1-28

1-28

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCE DU MARDI 5 MARS 1996

VERGADERING VAN DINSDAG 5 MAART 1996

(Vervolg-Suite)

WETSONTWERP HOUDENDE INSTEMMING MET HET SAMENWERKINGSAKKOORD TUSSEN DE FEDERALE STAAT, DE GEMEENSCHAPPEN EN DE GEWESTEN OVER DE NADERE REGELEN VOOR HET SLUITEN VAN GEMENGDE VERDRAGEN, ONDERTEKEND TE BRUSSEL OP 8 MAART 1994

Algemene beraadslaging en stemming over de artikelen

PROJET DE LOI PORTANT ASSENTIMENT À L'ACCORD DE COOPÉRATION ENTRE L'ÉTAT FÉDÉRAL, LES COMMUNAUTÉS ET LES RÉGIONS RELATIF AUX MODALITÉS DE CONCLUSION DES TRAITÉS MIXTES, SIGNÉ À BRUXELLES LE 8 MARS 1994

Discussion générale et vote des articles

De Voorzitter. ­ Wij vatten de bespreking aan van het wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde verdragen, ondertekend te Brussel op 8 maart 1994.

Nous abordons l'examen du projet de loi portant assentiment à l'accord de coopération entre l'État fédéral, les Communautés et les Régions relatif aux modalités de conclusion des traités mixtes, signé à Bruxelles le 8 mars 1994.

De algemene beraadslaging is geopend.

La discussion générale est ouverte.

Het woord is aan de rapporteur.

De heer Hostekint (SP), rapporteur. ­ Mijnheer de Voorzitter, het wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de nadere regelen voor het sluiten van Gemengde Verdragen, ondertekend te Brussel op 8 maart 1994, werd door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen uitvoerig besproken op de bijeenkomst van 6 februari 1996. De commissie werd door de minister van Buitenlandse Aangelegenheden uitgebreid ingelicht over het belang van dit samenwerkingsakkoord. De artikelen 167, 168 en 169 van de Grondwet, alsook de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten bevestigen twee fundamentele principes inzake het verdragsrecht. Allereerst is er het beginsel van het autonoom recht van de Gemeenschappen en de Gewesten om verdragen te sluiten over aangelegenheden die tot hun exclusieve bevoegdheid behoren. In de tweede plaats is er de noodzaak van een coherent Belgisch buitenlands beleid.

De grondwetgever heeft inzake het sluiten van verdragen in artikel 167 van de Grondwet enkel de grote lijnen vastgelegd. De nadere regelgeving inzake de exclusieve en de gemengde verdragen werd overgedragen aan de bijzondere wetgever. Voor de exclusieve verdragen werd dit geregeld in de bijzondere wet van 5 mei 1993, maar hetzelfde is niet gebeurd voor de gemengde verdragen noch voor de verdragen die niet uitsluitend betrekking hebben op domeinen die tot de exclusieve bevoegdheid van Gewesten en Gemeenschappen behoren. Deze taak werd overgedragen aan de nationale overheid, de Gemeenschappen en de Gewesten die daartoe een samenwerkingsakkoord moeten sluiten. Het ontwerp van wet dat wij vandaag bespreken moet dit mogelijk maken.

Het hoofddoel van het samenwerkingsakkoord is het uitwerken van het kader en de gepaste regelingen om de samenwerking tussen de federale, de gewestelijke en de gemeenschapsoverheden te organiseren, rekening houdend met hun respectieve bevoegdheden inzake het gezamenlijk sluiten van gemengde verdragen.

De tekst van het akkoord werd opgebouwd rond de verschillende fasen van het sluiten van een verdrag, te weten de onderhandeling, de ondertekening, de instemming, de bekrachtiging, de toetreding, de publikatie in het Belgisch Staatsblad , de eventuele registratie bij de Verenidgde Naties en tenslotte de bewaring van de originele teksten en de slotbepaling.

De informatiefase is een essentieel onderdeel van de samenwerking, omdat zowel de federale overheid als de gewestelijke en gemeenschapsoverheden elkaar op de hoogte moeten brengen van hun intentie om onderhandelingen aan te vatten of om zich bij onderhandelingen aan te sluiten. Dit is essentieel om een samenhangend buitenlands beleid mogelijk te maken.

Heel wat commissieleden hadden specifieke vragen rond de toepassing en de juiste interpretatie van het samenwerkingsakkoord. Uiteindelijk werden de artikelen 1 en 2 en het wetsontwerp in zijn geheel, met eenparigheid van de 11 aanwezige leden van de commissie aangenomen.

M. le Président. ­ La parole est à Mme Willame.

Mme Willame-Boonen (PSC). ­ Monsieur le Président, la discussion d'aujourd'hui, qui porte sur les modalités des conclusions des traités mixtes, est une matière régie par les dispositions de l'article 167, paragraphes 2 et 3, de la Constitution : c'est au législateur qu'il revient de définir, par une loi spéciale, les modalités de conclusion de traités, et non au pouvoir exécutif, au moyen d'un accord de coopération. L'origine de l'accord de coopération se trouve dans la loi spéciale du 5 mai 1993. Ainsi, le législateur est appelé à donner son assentiment à cet accord de coopération dont le texte a été rédigé en concertation étroite avec les Gouvernements fédéral, communautaires et régionaux. Texte peu simple, pour lequel, je le présume, la concertation s'est faite de manière extrêmement complexe, vu la double réalité de l'autonomie des Communautés et Régions, la nécessaire cohérence d'une politique étrangère commune et le fait qu'il s'agit non de grands principes précisés dans la loi, mais de règles précises de fonctionnement.

Il est certain que cet accord fait partie des accords de coopération obligatoires en vertu des dispositions légales et constitutionnelles. Il est nécessaire au bon fonctionnement des institutions en matière de relations extérieures et, en l'occurrence, de la conclusion des traités mixtes.

Je souhaite néanmoins attirer votre attention sur le fait que cet accord de coopération aura des effets rétroactifs. La phase d'information est donc primordiale. L'État a le devoir d'informer, d'une manière large, les Communautés et Régions sur tous les aspects de la politique étrangère de l'autorité fédérale. Le Sénat a aussi un rôle important à jouer à ce niveau.

Le groupe PSC est bien conscient qu'un refus éventuel de l'une des assemblées parlementaires de ratifier l'accord engendrerait un chaos juridique important, surtout au niveau du droit des traités, mais formule néanmoins certains souhaits afin d'améliorer les procédures et les méthodes d'élaboration et de conclusion de traités mixtes.

Nous espérons en effet que la formule de la Conférence interministérielle de la Politique étrangère restera souple et qu'elle permettra à chaque partie de voir ses intérêts bien représentés. Nous souhaitons également qu'elle ne nuise pas à l'efficacité de la conduite des relations internationales et qu'elle soit le lieu de négociations où la loyauté entre les institutions fédérales et fédérées l'emporte, et ce dans le but d'éviter des blocages néfastes à chacun.

Tout en attendant l'adoption du projet par une série d'entités fédérées, dont la Communauté française ­ le Conseil de la Région de Bruxelles-Capitale auquel j'appartiens s'est déjà prononcé ­, le groupe PSC votera en faveur du projet soumis à notre assentiment.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Ceder.

De heer Ceder (Vl. Bl.). ­ Mijnheer de Voorzitter, « Brussel is geen derde Gewest geworden » wisten de Vlaamse onderhandelaars ons toendertijd te melden. Brussel zou geen derde Gewest worden, maar zou een speciale hoofdstedelijke status krijgen. Wij hadden het anders begrepen en wij hadden gelijk. Het wordt vandaag weer bevestigd : Brussel is het derde Gewest.

In artikel 5 van het akkoord staat : « De vertegenwoordigers van de diverse betrokken overheden onderhandelen op voet van gelijkheid. » Zover is het gekomen. Het derde Gewest Brussel kan nu als volwaardige partner deelnemen aan het sluiten van gemengde verdragen. Dit is onaanvaardbaar voor ons en voor iedereen die het goed meent met de Vlaamse aanspraken op Brussel en een eerste reden om tegen te stemmen.

Een en ander zal natuurlijk geen verbazing wekken. Dit ontwerp vloeit voort uit een voor Vlaanderen nefaste staatshervorming die wij steeds hebben bestreden. Dat is dus een tweede reden om tegen te stemmen.

Het Vlaamse politieke establishment houdt graag de illusie in leven dat Vlaanderen en België op hetzelfde niveau leven. Artikel 3 van dit ontwerp bewijst dat er wel degelijk een hiërarchische rangorde ten voordele van België blijft bestaan. Voor ons een derde en laatste reden om tegen te stemmen. (Applaus.)

De Voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de Voorzitter, het wetsontwerp vloeit inderdaad voort uit het Sint-Michielsakkoord dat een belangrijke bijdrage heeft geleverd tot de staatshervorming. De Gewesten en Gemeenschappen kregen binnen de exclusieve bevoegdheden ook de bevoegdheid om internationale verdragen te sluiten en binnen de gemengde bevoegdheden moest er een verplicht samenwerkingsakkoord tot stand komen tussen de verschillende instellingen, die op voet van gelijkheid een akkoord dienden te bereiken. Bij gebrek aan een dergelijk akkoord zou er ook geen standpunt kunnen worden ingenomen.

Dit is echter slechts de aanzet tot een onmiskenbare en niet af te remmen evolutie. Het huidige Belgische immobilisme op sociaal en economisch vlak en op tal van andere domeinen zal ongetwijfeld nog verdere fasen in de staatshervorming noodzakelijk maken. Wij kunnen het ons niet meer veroorloven dat België synoniem blijft van immobilisme en van een onvoorstelbaar conservatisme, wat de welvaart en het welzijn van de gewone Vlaming en Waal steeds meer op de helling zet. Ook de inspraak van Vlaanderen en Wallonië op het internationale vlak zal verder moeten worden geregeld. Dit ontwerp luidt dan ook maar een tussenfase in.

Het is vanzelfsprekend dat het Belgisch niveau in de toekomst aan belang zal verliezen en dat Vlaanderen en Wallonië samen zullen bepalen welke materies zij samen nog wensen te regelen. Zij zullen, elk voor zich, een volledige bevoegdheid moeten krijgen om op internationaal vlak op te treden. Ik ben het er enigszins mee eens dat het Brussels Gewest niet op gelijke voet mag komen met Vlaanderen en Wallonië. Dat is momenteel inderdaad nog niet het geval want op het ogenblik wordt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zowel door een Vlaming als door een Franstalige vertegenwoordigd. Bijgevolg kan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet worden beschouwd als een vijand, die samen met Wallonië optreedt tegen Vlaanderen. De Vlamingen moeten Brussel veeleer beschouwen als een onmisbaar instrument om de Vlaamse ontvoogding en autonomie tot stand te doen komen. Brussel moet daarom op een positieve manier worden bekeken en worden beschouwd als een exponent tot samenwerking tussen de twee Gemeenschappen van dit land.

Deze overeenkomst is een stap in de goede richting. Zij zal op termijn echter niet voldoende verregaand blijken te zijn. In de toekomst moet de rechtstreekse inspraak van de twee Gemeenschappen meer gewicht krijgen.

De Voorzitter. ­ Het woord is aan minister Derycke.

De heer Derycke, minister van Buitenlandse Zaken. ­ Mijnheer de Voorzitter, ik dank de rapporteur voor zijn uitstekend verslag. Ik dank tevens alle leden die zich in de commissie en in de plenaire vergadering met dit belangrijke ontwerp hebben ingelaten voor hun inzet en hun evolutief begrip ten opzichte van een voor België niet onbelangrijk probleem in het licht van de derde fase van de staatshervorming.

Ik ben relatief tevreden met deze oplossing, hoewel zij zeker niet volmaakt is. Men moet echter toegeven dat dit vrij zware onderhandelingsinstrument op het eerste gezicht schijnt te werken. Over het gemengd of het niet-gemengd karakter werden tot nu toe altijd bevredigende oplossingen bereikt in de commissie. In zijn nieuwe vorm is België zich dus bewust van zijn gemeenschappelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van het buitenland om de verdragen, die in de internationale rechtsorde voortdurend aan belang winnen, op een positieve manier te behandelen.

Zeggen dat België in zijn sociaal, economisch en cultureel leven steeds meer te maken zal krijgen met multilaterale gegevens en met het sluiten van verdragen, is een open deur instampen. Later zal blijken of dit samenwerkingsakkoord een eindpunt is in de evolutie. De wetgever zal hierover te gepasten tijde beslissen. Ik herhaal dat ik niet ontevreden ben over het tot stand komen van dit compromis.

Ten aanzien van de senator van het Vlaams Blok wil ik nog opmerken dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie niet beschikt over een verdragsluitende bevoegdheid. Wij hebben het echter wijs geoordeeld deze commissie te betrekken bij het onderhandelingsmandaat omdat zij eveneens te maken heeft met de gemeenschappelijke belangen van België ten opzichte van het buitenland.

De Voorzitter. ­ Daar niemand meer het woord vraagt in de algemene beraadslaging verklaar ik ze voor gesloten en bespreken wij de artikelen van het wetsontwerp.

Plus personne ne demandant la parole dans la discussion générale, je la déclare close, et nous passons à l'examen des articles du projet de loi.

Artikel één luidt :

Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77, eerste lid, 10º, van de Grondwet.

Article premier. La présente loi règle une matière visée à l'article 77, alinéa 1er , 10º, de la Constitution.

­ Aangenomen.

Adopté.

Art. 2. Het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten over de nadere regelen voor het sluiten van gemengde verdragen, ondertekend te Brussel op 8 maart 1994, zal volkomen uitwerking hebben.

Art. 2. L'accord de coopération entre l'État fédéral, les Communautés et les Régions relatif aux modalités de conclusion des traités mixtes, signé à Bruxelles le 8 mars 1994, sortira son plein et entier effet.

­ Aangenomen.

Adopté.

De Voorzitter. ­ We stemmen later over het wetsontwerp in zijn geheel.

Il sera procédé ultérieurement au vote sur l'ensemble du projet de loi.