1-1 | 1-1 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales des réunions publiques de commission |
Handelingen van de openbare commissievergaderingen |
COMMISSION DES FINANCES ET DES AFFAIRES ÉCONOMIQUES |
COMMISSIE VOOR DE FINANCIEN EN DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN |
SÉANCE DU MERCREDI 11 OCTOBRE 1995 |
VERGADERING VAN WOENSDAG 11 OKTOBER 1995 |
De Voorzitter. Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Vandenbroeke aan de minister van Wetenschapsbeleid over « de toestand van het Rijksarchief ».
Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de Voorzitter, aansluitend bij uw woorden, voel ik mij als historicus en wetenschapper vereerd als eerste het woord te kunnen nemen op dit historisch moment van de inwerkingtreding van de commissies « nieuwe stijl ». Deze vraag om uitleg en de suggesties die ik zo dadelijk zal formuleren, betreffen een historisch dossier dat evenwel ook een verregaande actualiteitswaarde heeft. Bovendien zou voor dit dossier ook best een optie op de toekomst worden genomen.
Sinds jaren bestaat er een ernstige malaise in het Rijksarchief, één van de tien federale wetenschappelijke instellingen. Ik spreek mij niet uit over de aard van die malaise en neem aan dat de minister die intussen onderzocht heeft. De moeilijkheden houden allicht verband met persoonlijke wrijvingen, maar belangrijker nog dan dit menselijk aspect is het reilen en zeilen van deze instelling. Het Rijksarchief is beperkt in zijn mogelijkheden en heeft onvoldoende financiële maneuvreerruimte. Zo zijn er problemen inzake aankopen en decentralisatie. Wegens de beperkte maneuvreerruimte voelde de heer Persoons, algemeen rijksarchivaris, zich verplicht om over te gaan tot decentralisatie, maar volgens de archiefwet van juni 1955 kan dat niet.
We moeten deze malaise verhelpen en zelfs een stap verder willen gaan. Na de goedkeuring van het Sint-Michielsakkoord lijkt het mij maar logisch dat de archivalia, die een eigenheid zijn van Gemeenschappen en Gewesten, worden uitgesplitst, behalve voor de centrale archieven. Het beheer en de organisatie van het archiefbestand moet dus naar de Gewesten en Gemeenschappen gaan. Iedereen die met deze materie vertrouwd is, weet dat de opbouw van een archief trapsgewijze gebeurt en volgens het principe van de subsidiariteit. Archivalia komen bij wijze van spreken tot stand onder de kerktoren. Archivalia worden opgebouwd vanuit lokale gegevens. Het is de evidentie zelf dat de plaatselijke archieven ook een ruimere regionale dimensie hebben.
Ik verwijs even naar het Ancien Régime, want uiteindelijk is sindsdien enkel de naamgeving, het woordgebruik, veranderd, de criteria blijven dezelfde en dat zal in de toekomst ook zo zijn. In het Ancien Régime sprak men over het Brugse Vrije, de regio rond Brugge, de Oudburg, de regio rond Gent, over het Land van Rijen, enzovoort. Boven het lokale niveau staat dan het regionale, de kasselrijen van weleer, vandaag de arrondissementen. Doen we nog een stap verder, dan krijgen we uiteraard de provinciale materies die in de Franse en de Hollandse tijd terug te vinden zijn in de departementale archieven. Gaan we nog een stap verder dan komen we bij de Gemeenschappen en Gewesten. Ook in het Ancien Régime was dat zo, want men sprak toen over de Staten van Vlaanderen of over de Raad van Vlaanderen wanneer het om juridische aangelegenheden ging die Vlaanderen betroffen. We hadden ook de Staten van Brabant, de Staten van Henegouwen en ga zo maar door. Het subsidiariteitsgegeven impliceert dus altijd een systematische opbouw en bewijst per definitie dat de archivalia, geschreven of niet-geschreven artefacten, toebehoren aan de Gewesten en Gemeenschappen.
Er is altijd één grote uitzondering geweest, vandaag net zo goed als in het verleden, namelijk de centrale instellingen. Zonder pedant te willen zijn, verwijs ik nog eens naar de geschiedenis. In het Ancien Régime hadden we onder meer de Conseil des Finances of de Financieraad als centrale instelling. We hadden ook de Conseil privé, de Privé-raad. Verder was er de Kanselarij. Vandaag hebben we uiteraard de federale ministeries, maar ook de communautaire ministeries.
In het verlengde van het Sint-Michielsakkoord lijkt het mij een logische stap over te gaan tot een splitsing in de organisatie en het beheer van de archieven. Ik stel voor om voor de centrale instellingen ook in de toekomst te blijven werken met een algemeen Rijksarchief onder toezicht van de rijksarchivaris. Daarnaast zouden we voor alle andere materies moeten komen tot de oprichting van gemeenschapsarchieven onder toezicht van gemeenschapsarchivarissen.
Sommigen denken nu misschien : dat hebben we al eens meegemaakt met de ontdubbeling van de KUL, waarbij men meer bepaald voor de bibliotheek een vrij idiote oplossing heeft gekozen. Als wetenschapper geef ik grif toe dat de verdeling op basis van pare en onpare nummers niet erg geslaagd was en u zult mij dat dan ook niet horen aanraden. Ik zie echter wel in dat er één betwiste zone bestaat, namelijk de provincie Brabant. Ik denk echter dat we dit wetenschappelijk, eerlijk en sereen op een correcte manier kunnen oplossen door er van uit te gaan dat het hier gaat om een archief dat tot 31 december 1994 historisch is gegroeid en samenhoort. Laten we deze archivalia dan ook samenhouden. Met de splitsing van de provincie Brabant lijkt het mij echter ook logisch het archief met ingang van 1 januari 1995 te ontdubbelen tot een archief voor Vlaams- en een voor Waals-Brabant.
Mijnheer de minister, ik wil hier meteen aan toevoegen, maar dat zal u wel bekend zijn, dat er in België een zeer grote interesse voor geschiedenis bestaat. Wij zijn ook met recht en reden fier op ons historisch bestand. Ook de universiteiten en hogescholen kennen een vrij aanzienlijke toeloop van jonge mensen die zich voor geschiedenis interesseren en zich erin willen specialiseren. Aan de Vlaamse universiteiten studeren per jaar 300 tot 400 licentiaten in de geschiedenis af. Het spijt mij dat ik alleen de cijfers voor Vlaanderen kan geven, omdat ik deze van Wallonië niet ken, maar die gaan wel in dezelfde richting. Van deze afgestudeerden gaat 10 tot 20 pct. nog een opleiding derde cyclus volgen, hetzij om een doctoraat voor te bereiden, hetzij om het diploma van archivaris te behalen. In Vlaanderen bestaat er sinds enkele jaren een interuniversitaire opleiding en dat is vrij uniek met cursussen die worden gegeven vanuit de VUB, de KUL en de Universiteit van Gent.
Het is een zeer degelijke opleiding, maar wat doen wij met deze goedgeschoolde archivarissen ? Zolang het beheer en de organisatie van de archieven federaal geregeld zijn, worden we, zoals ik reeds in mijn inleiding heb gezegd, geconfronteerd met zeer beperkte financiële en materiële middelen, vooral sinds 1965. Als die nieuwe federale logica wordt doorgetrokken voor onze archivalia, dan kunnen de Gemeenschappen zelf beslissen over de organisatie en het beheer alsmede over de middelen die ze uit de wetenschapskredieten daarvoor willen gebruiken.
Zoals u weet vermelden de regeerakkoorden van Vlaanderen en Wallonië, weliswaar vaag omschreven, een aantal aanzetten inzake de besteding van de wetenschapskredieten. Mijn voorstel biedt de mogelijkheid om deze aanzetten te concretiseren. Als Vlaanderen en Wallonië van hun autonomie op dit gebied gebruik willen maken en zich zouden aligneren op bijvoorbeeld Nederland en Duitsland dan zou dit een vertienvoudiging van de omkadering tot gevolg kunnen hebben. Zowel in Vlaanderen als in Wallonië kunnen dan circa honderd jobs worden gecreëerd, een lage schatting overigens, want ik hou niet van blufpoker. Honderd waardevolle jobs voor achiefbeheer, organisatie, inventarisatie, dienstverlening aan het publiek, waarvan twee derde van academisch niveau en een derde van organisatorische en administratieve aard, is niet niks.
Uitgaande van de bestaande malaise die onder meer het gevolg is van persoonlijke wrijvingen en rekening houdend met de dringende behoefte het algemeen Rijksarchief om praktische redenen te decentraliseren en wetende dat uit het Sint-Michielsakkoord logisch voortvloeit dat het beheer van de archivalia thuishoort waar ze tot stand komen, vraag ik de minister volgend voorstel in overweging te willen nemen : behoud van de centrale dienst voor de centrale archivalia, met een overgangsregeling voor de provincie Brabant, en autonomie voor Vlaanderen en Wallonië om zelf over de organisatie en het beheer van hun archivalia te beslissen, wetende dat zij daarvoor financiële ruimte hebben.
Zoals al gezegd is dit een zinvol project dat waardevolle jobs creëert en ik hoop dan ook dat de minister het in overweging zal nemen.
De Voorzitter. Ik stel vast dat de heer Vandenbroeke in zijn vraagstelling veel verder is gegaan dan de vier precieze vragen die hij aan de minister had voorgelegd. Ik veronderstel dat de minister zich in zijn antwoord tot die vier vragen zal beperken.
La parole est à M. Ylieff, ministre.
M. Ylieff, ministre de la Politique scientifique. Monsieur le Président, comme vous-même et le sénateur Vandenbroeke, je me réjouis de pouvoir participer à cette grande première que constitue aujourd'hui cette demande d'explications dans le cadre d'une réunion publique de commission de la Haute Assemblée. Je suis d'autant plus heureux qu'il s'agit d'une question qui relève des compétences du ministre de la Politique scientifique et qui, de surcroît, m'intéresse particulièrement, comme historien de formation. Il est vrai que les Archives générales du royaume, en tant que telles, doivent requérir l'attention toute particulière non seulement du Gouvernement, mais aussi du législateur.
Het staat buiten kijf dat de atmosfeer bij het Algemeen Rijksarchief gespannen is. Het belangrijkste is dat nagegaan wordt wat de juiste oorzaak daarvan is. De vraag is of de problemen te wijten zijn aan de moeilijke werkomstandigheden, aan relationele problemen, het persoonlijk gedrag of de beleidsstijl van de rijksarchivaris, of aan beheersfouten zoals bijvoorbeeld buitensporige uitgaven.
Quelle est donc l'origine précise du malaise réel, il faut le reconnaître qui règne en ce moment aux Archives générales du royaume ? C'est, en fait, la question précise que vous m'aviez adressée par écrit, monsieur Vandenbroeke, mais vous avez également posé le problème dans son ensemble.
Dès le 19 juillet, j'ai sollicité le secrétaire général des services fédéraux de l'administration de la Politique scientifique, technique et culturelle afin d'obtenir un rapport sur la situation aux Archives générales du royaume. Après la parution des articles de presse auxquels vous avez fait allusion, monsieur Vandenbroeke, je lui ai rappelé la nécessité de conclure. Depuis lors, j'ai reçu ledit rapport.
Les griefs relatés par la presse portaient sur le fonctionnement des Archives générales du royaume et, plus particulièrement, sur le rôle de l'archiviste général, sa politique d'achat d'ouvrages et d'oeuvres d'art, des aménagements jugés luxueux, la dispersion d'archives anciennes confiées aux communes, la dégradation du climat et du fonctionnement des Archives générales. Par ailleurs, il a également été fait allusion à un contrôle de la Cour des comptes dont le caractère était supposé exceptionnel.
Dans son rapport, le secrétaire général affirme qu'il ne semble pas que l'archiviste général ait posé des actes répréhensibles en contradiction avec la législation et les dispositions réglementaires en vigueur. Il n'est pas exact qu'il ait contrevenu à la loi en passant des conventions avec les communes en vue de leur confier des documents les concernant. Ces conventions ont reçu l'aval de la commission de gestion des archives. De plus, aucun élément ne dément l'affirmation de l'archiviste et du comptable selon laquelle le comité de gestion a marqué son approbation quant aux achats d'ouvrages et d'oeuvres d'art. Le marbre mis en oeuvre dans le bâtiment des Archives générales du royaume a été choisi et payé par la Régie des Bâtiments. Enfin, le contrôle effectué par la Cour des comptes s'inscrit dans le cadre de sa mission habituelle et ne relève pas d'une enquête spéciale.
Par contre, l'examen des griefs montre qu'il existe des difficultés relationnelles entre l'archiviste général et ses proches subordonnés. Elles sont accentuées par les problèmes de fonctionnement que rencontrent les Archives générales du royaume, lesquelles se plaignent d'une inadéquation entre le volume des affaires à traiter et les effectifs du personnel.
Cependant, jusqu'à présent, je ne crois pas que l'institution ait fait l'objet d'un traitement différencié, sur le plan budgétaire, par rapport aux neuf autres établissements scientifiques.
Néanmoins, trois éléments spécifiques peuvent hypothéquer le fonctionnement harmonieux des Archives. Tout d'abord, le volume des documents à traiter croît de manière exponentielle. Ensuite, la politique de décentralisation vers les provinces entraîne de sérieuses difficultés, les dépôts provinciaux ne disposant pas d'un personnel suffisant pour compenser les départs naturels et les congés de maladie de longue durée. Enfin, l'informatisation des Archives est trop lente, faute de crédits et de formation adéquate du personnel. La conjonction de ces trois éléments explique que les contraintes matérielles soient particulièrement mal ressenties aux Archives générales.
À mon avis, il est indispensable de renouer le dialogue interne, d'expliciter les conflits et de remobiliser les protagonistes en vue d'élaborer un projet commun.
Toutefois, les incidents émaillant le fonctionnement des Archives ne doivent en aucun cas être écartés négligemment. À ce sujet, je compte m'adresser officiellement conformément à la proposition du secrétaire général à l'archiviste général et à ses collaborateurs en leur demandant de revoir de manière concertée les priorités relatives au fonctionnement de cette institution de première importance pour notre patrimoine et notre mémoire collective.
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de Voorzitter, ik dank de minister voor zijn sereen en duidelijk antwoord. Niet alleen als politicus maar ook als wetenschapper zie ik ook wel dat hier meer in het geding is dan persoonlijke wrijvingen. Ik apprecieer eveneens dat de minister een aanzet wil geven tot decentralisatie en dat hij de taakverdeling tussen het federale en het gewestelijke niveau wil bestuderen.
In mijn vraagstelling ben ik inderdaad misschien wat te ver gegaan, maar dit gebeurde enkel te goeder trouw. Het is ook een vorm van preventief gedrag, aangezien het Vlaams Parlement aan de minister een suggestie zal doen om dit onderwerp ter harte te nemen en te komen tot een efficiënter beheer van deze waardevolle archivalia.
De Voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.
Dames en heren, de agenda van de openbare vergadering van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden is afgewerkt.
L'ordre du jour de la réunion publique de la commission des Finances et des Affaires économiques est épuisé.
De vergadering is gesloten.
La séance est levée.
(De vergadering wordt gesloten om 11 h 5 m.)
(La séance est levée à 11 h 5 m.)