijden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak, op verzet omdat ze twijfels en vermoedens dreigt uit te lokken omtrent overlijdens die geen aanleiding hoeven te geven tot enige achterdocht .
Dit schaadt de geloofwaardigheid van het medisch beroep.
b) Bovendien dwingt de federale wetgever met deze bepaling de gemeenschappen ertoe maatregelen te nemen met het oog op de erkenning van zowel specialisten in de gerechtelijke geneeskunde als van instituten voor forensische geneeskunde.
Moet hieromtrent geen voorafgaand overleg met de gemeenschappen worden gevoerd ?
5. Het door amendement nr. 19 voorgestelde artikel 81 van het Burgerlijk Wetboek roept eveneens vragen op. De voorgestelde tekst luidt als volgt :
« § 1. Indien de arts die het overlijden heeft vastgesteld, er niet van overtuigd is dat het overlijden het gevolg is van een natuurlijke doodsoorzaak, mag hij geen verklaring van overlijden opstellen. De arts dient het overlijden onverwijld te melden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand die bewijs krijgt van het ongewoon overlijden zoals bedoeld in § 1 dient dit op zijn beurt onverwijld te melden aan de procureur des Konings. De procureur des Konings gaat in ieder geval over tot de aanduiding van een arts, verbonden aan en onder toezicht van een erkend instituut voor gerechtelijke geneeskunde. Het is deze arts die in deze gevallen de aangifte van overlijden opstelt. De teraardebestelling kan slechts geschieden mits toestemming van de procureur des Konings.
§ 3. De Koning bepaalt de datum waarop § 2 van dit artikel in werking treedt. »
a) Met betrekking tot de meldingsplicht in geval van verdacht overlijden is de commissie van oordeel dat de arts, die op dat ogenblik een openbare functie vervult, zowel de procureur des Konings dient te verwittigen krachtens artikel 29, eventueel artikel 30, van het Wetboek van Strafvordering, als de ambtenaar van de burgerlijke stand. Aldus wordt voorkomen dat deze laatste toestemming zou geven tot de begrafenis of de crematie omdat hij onwetend zou zijn van het verdacht karakter van een overlijden.
b) De samenhang tussen de voorgestelde artikelen 76ter , § 1, en 81, § 1, laat te wensen over. In se is artikel 81, § 1, de logische consequentie van artikel 76ter , § 1. Deze bepaling hoeft derhalve niet expliciet in het Burgerlijk Wetboek te worden opgenomen.
6. Dit advies behandelt natuurlijk niet uitputtend alle bemerkingen of bezwaren die met betrekking tot de amendementen van de heer Caluwé in de Commissie voor de Binnenlandse en de Administratieve Aangelegenheden kunnen worden geformuleerd.
Alvorens tot de stemming over te gaan, wordt nogmaals beklemtoond dat het niet gepast lijkt om binnen het bestek van dit ontwerp, dat een beperkte draagwijdte heeft, een hervorming door te voeren die verregaande gevolgen heeft voor de ambtenaren van de burgerlijke stand.
Het spreekt voor zich dat dit standpunt geen afbreuk doet aan de specifieke bedenkingen die werden gemaakt omtrent enkele van de door de heer Caluwé ingediende amendementen.
Het bovenstaande advies wordt aangenomen met 8 stemmen, bij 1 onthouding.
Dit verslag werd op 11 maart 1998 goedgekeurd bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
| De rapporteur,
Stef GORIS. |
De voorzitter,
Roger LALLEMAND. |
(1) Amendement nr. 4 van de heer Caluwé hoort ook bij deze reeks. Aan te stippen valt dat de amendementen nrs. 4, 5 en 8 vervangen zijn door de amendementen nrs. respectievelijk 14, 16 en 17 en 19.
(2) Cf. de verantwoording voor amendement nr. 4 van de heer Caluwé : « Voorliggend ontwerp van wet beperkt zich tot de regeling van de crematie. Het lijkt ons echter aangewezen de globale regeling van vaststelling, aangifte en controle van overlijden te regelen. De huidige Belgische regeling op dit punt vertoont immers een aantal leemten en gebreken » (Stuk Senaat, nr. 1-848/2, blz. 3).
(3) De minister van Binnenlandse Zaken heeft er in zijn uiteenzetting voor de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken op gewezen dat « met de voorgestelde wijziging (dit is het wetsontwerp) de ganse problematiek nog niet helemaal is geregeld. Het Burgerlijk Wetboek dient eveneens te worden aangepast. Het verlof tot teraardebestelling en de procedure in geval van gewelddadige dood behoren evenwel tot de bevoegdheid van Justitie » (Verslag van de heer Van Gheluwe, Stuk Kamer, 1996-1997, nr. 1086/4, blz. 2).
(4) In zijn verantwoording bij amendement nr. 4 verklaart de heer Caluwé in fine dat « om de vrijwilligheid van het verzoek om euthanasie te waarborgen, de wetgever in harde garanties moet voorzien opdat ongewenste levensbeëindiging niet onopgemerkt zal blijven » (Stuk Senaat, nr. 1-848/2, blz. 5).