1-868/1 | 1-868/1 |
5 FEBRUARI 1998
De bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten van 16 januari 1989 en meer in het bijzonder die bedoeld onder titel III, artikel 4, § 6, spreekt zich met name uit over de nalatigheidsinteresten en de desbetreffende boetes. Dit artikel vermeldt, en we citeren :
« ... bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen na overleg met de betrokken regeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten en de last van de verwijlinteresten bedoeld in artikel 3 ».
Wel is er, tot op heden, geen gevolg gegeven aan dit artikel waardoor de doorstorting ervan aan de gewesten, dit niettegenstaande het feit dat daartoe reeds meermaals werd aangedrongen, onuitgevoerd blijft. Het meest expliciet gebeurde dit aandringen tot regeling bij monde van mevrouw W. Demeester, minister van Financiën en Begroting in de Vlaamse regering, en dit op de diverse bijeenkomsten van het Overlegcomité.
Uiteraard gaat het hier, vooral gegeven het feit dat het om doorstortingen met terugwerkende kracht gaat vanaf 1990, om al maar hoger oplopende middelen die ten onrechte aan de gewesten worden onthouden. Zo bedraagt het basisbedrag aan successierechten in Vlaanderen voor 1997 14,8 miljard frank. Teruggaand tot 1990 gaat het met andere woorden om een globaal bedrag van circa 100 miljard frank waarop de verwijlinteresten en boetes nog dienen verrekend en doorgestort te worden.
Naar analogie geldt uiteraard hetzelfde ten aanzien van het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gebied.
Om welke bedragen het precies gaat die naar de gewesten dienen doorgestort te worden, kan finaal weinig discussie bestaan. Daartoe volstaat het om de geïnde bedragen in de diverse registratiekantoren te groeperen. Zo kan moeilijk als excuus ingeroepen worden dat de verwijlinteresten jaarlijks op een gezamenlijke rekening toekomen en dit voor het ganse land (cf. bulletin van Vragen en Antwoorden van de Senaat, zitting 1996-1997, 29 april 1997, blz. 2183).
Dat de uitsplitsing tot nu toe niet gebeurde, moet nu eindelijk maar eens uitgeklaard en uitgevoerd worden. Een concrete naleving van de bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten dient zich derhalve aan, een gegeven waarop eensgezind door de tien gemeenschapssenatoren vanuit Vlaanderen met voorliggende resolutie wordt aangestuurd.
| Christiaan VANDENBROEKE. |
Gegeven het feit dat de verwijlinteresten en boetes op de successierechten krachtens de bijzondere wet van 1989 aan de gewesten toekomen;
Gegeven het feit dat daar reeds meermaals vanuit de gewesten werd op aangedrongen,
Verzoeken de Vlaamse gemeenschapssenatoren aan de federale regering om onverwijld werk te maken van een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit zodat, met terugwerkende kracht tot 1990 en na indexering, tot doorstorting aan de gewesten kan overgegaan worden van de hen toekomende verwijlinteresten en boetes op de successierechten.
| Christiaan VANDENBROEKE. Leo DELCROIX. Jacques DEVOLDER. Leo GOOVAERTS. Marc OLIVIER. Joris VAN HAUTHEM. Johan WEYTS. |