1-24 | 1-24 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCE DU JEUDI 8 FÉVRIER 1996 |
VERGADERING VAN DONDERDAG 8 FEBRUARI 1996 |
De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Vandenbroeke aan de minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen over « de samenwerking tussen de federale Staat en de Gemeenschappen en de Gewesten inzake het landbouwbeleid ».
Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de Voorzitter, als gemeenschapssenator is het voor mij een voorrecht, of een plicht, te waken over de samenwerking tussen de Gewesten en de Gemeenschappen.
Zo verneem ik vanuit de Vlaamse Gemeenschap maar ik vermoed dat dezelfde bekommernis leeft in Wallonië dat een toekomstgericht landbouwbeleid tal van vragen doet rijzen. Een toekomstgericht landbouwbeleid vereist een gevoelige uitbreiding en een optimalisering van de interactie met het wetenschapsbeleid. Meer dan voorheen is er nood aan produkt- en procesvernieuwing, innovaties die een sterke wetenschappelijke ondersteuning vereisen. De landbouw ondervindt eveneens ernstige gevolgen van de milieunormen. Wanneer deze verschillend zijn in Vlaanderen en in Wallonië ontstaan er automatisch allerlei wrijvingen en worden er vragen gesteld.
In het licht van het landbouwgebeuren van volgende week wens ik de minister drie concrete vragen te stellen.
Deelt de minister de mening dat de toekomstkansen van de landbouw in ruime mate afhankelijk zijn van verdere produkt- en procesvernieuwingen ?
Deelt de minister de mening dat de noodzakelijke kredieten voor het daarvoor vereiste wetenschappelijk onderzoek op een coherente manier van federale overheid naar de Gewesten en de Gemeenschappen moeten worden overgeheveld teneinde een optimale inzet en benutting te garanderen ?
Deelt de minister de mening dat de federale organisatie van het landbouwbeleid gehypothekeerd wordt bij een ongelijke inschatting van de milieunormen ?
De Voorzitter. Het woord is aan minister Pinxten.
De heer Pinxten, minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen. Mijnheer de Voorzitter, de vraag van de heer Vandenbroeke biedt mij de kans om te bevestigen dat de samenwerking tussen de federale overheid en de Gewesten en de Gemeenschappen op landbouwvlak reëel is en goed functioneert. Sinds de regionalisering van 1988 bestaat er een overlegprocedure en is er de mogelijkheid tot het houden van interministeriële conferenties, die in het verleden trouwens geregeld samenkwamen. De werkgroep op het niveau van de medewerkers van deze interministeriële conferentie komt elke maandag bijeen om te zorgen voor zowel de voorbereiding als de uitwerking van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek.
Wekelijks bespreekt men zo de verschillende problemen die vallen onder de bevoegdheid van de federale en van de regionale overheden.
Op de concrete vragen van de heer Vandenbroeke kan ik het volgende antwoorden. Ik meen dat de eerste en ook de belangrijkste opdracht van de landbouwer erin bestaat te zorgen voor voldoende voedsel dit lijkt vandaag evident, maar volgens de rapporten van de FAO zal dat op langere termijn veel minder evident zijn en voor voedsel van een goede kwaliteit voor de mens. Aan die opdracht is nog een andere gekoppeld. De landbouwers moeten immers ook zorgen voor grondstoffen bestemd voor de non-foodsector. Ook het belang daarvan mag niet worden onderschat omdat op die manier het inkomen van de landbouwers mee kan worden verzekerd. Vandaar ook dat elk economisch geloofwaardig initiatief moet worden aangemoedigd.
Wat de bevoegdheidsverdeling betreft, is iedereen het er wellicht over eens dat er slechts één hoofdregel geldt, namelijk dat het wetenschappelijk onderzoek de bevoegdheid in kwestie volgt. Ik haal enkele voorbeelden aan om dit te illustreren. Het sanitaire beleid, zowel voor de plantaardige als voor de dierlijke sector, dat een federale bevoegdheid is, moeten blijven steunen op een doeltreffend federaal sanitair onderzoek. De steun aan en de aanmoediging van een duurzame landbouw moeten kunnen steunen op de resultaten van een performant federaal landbouwkundig onderzoek.
Bepaalde onderzoeksthema's kunnen verschillende overheidsniveaus aanbelangen, afhankelijk van de bevoegdheden. Zo is de federale minister van Landbouw vanuit economisch oogpunt geïnteresseerd in het effectief onderzoek op het gebied van de bemesting. Ik denk hierbij onder meer aan het verminderen van de produktiekosten, het verhogen van de rentabiliteit van de sector en het verzekeren van de kwaliteit van de produkten bestemd voor de voeding.
Als gemeenschapssenator weet de heer Vandenbroeke dat de regionale minister bevoegd voor Leefmilieu eveneens betrokken is bij deze materie wegens zijn verantwoordelijkheid voor de verbetering van de kwaliteit van het water, de bodem en de lucht.
Mijn diensten bereiden op het ogenblik een samenwerkingsakkoord voor ten einde een optimale samenwerking op dit vlak te verzekeren. Wij zijn ons bewust van het belang van deze zaak. De contacten die wij in de loop van de voorbije maanden hebben gehad, wijzen erop dat ook de Gewesten hiervoor belangstelling hebben. Ik vermoed overigens dat de vraag van de heer Vandenbroeke hierdoor is geïnspireerd.
De heer Swaelen treedt opnieuw als voorzitter op
Coördinatie van de beschikbare middelen voor onderzoek is in het belang van iedereen die begaan is met de landbouwsector in de brede betekenis van het woord.
De Voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.