1-13 | 1-13 |
Sénat de Belgique |
Belgische Senaat |
Annales parlementaires |
Parlementaire handelingen |
SÉANCES DU JEUDI 30 NOVEMBRE 1995 |
VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 30 NOVEMBER 1995 |
De Voorzitter. Aan de orde is mondelinge vraag van de heer Vandenbroeke aan de Eerste minister over « de federalisering van het wetenschapsbeleid ».
Het woord is aan de heer Vandenbroeke.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de Voorzitter, ik heb begrepen dat men in de Senaat niet voor de vuist iets mag debiteren, hoewel dit pedagogisch wordt aangeraden, en dat ik bijgevolg mijn vraag moet voorlezen.
Mijnheer de Eerste minister, conform het Sint-Michielsakkoord is het de evidentie zelf dat het aan de gang zijnde proces van federalisering regelmatig zou worden geëvalueerd, verfijnd en waar nodig uitgediept. Sommige bevoegdheden zijn immers dermate verdeeld over de deelstaten en de federale overheid dat een efficiënte werking wordt verhinderd. Als vanzelf worden dan ook regelmatig suggesties gedaan voor een meer homogene afbakening van de bevoegdheden.
Zeer onlangs nog werd een dergelijk voorstel gelanceerd door de Vlaamse minister-president Luc Van den Brande, die tevens bevoegd is voor het wetenschapsbeleid in Vlaanderen. Met verbazing vernemen wij nu via de pers dat het niet mogelijk zou zijn de regionalisering van het wetenschapsbeleid te evaluereen.
Vandaar onze concrete vraag : wanneer zo'n eenvoudige discussie blijkbaar niet kan, waarvoor dient dan de aangekondigde Commissie tot evaluatie van de instellingen ? Het was toch een opdracht voor de Senaat om het proces van de federalisering verder uit te diepen en te verfijnen. Blijkbaar kan ook dat niet.
De Voorzitter. Het woord is aan de Eerste minister.
De heer Dehaene, Eerste minister. Mijnheer de Voorzitter, ik dacht dat ik over deze problematiek reeds vorige week duidelijkheid geschapen had met mijn antwoord op twee gelijkaardige vragen. Blijkbaar zal ik er niet van af zijn vooraleer elke partij dezelfde vraag heeft gesteld.
Ik herhaal dus dat in het regeerakkoord is opgenomen dat er in de Senaat een commissie wordt opgericht om de staatshervorming, meer bepaald de coherentie van de bevoegdheidsverdeling, te evalueren. De commissie moet deze zaak op de voet volgen en, wanneer wij eventueel correcties kunnen aanbrengen, klaar staan met een evaluatie. Ik houd mij op dit punt aan het regeerakkoord. Die commissie kan uiteraard zaken zoals wetenschapsbeleid wel evalueren.
De Voorzitter. Mijnheer Vandenbroeke, ik zal u nu een antwoord geven op uw pedagogische opmerkingen van daarnet. De leden worden verzocht hun vraag schriftelijk te stellen en zich daaraan te houden opdat de betrokken minister precies wete waarover het gaat. De vraagsteller mag zich dus niet in allerlei bijkomende vragen en beschouwingen verdiepen. Wij pakken de zaak evenwel toch pedagogisch aan, want nu hebt u vijf minuten om de Premier te weerleggen. U moet zich daarbij niet houden aan een tekst. U kunt nu uw mening zeggen over het antwoord van de Eerste minister en de Eerste minister kan daarop ingaan.
De heer Dehaene, Eerste minister. Mijnheer de Voorzitter, u kunt er misschien aan toevoegen dat de vragensteller niet verplicht is die vijf minuten te gebruiken. (Gelach.)
De Voorzitter. Het woord is aan de heer Vandenbroeke voor een repliek.
De heer Vandenbroeke (VU). Mijnheer de Voorzitter, ik verontschuldig mij omdat ik de geplogenheden van dit huis nog niet zo goed ken. Mijn fractievoorzitter had mij gezegd hoe ik deze zaak moest aanpakken. Ik ben hem daar dankbaar voor. In een vorig pedagogisch project was ik het anders gewend. Ik wil mij echter aanpassen. Ik heb wel wat last met het lezen van een tekst, maar dat zal wel met de leeftijd te maken hebben. Ik heb toch mijns inziens geen misbruik gemaakt, want ik heb mij vrij goed aan de tekst gehouden.
De staatshervorming is inderdaad een proces in wording. Dit federaliseringsproces moet dag na dag worden geëvalueerd, verfijnd en verdiept. Indien wij « realpolitici » willen zijn, dan moeten wij ook bereid zijn toe te geven op welke terreinen de staatshervorming minder efficiënt verloopt en waar kan worden bijgestuurd. Indien wij ons willen voorbereiden op de 21e eeuw, dan moeten wij zorgen voor een zeer efficiënte manier van optreden. Als gemeenschapssenator weet ik dat er in de Senaat een commissie is die zich permanent bezighoudt met het geven van aanzetten tot evaluatie en bijsturingen. Die commissie moet dan ook op alle vlakken kunnen optreden, ook op het vlak van het wetenschapsbeleid.
In het Vlaams Parlement heeft de minister-president, tevens bevoegd voor Wetenschapsbeleid, enkele dagen geleden gezegd dat hij in de deelstaat Vlaanderen tot homogenere bevoegdheden inzake wetenschapsbeleid wil komen, teneinde efficiënter te kunnen werken. Enkele uren nadat hij deze idee heeft gelanceerd, lezen we echter al in de pers dat de federale overheid vindt dat dit « totaal onbespreekbaar is ».
Wanneer ik zoiets hoor, vraag ik mij echt af of het oprichten van zo'n evaluatiecommissie in de Senaat blufpoker is. Of meent men het echt serieus met die commissie ?
De Voorzitter. Het woord is aan de Eerste minister.
De heer Dehaene, Eerste minister. Zoals bepaald in het regeerakkoord, zijn alle onderwerpen inzake bevoegdheidsverdeling bespreekbaar in de commissie. Er zijn geen limieten voor de evaluatie ervan.
De Voorzitter. Het incident is gesloten.
L'incident est clos.