1-836/1

1-836/1

Belgische Senaat

ZITTING 1997-1998

8 JANUARI 1998


Wetsvoorstel tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel

(Ingediend door mevrouw Milquet)


TOELICHTING


1. Vóór de wet van 14 juli 1976 gold als principe dat het huwelijksvermogensstelsel onveranderlijk was. Dat betekende dat het zelfs met de instemming van beide echtgenoten onmogelijk was gedurende het huwelijk ook maar de minste wijziging aan te brengen in het huwelijksvermogensstelsel. Dit principe gold zowel voor het wettelijk stelsel dat bij gebreke van een huwelijksovereenkomst van kracht was, als voor het vrij gekozen bedongen stelsel.

De wet van 14 juli 1976 heeft dit principe gewijzigd : toch blijft de oude regel van de onveranderlijkheid gedeeltelijk en impliciet bestaan aangezien het niet mogelijk is zonder de toestemming van de rechtbank wijzigingen aan te brengen in de huwelijksovereenkomst (1).

2. In notariskringen wordt de logheid van de procedure tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel ten zeerste betreurd (2). Sommigen zouden zelfs pleiten voor de afschaffing van elke vorm van rechterlijke controle (3).

Afschaffing zonder meer zou echter zware gevolgen kunnen hebben, zowel voor derden als voor de echtgenoten. De wetgever van 1976 heeft immers een procedure uitgewerkt die derden vrij goed beschermt en het hun mogelijk maakt tussen te komen in het geding om hun rechten te doen gelden. Tegenover dit recht om tussen te komen staat dan weer de strikte beperking in de tijd van de rechtsmiddelen die derden na de homologatie kunnen instellen tegen een vereffening die met bedrieglijke benadeling van hun rechten is geschied : de periode waarin opgetreden kan worden, wordt immers van dertig jaar op één jaar gebracht en daarbij gaat het om een termijn van verval (artikel 1319bis van het Gerechtelijk Wetboek) (4).

De afschaffing van elke vorm van rechterlijke controle zou dus betekenen dat derden niet meer kunnen tussenkomen in een procedure die de echtgenoten de mogelijkheid biedt hun vereffening-verdeling bij overeenkomst te regelen. Het risico bestaat dan dat tegen de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel herhaaldelijk beroep wordt ingesteld daar derden niet vroeger zijn kunnen tussenkomen in de zaak en daar ze er bovendien niet van kunnen uitgaan dat op systematische wijze is nagegaan of de wijziging geen afbreuk doet aan de rechten van derden (artikel 1395, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

Wat de echtgenoten betreft, zou voortaan het risico bestaan dat beroep wordt ingesteld tegen een wijziging van hun huwelijksvermogensstelsel over een periode van dertig jaar in plaats van, zoals nu, gedurende een beperkte termijn van één jaar. De rechtszekerheid van de overeenkomsten zou er niet groter op worden.

3. Eenvoudige afschaffing van elke vorm van rechterlijke controle is dus te vermijden. Niets belet dat een poging kan worden gedaan om deze procedure minder omslachtig te maken.

De boedelbeschrijving en de regeling van de wederzijdse rechten zijn twee akten die voor de notaris vastgesteld worden en die vóór de akte van wijziging van het huwelijksvermogensstelsel moeten plaatsvinden.

De boedelbeschrijving wordt opgemaakt om de rechtbank die met de homologatie belast is en de derden die daarom verzoeken, volledig in te lichten over de financiële toestand van de echtgenoten. Deze akte moet een beschrijving en een raming geven van de roerende en onroerende goederen van de echtgenoten alsmede de lijst van hun schulden. Het spreekt vanzelf dat de boedelbeschrijving eventueel beperkt kan blijven tot een verklaring van de echtgenoten dat er geen boedel te beschrijven valt.

De regeling van de wederzijdse rechten van de echtgenoten is niets anders dan een ontwerp van vereffening en een ontwerp van verdeling goedgekeurd door de echtgenoten onder de opschortende voorwaarde dat de akte van wijziging van het stelsel door de rechtbank wordt gehomologeerd. Zo kan de rechtbank nagaan op welke wijze het oude stelsel vereffend zal worden en de gemeenschappelijke en onverdeelde goederen verdeeld zullen worden. Aan de hand van deze inlichtingen kan de rechtbank de belangen van het gezin en de rechten van derden ­ die vooral bij de verdeling onder druk staan ­ op efficiënte wijze beschermen en nagaan of ook over de toewijzing van de goederen overeenstemming bestaat tussen de echtgenoten (5).

Een eerste verbetering zou erin bestaan de bestaande regel om te keren door van de vereenvoudigde procedure (of « kleine » procedure) de algemene regel te maken en niet de uitzondering. De ervaring leert immers dat de boedelbeschrijving en de regeling van de wederzijdse rechten van de echtgenoten (artikel 1394 van het Burgerlijk Wetboek) slechts nodig zijn wanneer de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de vereffening-verdeling met overdracht van goederen van een vermogen naar een ander tot gevolg heeft. Dat is het geval wanneer van een stelsel met gemeenschap van goederen wordt overgegaan naar een stelsel met scheiding van goederen. De werkelijke betekenis van de boedelbeschrijving komt hier duidelijk tot uiting. Zij heeft ten doel « de omvang ... van de gemeenschap of van de onverdeeldheid vast te stellen » (artikel 1175 van het Gerechtelijk Wetboek). De regeling van de rechten maakt het mogelijk de rechten en het aandeel van de echtgenoten in het vereffende vermogen vast te stellen (6). In de andere gevallen zijn boedelbeschrijving en regeling van de rechten niet echt onontbeerlijk en kunnen ze worden afgeschaft.

De ervaring leert bovendien dat het meestal bij de verrichtingen met betrekking tot de vereffening-verdeling is dat er sprake is van bedrieglijke benadeling van de rechten van derden : daar de echtgenoten de mogelijkheid hebben een vergelijk te treffen, kunnen zij van de normale regels afwijken bij de bepaling van hun respectieve rechten en bij de verdeling van de baten en de lasten van het te vereffenen vermogen. In dit geval moet de rechter dus kunnen beschikken over alle informatie die hij met het oog op controle nodig heeft.

Die procedure kan worden vereenvoudigd door de huidige criteria voor het onderscheid tussen de twee soorten procedures (de dadelijke verandering van de samenstelling van de vermogens en de vereffening van het vorige stelsel) te behouden ­ zij bieden immers het voordeel dat zij in de rechtsleer, in de jurisprudentie en in de rechtspraktijk nu goed bekend zijn ­ maar door ze tevens cumulatief te maken in plaats van het alternatief te laten bestaan zoals op het ogenblik het geval is.

Dat zou het namelijk mogelijk maken een eigen goed dadelijk in te brengen in het gemeenschappelijk vermogen, zonder daarvoor de omslachtige procedure te volgen die op het ogenblik voor een dergelijke wijziging nog verplicht is. Die verplichting komt vele auteurs echter vrij ongenuanceerd voor en er zijn reeds herhaaldelijke stemmen opgegaan om de wetgeving in die zin aan te passen.

4. Een tweede ingrijpende verbetering zou bestaan in het afschaffen van de laatste notariële akte die moet worden opgemaakt binnen een jaar na de bekendmaking van de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad . Gebeurt dat niet, dan heeft de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel thans geen gevolg (artikel 1395, § 4, van het Burgerlijk Wetboek).

Die ontlening aan de procedure met betrekking tot de gerechtelijke scheiding van goederen (artikel 1473 van het Burgerlijk Wetboek) kan moeilijk geslaagd genoemd worden, want de context is totaal verschillend. Bij een wijziging van het huwelijksvermogensstelsel ­ zoals ook bij een scheiding met onderlinge toestemming ­ zijn de echtgenoten immers verplicht hun rechten te regelen vooraleer de rechter tussenkomt. Bij een gerechtelijke scheiding van goederen daarentegen is er nog niets gebeurd.

Bovendien is de werkelijke aard en strekking van die akte fel omstreden en derhalve bron van allerlei moeilijkheden.

Die akte plaatst ten slotte het door de wetgever georganiseerde systeem van openbaarheid volledig op de helling, met name de kennisgeving aan de burgerlijke stand, aan de notaris die het oorspronkelijke huwelijkscontract onder zich houdt, aan de griffie van de rechtbank van koophandel en aan het handelsregister. Al die maatregelen hebben immers ten doel derden in te lichten over een wijziging die echter « zonder gevolg » dreigt te blijven indien die akte niet wordt opgemaakt ... nadat die kennisgevingen zijn verricht. Derden of notarissen die zekerheid wensen te hebben over het huwelijksvermogensstelsel van echtgenoten, kunnen zich dus niet verlaten op die maatregelen genomen met het oog op de openbaarheid, maar moeten nog uitzoeken of die laatste akte al dan niet bestaat, aangezien van die akte geen kennis gegeven moet worden.

Geeft men de echtgenoten echter de mogelijkheid hun rechten en de wijzigingsakte tot in de kleinste details op voorhand te regelen, onder de opschortende voorwaarde van homologatie, dan is die laatste akte niet echt onontbeerlijk. Zoals bij een echtscheiding met onderlinge toestemming kan het nuttig zijn achteraf vast te stellen dat aan de voorwaarde is voldaan om tot een duidelijke situatie te komen, vooral inzake de openbaarheid van het grondbezit, wanneer er onroerende goederen zijn. Dat is echter geen absolute noodzaak.

Afschaffing van de wettelijke verplichting om die laatste akte op systematische wijze door een notaris te laten opmaken zou de procedure dus merkelijk vereenvoudigen. Zo zou een einde gemaakt worden aan allerlei betwistingen en de regeling met betrekking tot de openbaarheid zou hierdoor betrouwbaar en samenhangend worden. Afschaffing betekent natuurlijk niet dat een notariële akte niet opgemaakt zou mogen worden als dat om een of andere reden nuttig zou zijn.

In dit verband zij opgemerkt dat het zeer nuttig zou zijn dat de minister van Binnenlandse Zaken zijn circulaires met betrekking tot het trouwboekje in die zin wijzigt dat de diensten van de burgerlijke stand verplicht worden de echtgenoten op te roepen opdat de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel die op de kant van de huwelijksakte vermeld moet worden (artikel 1395, § 2, van het Burgerlijk Wetboek), ook vermeld wordt in het trouwboekje.

5. Een ander probleem dat een wetswijziging wenselijk maakt, is het overlijden van een echtgenoot in de loop van de procedure. In zijn arrest van 2 mei 1979 heeft het Hof van Cassatie gemeend dat homologatie onmogelijk was bij vooroverlijden van een echtgenoot, daar de wetgever het gezamenlijk optreden van beide echtgenoten gedurende de hele procedure uitdrukkelijk heeft voorgeschreven. Voor de overlevende echtgenoot is het wellicht aannemelijk dat de procedure wordt voortgezet, daar de gehomologeerde wijziging tussen echtgenoten reeds gevolg heeft met ingang van de datum van de wijzigingsakte. Dat is echter niet het geval voor derden ten opzichte van wie de wijziging eerst later gevolg heeft (artikel 1396 van het Burgerlijk Wetboek). Hoe zou men bijgevolg een stelsel kunnen wijzigen dat door het overlijden van een van beide echtgenoten niet meer bestaat ?

Die stroefheid van de wet, die soms leidt tot onrechtvaardige situaties, heeft hoog oplopende discussies uitgelokt in de rechtsleer zowel als in de jurisprudentie. Verschillende rechterlijke beslissingen van na 1979 zijn trouwens ingegaan tegen het arrest van het Hof van Cassatie.

De oplossing zou erin bestaan de overlevende echtgenoot de wettelijke mogelijkheid te geven de procedure voort te zetten, op voorwaarde dat beide echtgenoten persoonlijk verschenen zijn voor de rechtbank in de raadkamer. Op die manier kan de rechtbank zich ervan vergewissen dat beide echtgenoten het met de wijziging eens zijn en dat de ene geen misbruik heeft gemaakt van zijn invloed op de andere. Bovendien moet uit een gesprek met beide echtgenoten gebleken zijn dat de voorgenomen wijziging geen afbreuk doet aan de belangen van de kinderen dan wel aan de rechten van derden.

Aanvaardt men dat de procedure wordt voortgezet, dan moet ook de datum worden herzien met ingang waarvan de gehomologeerde wijziging gevolg heeft voor derden.

Men zou ook een ander systeem in overweging kunnen nemen dat de voortzetting van de procedure mogelijk maakt, doch enkel op het gezamenlijke initiatief van de overlevende echtgenoot en de erfgerechtigden van de overledene. In de praktijk kan een dergelijk systeem vrij ingewikkeld zijn, meer bepaald wanneer niet alle rechthebbenden geïdentificeerd en gelokaliseerd kunnen worden, indien zij het onderling en met de overlevende echtgenoot niet eens zijn of wanneer er onder hen minderjarigen zijn. Dergelijke moeilijkheden dreigen de homologatieprocedure en bijgevolg de vereffening van de erfenis ernstig te vertragen. Bovendien is het helemaal niet evident dat de erfgerechtigden de wil van de vooroverledene beter zouden vertrolken dan de overlevende echtgenoot. Die wil is trouwens reeds geuit in de wijzigingsakte, in het verzoekschrift en voor de rechtbank bij de persoonlijke verschijning. Het gaat bovendien om een verrichting die in de eerste plaats het echtpaar aangaat, die door de echtgenoten besproken is en waartoe in onderlinge overeenstemming door hen besloten is. Er kan eventueel ook een ernstig conflict rijzen tussen de belangen van het echtpaar en die van de erfgerechtigden van de overledene, waarbij die erfgerechtigden de wil van de overledene zouden kunnen dwarsbomen door de procedure niet voort te zetten.

Dit alles leidt tot de keuze van een systeem waarin de procedure alleen door de overlevende echtgenoot kan worden voortgezet en de erfgerechtigden, zoals ook de schuldeisers van de echtgenoten, de mogelijkheid hebben om inzage te vragen van de stukken en om in het geding tussen te komen.


ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

De eerste wijziging bestaat erin van de « vereenvoudigde » procedure de algemene regel te maken door de bestaande criteria voor het onderscheid tussen de « omslachtige » procedure en de « eenvoudige » procedure cumulatief te maken.

Artikel 3

Dit artikel wijzigt de eerste zin van artikel 1395 om het huwelijksvermogensstelsel te versoepelen zonder dat de rechtszekerheid in gevaar komt.

Artikel 4

Dit artikel verhelpt het gebrek aan samenhang dat tot uiting komt bij de homologatie door een hof van beroep. Artikel 1395, § 2, van het Burgerlijk Wetboek voorziet immers in een aantal kennisgevingen van het arrest « binnen twee maanden na de beslissing », hoewel de termijn voor het cassatieberoep drie maanden bedraagt. Het zou dus verkieslijk zijn te verduidelijken dat die termijn van twee maanden ingaat na het verstrijken van de termijnen om beroep in te stellen teneinde te verhinderen dat, door een al te letterlijke toepassing van de wet, kennis wordt gegeven van een beslissing waartegen nog rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld, ook al heeft het cassatieberoep in dit geval geen opschortende kracht.

Artikel 5

Dit artikel maakt het opmaken van een laatste notariële akte overbodig. Nu is dat nog wettelijk vereist opdat de wijziging gevolg zal hebben.

Vervolgens wordt in het Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid geschapen voor de overlevende echtgenoot om, in geval een van beide echtgenoten overlijdt, de wijzigingsprocedure voort te zetten nadat de twee echtgenoten persoonlijk voor de rechtbank zijn verschenen. Het artikel maakt het voor de overlevende echtenoot ook mogelijk alleen beroep in te stellen tegen de beslissing waarbij de homologatie geweigerd wordt.

Artikel 6

De tekst die wordt voorgesteld ter vervanging van het bestaande artikel 1396 van het Burgerlijk Wetboek, onderstreept duidelijk de terugwerkende kracht van de homologatie en bepaalt dat de wijziging op dezelfde datum gevolgen heeft voor de echtgenoten en voor derden, zoals dat ook het geval is bij de gerechtelijke scheiding van goederen (artikel 1472 van het Burgerlijk Wetboek) of bij adoptie (artikel 357 van het Burgerlijk Wetboek).

Door die wijziging wordt het ook juridisch denkbaar dat de procedure wordt voortgezet in geval van vooroverlijden van een van beide echtgenoten.

De nieuwe tekst onderstreept eveneens het belang van de bekendmaking van de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad . Wanneer die ontbreekt, kan de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet worden tegengeworpen aan derden.

Artikel 7

Dit artikel brengt op de eerste plaats een zuiver formele aanpassing aan waartoe artikel 5 van dit voorstel noopt.

Het schaft vervolgens de vrijstelling van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad af bij een « vereenvoudigde » procedure en maakt die bekendmaking dus verplicht in alle gevallen. Op die manier wordt een einde gemaakt aan de onzekerheid omtrent de noodzaak van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad wanneer het om « kleine » procedures gaat. Die onzekerheid spruit voort uit het bestaande gebrek aan samenhang tussen enerzijds het huidige artikel 1396 van het Burgerlijk Wetboek (dat de gevolgen ten opzichte van derden laat ingaan op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad ) en anderzijds artikel 1319 van het Gerechtelijk Wetboek (dat de echtgenoten vrijstelt van die bekendmaking wanneer het om een « kleine » procedure gaat). Door het belang van de informatie ten behoeve van derden te benadrukken wordt de vereenvoudiging van de procedure enigszins gecompenseerd.

Bovendien krijgen de erfgerechtigden van de vooroverledene echtgenoot het recht kennis te nemen van de stukken en in het geding tussen te komen wanneer de procedure door de overlevende echtgenoot wordt voortgezet.

Joëlle MILQUET.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 1394 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, worden het tweede, derde en vierde lid vervangen als volgt :

« Wanneer de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de vereffening van het vorige stelsel en een dadelijke verandering van de samenstelling van de vermogens tot gevolg heeft, wordt de akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel voorafgegaan door :

1. een beschrijving van alle goederen en schulden van de echtgenoten;

2. een regeling van hun wederzijdse rechten, waaromtrent het hun vrij staat een vergelijk te treffen.

Beide worden vastgesteld bij notariële akte. »

Art. 3

In artikel 1395, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, worden na de woorden « van hun echtelijke verblijfplaats » ingevoegd de woorden « behalve inden de akte uitsluitend betrekking heeft op huwelijksvoordelen of contractuele erfstellingen ».

Art. 4

In artikel 1395, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden « deelt de griffier, binnen twee maanden na de homologatiebeslissing, een uittreksel ervan mede » vervangen door de woorden « deelt de griffier, binnen twee maanden na het verstrijken van de termijnen vastgesteld voor hoger beroep of cassatieberoep, een uittreksel van de homologatiebeslissing mede. »

Art. 5

Artikel 1395, § 4, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976; wordt vervangen als volgt :

« § 4. Indien een van beide echtgenoten overlijdt na de persoonlijke verschijning van beide echtgenoten voor de rechtbank doch vóór de beëindiging van de homologatieprocedure, kan die procedure door de zorg van de overlevende echtgenoot worden voortgezet.

Wordt in dat geval de homologatie geweigerd, dan kan, binnen een maand na de kennisgeving door de griffier, hoger beroep worden ingesteld bij verzoekschrift ondertekend door de overlevende echtgenoot. »

Art. 6

Artikel 1396 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, wordt vervangen als volgt :

« Art. 1396. ­ Bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel werken terug, wat hun gevolgen betreft, tot op de dag van de wijzigingsakte, zowel tussen echtgenoten als ten aanzien van derden.

Ze kunnen aan derden echter eerst worden tegengeworpen wanneer een uittreksel uit de homologatiebeslissing in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. »

Art. 7

In artikel 1319 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º Het 1º wordt vervangen als volgt :

« 1º Het uittreksel uit het verzoek en de homologatiebeslissing worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt door de zorg van beide echtgenoten of van de overlevende echtgenoot. »;

2º Dit artikel wordt aangevuld met een 4º, luidende :

« 4º Wordt de procedure na het overlijden van een van beide echtgenoten voortgezet, dan genieten de erfgerechtigden van die echtgenoot dezelfde rechten als artikel 1314 aan de schuldeisers van de verweerder verleent. »

Joëlle MILQUET.

(1) Philippe De Page, « Chronique de jurisprudence : Les régimes matrimoniaux » (janvier 1984 - décembre 1992), J.T. , 15 januari 1994, nr. 5701, blz. 49 en volgende.

(2) A. Lejeune, « La mutabilité des régimes matrimoniaux. Faut-il changer la loi compte tenu des enseignements de la pratique ? » in Dix années d'application de la réforme des régimes matrimoniaux , Bruylant, 1988, blz. 261-275; G. Baetman, « En nog over de gerechtelijke achterstand », T.P.R. , 1993, blz. 2; de heer Coene, « Aktuele problemen inzake conventionele wijziging van huwelijksvermogensstelsels », T.P.R. , 1985, blz. 175-225 en F. Werdefroy, « Het nieuw huwelijksvermogensrecht en de hypotheekwet », T. not. , 1977, blz. 65-92.

(3) J. Demblon, noot bij Burg. Rb Charleroi, 20 december 1985, R.R.D. , 1986, blz. 246; A. Lejeune, blz. ... « La mutabilité des régimes matrimoniaux. Faut-il changer la loi compte tenu des enseignements de la pratique ? » in Dix années d'application de la réforme des régimes matrimoniaux , Brussel, Bruylant, 1987, blz. 241 en volgende.

(4) De wetgever van 1976 heeft het systeem opzettelijk zo gewild. Hij oordeelde immers dat het « verkieslijk is de schuldeisers te machtigen om hun rechten te doen gelden in de loop van het homologatiegeding veeleer dan hun toe te staan om tijdens de verjaringstermijn van dertig jaar gesteld in artikel 1128 van het Gerechtelijk Wetboek, de gewezen beslissing te bestrijden » (verslag Hambye, Stuk Senaat, 1975-1976, nr. 683/2, blz. 25).

(5) Léon Raucent, Les régimes matrimoniaux , Louvain-La-Neuve, Cabay, 1986, blz. 261 en volgende.

(6) P. Watelet, La rédaction des actes notariés , Larcier, 1980, blz. 613.