1-56
COM

1-56
COM

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales des réunions publiques de commission

Handelingen van de openbare commissievergaderingen

COMMISSION DES FINANCES ET DES AFFAIRES ÉCONOMIQUES

COMMISSIE VOOR DE FINANCIEN EN DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN

SÉANCE DU MERCREDI 30 OCTOBRE 1996

VERGADERING VAN WOENSDAG 30 OKTOBER 1996

(Vervolg-Suite)

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER VANDENBROEKE AAN DE MINISTER VAN WETENSCHAPSBELEID OVER « HET ARCHIEFBEHEER EN HET FUNCTIONEREN VAN DE RIJKSARCHIEVEN »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. VANDENBROEKE AU MINISTRE DE LA POLITIQUE SCIENTIFIQUE SUR « LA GESTION DES ARCHIVES ET LE FONCTIONNEMENT DES ARCHIVES DE L'ÉTAT »

De Voorzitter . ­ Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Vandenbroeke aan de minister van Wetenschapsbeleid over « het archiefbeheer en het functioneren van de Rijksarchieven ».

Het woord is aan de heer Vandenbroeke.

De heer Vandenbroeke (VU). ­ Mijnheer de Voorzitter, het onderwerp dat ik vandaag aan de minister wil voorleggen, kwam reeds eerder aan bod. Ik durf niet te zeggen dat ik er graag op terugkom, maar toch moet de aandacht erop gevestigd worden omdat in de sector van het archiefbeheer op het vlak van organisatie en functioneren een manifeste malaise heerst. Deze malaise is in grote lijnen gekend. Zij kwam reeds eerder aan bod en haalde af en toe zelfs de media. Soms zaten aan deze zaak ook kleinzielige kantjes en soms werd ze persoonlijk gespeeld, hoewel dit laatste nu min of meer is uitgeklaard.

De oorzaken van deze malaise liggen op twee vlakken. Enerzijds zijn er de financiële problemen, anderzijds moet het probleem ook in een politiek-institutioneel kader worden geplaatst. Straks zal ik de minister, die deze sector zeer goed kent en ook zeer genegen is, een drietal heel concrete vragen stellen.

Vooraf wil ik echter in een korte inleiding de zaak met enige envergure in een breder kader plaatsen om op basis van deze toelichting de minister enkele suggesties te doen.

Zoals gezegd is de malaise in het archiefwezen tweeledig : financieel, maar ook politiek-institutioneel. Ik denk dat beide aspecten ook samenhangen. Deze materie valt inderdaad volledig onder de bevoegdheid van de minister, maar toch denk ik dat op politiek vlak een aantal aanpassingen noodzakelijk zijn. Ik verklaar mij nader. Wij willen absoluut geen bruggen opblazen. Integendeel, als historicus en wetenschapper streef ik naar een goede operationaliteit. Ik weet dat de minister dit eveneens nastreeft. In de wereld is België het land met de grootste « dichtheid » aan historici. Wij zijn eveneens het land met de grootste dichtheid aan amateurhistorici, stamboomjagers, genealogen en dergelijke meer. Er is een enorme positieve ingesteldheid ten opzichte van historisch onderzoek, maar door de heersende malaise wordt deze zeer waardevolle dimensie gehypothekeerd. Een aantal storende factoren komt uit de financiële hoek. De sector kampt met een manifeste onderbezetting. Bepaalde archieven zijn een aantal dagen in de week gewoon gesloten, uit noodzaak, uit personeelsgebrek. Soms wordt een fors inschrijvingsgeld gevraagd. Ik kom daar straks op terug.

Indien ons land ­ en dit woord is belangrijk ­ zich au sérieux neemt, dan kunnen wij vanuit deze vergadering aan geschiedenis doen met een toekomstgerichte dimensie.

Het beheer en de uitbouw van het Rijksarchief moeten inderdaad worden aangepast aan de organisatie van ons land.

Wij willen absoluut niet bruskeren, maar wij willen wel de toekomst voorbereiden. Wij hebben nood aan een federaal rijksarchief, maar ook aan gemeenschapsarchieven. Als die gemeenschapsarchieven kunnen worden uitgebouwd, is meteen het financieel probleem van het Rijksarchief, dat immers met een tekort aan financiële middelen kampt, gedeeltelijk opgelost. Ik stel voor dat het budget voor het Algemeen Rijksarchief behouden blijft, maar dat het Rijksarchief in de provincies overgedragen wordt aan de gemeenschappen, die dan zelf financieel instaan voor die archieven.

De oprichting van een gemeenschapsarchief is reeds in volle voorbereiding in de bevoegde commissies van het Vlaams Parlement. Men is het erover eens minister-president Van den Brande te vragen de voorstellen ter zake voor verder onderzoek aan Premier Dehaene en aan de federale minister van Wetenschapsbeleid te bezorgen. Ik weet dat de minister deze materie zeer genegen is en daarom hoop ik dat hij meehelpt die voorstellen functioneel en operationeel te maken.

Ook in Wallonië wordt een malaise vastgesteld in het archiefbeheer en ook daar moet worden ingegrepen.

Is het niet mogelijk om onder de leiding van de minister, die toch een wetenschapper en een historicus is, met alle gemeenschapssenatoren deze problematiek in alle sereniteit verder uit te diepen ? Er zou tegen 1999 naar een ideale oplossing kunnen worden gezocht. Er moeten geen bruggen worden opgeblazen. Het gaat hier slechts om een klein aspect van het federaal model dat voor verfijning vatbaar is. Het Rijksarchief kan behouden blijven, maar daarnaast kunnen ook Gemeenschapsarchieven operationeel worden. De gemeenschapssenatoren voelen zich ongetwijfeld bij deze materie betrokken want het belangt enerzijds de deelstaten aan en anderzijds is er een interactie met de federaal staat.

Met de goodwill van de minister kunnen wij hier als het ware aan « futurologische » geschiedenis doen. Dit lijkt mij een interessante uitdaging. Zij is het overwegen waard.

Ik eindig met drie concrete bedenkingen.

Door allerlei omstandigheden kan ik het archief niet meer zo vaak bezoeken. Toen ik student was en mijn doctoraat voorbereidde, was het Rijksarchief een service voor de bevolking die perfect liep. Lezers en studenten vertellen mij dat dit vandaag niet meer het geval is. Zelfs voor een eenmalig bezoek moet men een fors inschrijvingsgeld betalen. Het Rijksarchief kampt inderdaad met een tekort aan financiële middelen, maar wij kunnen ons afvragen of de bezoekers daar nu het slachtoffer van moeten zijn. Als wij het ernstig menen met het historisch onderzoek, moet naar een andere manier worden gezocht om de financiële problemen van het Rijksarchief op te lossen.

Men vertelt mij ook dat er voor het maken van fotocopies in de leeszaal bedragen worden aangerekend die tot twintig keer hoger liggen dan wat normaal aanvaardbaar is.

Zowel in Wallonië als in Vlaanderen bestaan er bepaalde centra die een extra service verlenen aan de geïnteresseerden, de heemkundigen, de genealogen. Voor een microfilm uit parochieregisters of bevolkingsregisters worden bedragen aangerekend van 3 000 frank en meer. Hier wordt het auteursrecht misbruikt. Het gaat toch om publieke akten. Als men dergelijke bedragen vraagt zou de liefde vanwege de historici voor ons land zowel in Vlaanderen als in Wallonië wel eens fel kunnen verminderen.

Ik hoop dat de minister deze drie concrete bedenkingen in overweging zal nemen en dat hij samen met ons wil zoeken naar een oplossing voor de malaise die thans heerst in het Rijksarchief. Op die manier zullen wij wellicht in staat zijn geschiedenis en futurologie met elkaar te combineren.

De Voorzitter . ­ Het woord is aan minister Ylieff.

De heer Ylieff , minister van Wetenschapsbeleid. ­ Mijnheer de Voorzitter, alvorens te antwoorden op de drie vragen van de heer Vandenbroeke, wil ik ingaan op het institutionele aspect, waarop het eerste deel van de vraag om uitleg betrekking heeft.

Het probleem van de bevoegdheidsverdeling inzake de Rijksarchieven heeft naar aanleiding van de bespreking van het wetsvoorstel van de heer Hancké betreffende het archiefwezen, het voorwerp uitgemaakt van een advies van de Raad van State van 19 oktober 1992. Luidens dit advies werd de bevoegdheid inzake de archieven niet integraal overgedragen naar de gemeenschappen, maar gaat het hier om een gedeelde bevoegdheid. De Raad van State besliste ook dat een gewone wet de gemeenschappen en gewesten niet het recht kan ontnemen om in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden eigen archieven te beheren.

Ik voeg hieraan toe dat de staatshervorming van 1993 de grondslag van deze analyse niet heeft gewijzigd. Het domein van het archiefbeheer werd niet aangesneden. De enige wijziging die door de bijzondere wet werd aangebracht, beperkte zich tot de bevestiging van het federale karakter van de vroegere nationale wetenschappelijke instellingen, waaronder het Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de provincies.

J'en viens à votre suggestion, monsieur Vandenbroeke.

J'ai effectivement l'intention de soumettre au Gouvernement un avant-projet de loi qui modifie la loi régissant l'organisation et le fonctionnement des Archives. Vous suggérez d'associer à ce travail de préparation les sénateurs de Communautés. Je n'ai aucune objection à formuler à cet égard. Au contraire, il s'agit là d'un travail de réflexion, difficile, car les enjeux sont importants, et il ne convient pas d'improviser en la matière. Je suis donc tout disposé, si tel est le voeu de la commission du Sénat, à associer à notre démarche les sénateurs de Communautés. Voici plus d'un an que je suis responsable, en ma qualité de ministre fédéral, du problème des Archives.

Je m'en suis déjà largement préoccupé pour les raisons que vous avez évoquées, monsieur Vandenbroeke, car sur ce point, nous nous comprenons et nous savons combien il est important pour notre pays de conserver la mémoire de ce qui a été fait. Je suis donc très attentif à tout ce qui concerne le patrimoine culturel et scientifique du pays, de ses Communautés et de ses Régions. Ma volonté est d'avancer dans ce domaine, malgré les difficultés qui se posent. En effet, par le passé, de nombreuses propositions ont été formulées sur ce sujet mais, jusqu'à présent, aucune n'a pu aboutir. Je vous remercie de votre suggestion ou plutôt de votre offre de collaboration.

J'en arrive aux trois questions précises que vous m'avez posées.

Het is in de eerste plaats niet toelaatbaar dat de werking van een openbare dienst zoals het Rijksarchief gebaseerd is op de inning van bijdragen of toegangsprijzen. Deze kunnen slechts worden beschouwd als een aanvulling op de toelagen van de staat. Het is wel beter aan het publiek een toegangsprijs of een bezoekrecht te vragen. In dit principe wordt trouwens door de wet voorzien vermits artikel 128 van de programmawet houdende diverse begrotingsmaatregelen ­ Belgisch Staatsblad van 31 december 1992 ­ bepaalt dat « het bezoek van de wetenschappelijke instellingen door het publiek kan onderworpen worden aan een bijdrage waarvan het bedrag in verhouding staat tot de verleende diensten ».

La question essentielle consiste à savoir si, dans le cas des Archives, la redevance est en rapport avec le service effectivement rendu. Selon les chiffres, datant de juin 1996, qui m'ont été fournis par l'administration centrale du département de la Politique scientifique, les prévisions de rentrées pour cette année font état pour les Archives, d'un montant total de recettes propres de moins de 9 millions de francs, soit 8,9 millions exactement, dont 2,9 millions proviennent des droits de fréquentation et des ventes de publications. Ces chiffres doivent être comparés avec la dotation de fonctionnement, destinée aux Archives elles-mêmes, qui s'élève à 122,2 millions dans le budget de l'année 1996 de la Politique scientifique. À cette somme, il convient d'ajouter les crédits d'investissements et ceux destinés à la rémunération du personnel. On peut en conclure que les recettes ­ que l'on appellera alternatives ­ ne représentent qu'un pour cent des ressources des Archives. Même si les montants cités devaient être triplés ou quadruplés, il serait excessif d'affirmer que les Archives dépendent de manière anormale ou exagérée de la perception de droits de fréquentation. En effet, à mes yeux, le problème ne se situe pas à ce niveau.

De tweede vraag van de heer Vandenbroeke is zeer relevant. Kan het Rijksarchief een consultatierecht of een overdreven hoog tarief eisen, om terug te komen op de tekst van de wet, dat niet in verhouding staat tot de geleverde dienst ? Het antwoord is vanzelfsprekend negatief. Ik veronderstel dat de heer Vandenbroeke meer bepaald doelt op de prijs van 3 000 frank die moet worden betaald voor het bekomen van een microfilm die een kopie bevat van de bevolkingsregisters. De algemene rijksarchivaris heeft mij te kennen gegeven dat deze maatregel werd genomen omdat bepaalde verenigingen hun eigen archiefdienst oprichten, waardoor het aantal bezoeken aan de zalen afnam. De ambtenaren van de federale diensten die zetelen in de beheerscommissie bevoegd voor het Rijksarchief hebben mijn kabinet op de hoogte gebracht van de problemen die deze beslissing heeft teweeggebracht en van de reacties van de genealogen. Het aangerekende bedrag stemt op het eerste gezicht niet overeen met de geleverde dienst. Ik heb mijn ambtenaren dus opgedragen om dit punt op de agenda van de volgende vergadering van de beheerscommissie te plaatsen, teneinde te achterhalen op welke basis dit bedrag werd bepaald en waarmee het overeenstemt.

Zoals blijkt uit zijn derde vraag is de heer Vandenbroeke verbijsterd over de juridische mogelijkheid om een copyright of auteursrecht op te leggen voor documenten, zoals uittreksels uit de bevolkingsregisters. Ik begrijp die verbijstering volkomen. Teneinde dit probleem op te helderen, hebben mijn diensten mij laten weten dat ze op eigen initiatief een ambtenaar hebben belast met een grondige studie daaromtrent.

Zoals de algemene rijksarchivaris mij liet weten, is dit probleem vergelijkbaar met dat van de copyright voor foto's van kunstvoorwerpen tentoongesteld in onze musea of voor foto's van werken bewaard in onze bibliotheken.

Deze vraag lijkt me evenwel bijkomstig in zover een oplossing wordt gevonden voor het probleem van de bijdrage die moet overeenstemmen met het in de wet vastgelegde principe. Zoals ik daarnet heb gezegd, hebben mijn vertegenwoordigers in de beheerscommissie voor de archieven de opdracht gekregen om al die problemen opnieuw te onderzoeken.

Ik deel de bezorgdheid van de heer Vandenbroeke volkomen en zal dan ook de gepaste initiatieven nemen.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Vandenbroeke.

De heer Vandenbroeke (VU). ­ Mijnheer de Voorzitter, allereerst dank ik de minister heel hartelijk voor zijn antwoord en ook voor de moeite die hij zich getroost heeft om te laten uitzoeken waar het misloopt en om oplossingen te zoeken. Het verheugt mij dat de minister, zoals het een goed historicus past, bekommerd is om het bewaren van de gegevens van het verleden, maar tegelijkertijd toekomstgericht denkt. Ik ben hem heel dankbaar dat hij de operationaliteit van een instituut dat ons heel dierbaar is wil verbeteren.

Ik zal dit dossier namens mijn partij vanuit een constructieve ingesteldheid van heel nabij blijven volgen.

M. le Président. ­ Mesdames, messieurs, pour terminer, je voudrais émettre une réflexion relative à l'organisation des initiatives en cette matière.

Le fait de suggérer que les sénateurs de Communauté soient particulièrement associés à ce type d'action revient à leur attribuer des charges supplémentaires alors qu'ils doivent déjà mener trois « existences » parallèles pour faire face à leurs obligations de conseillers régionaux, conseillers communautaires et sénateurs.

C'est la raison pour laquelle je plaiderai, pour autant que le projet du ministre s'y prête constitutionnellement, pour que ce soit l'ensemble du Sénat qui soit associé et non exclusivement les sénateurs de Communauté. D'ailleurs, les sénateurs cooptés sont indirectement une émanation des Communautés puisqu'ils ont été cooptés aussi par les sénateurs communautaires. Quant aux élus directs, ils ont forcément été élus dans deux grandes circonscriptions. Par conséquent, ils reflètent aussi la sensibilité des Régions, comme des Communautés et ne sont pas étrangers à ce type de problème.

J'en viens à une deuxième réflexion. Si le coût actuel des photocopies paraît lourd, qu'en sera-t-il lorsque les arrêtés d'exécution de la loi Lallemand entreront en vigueur ? Les perceptions toucheront les équipements et la production des photocopies, ce qui alourdira encore le problème.

À chaque jour suffit sa peine, monsieur le ministre, mais vous devrez aussi faire face à cette problématique.

Il semble que Mme Creyf ait introduit à la Chambre une proposition visant le même objet. Je présume qu'elle sera jointe à votre projet, monsieur le ministre, pour autant que la chronologie le permette.

Je remercie l'intervenant et le ministre.

Het incident is gesloten.

L'incident est clos.

Mesdames, messieurs, l'ordre du jour de la réunion publique de la commission des Finances et des Affaires économiques est ainsi épuisé.

De agenda van de openbare vergadering van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden is afgewerkt.

La séance est levée.

De vergadering is gesloten.

(La séance est levée à 11 h 05 m.)

(De vergadering wordt gesloten om 11 h 05 m.)