1-660/2

1-660/2

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997

18 JUNI 1997


Wetsontwerp tot bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER COENE

Art. 6

Het 2º van dit artikel aanvullen als volgt :

1º « , met dien verstande dat in dit koninklijk besluit artikel 3, § 2, tweede lid, wordt opgeheven. »

Verantwoording

In het werknemerspensioen werd de 5 %-verminderingscoëfficiënt ingevoerd bij de invoering van de flexibele pensioenleeftijd. Aangezien men hier probeert de flexibele pensioenleeftijd in te voeren en hieraan al een bijzonder zware voorwaarde, met name een loopbaanvereiste van 35 jaar is verbonden, is het wenselijk deze 5 %-verminderingscoëfficiënt af te schaffen.

2º in artikel 6, § 2, eerste lid, van dit koninklijk besluit worden de punten 3 en 4 opgeheven.

Verantwoording

Deze coëfficiënten hebben als enig doel het proportioneel pensioen in te krimpen. Bovendien staat hier tegenover geen enkele maatregel in die zin dat het aanvullend pensioensparen wordt bevorderd.

3º artikel 10 van dit koninklijk besluit wordt opgeheven.

Verantwoording

Artikel 10 machtigt de Koning om de coëfficiënt aan te passen. De Raad van State merkte op : « Opdat die delegatie geoorloofd zou zijn, zouden de criteria bepaald moeten worden op grond waarvan de Koning die coëfficiënten kan aanpassen.

Zoals het Beheerscomité opmerkt in zijn advies, wijst zulks bovendien nogmaals op het belang van de explicitering van de wijze waarop de coëfficiënten zelf berekend werden. »

De explicitering van de berekening kwam er, maar de criteria op grond waarvan de aanpassingen kunnen worden beperkt tot de verwijzing naar de evolutie van de uitgaven voor de pensioenuitkeringen. Dit criterium kan naar mijn gevoel onmogelijk worden aanvaard als voldoende.

4º artikel 13 van dit koninklijk besluit wordt opgeheven.

Verantwoording

Artikel 10 voorziet in een machtiging aan de Koning om een stelsel van halftijds pensioen in te voeren.

De Raad van State merkt op : « Die opdracht is in te ruime bewoordingen geformuleerd. Het ontwerp geeft immers niet aan binnen welke perken, onder welke voorwaarden en volgens welke normen de Koning dit stelsel kan invoeren.

Een zodanige bevoegdheidsdelegatie kan niet worden ingepast in de machten die de Koning ontleent aan een van de bijzondere machtenwetten van 26 juli 1996 : zij zou met name tot gevolg hebben dat voor de hier aan de orde zijnde aangelegenheden de bijzondere machten van die wet door de Koning zelf onbeperkt worden verlengd buiten de in die wet gestelde tijdslimieten.

Om bestaanbaar te zijn met de bijzondere machtenwet moeten in de delegatiebepaling nadere grenzen worden aangegeven waarbinnen de Koning het bedoelde stelsel kan invoeren. »

Bovendien kan men zich ernstig vragen stellen bij de uitvoerbaarheid van deze maatregel.

5º artikel 14 van dit koninklijk besluit wordt opgeheven.

Verantwoording

Artikel 14 voorziet in een machtiging aan de Koning om een pensioenbijslag in te voeren, ten voordele van de zelfstandigen wier loopbaan ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan. Artikel 15 voorziet in een machtiging aan de Koning om de teller van de pensioenbreuk te verhogen ten voordele van zelfstandigen wier rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat uiterlijk op 1 maart 2009.

De Raad van State verwijst in zijn opmerking over deze artikels naar zijn opmerking bij artikel 13. Deze delegatie gaat volgens de Raad evenzeer de grenzen te buiten van de aan de Koning verleende bijzondere machten.

6º artikel 15 van dit koninklijk besluit wordt opgeheven.

Verantwoording

Artikel 15 voorziet in een machtiging aan de Koning om de teller van de pensioenbreuk te verhogen ten voordele van zelfstandigen wier rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat uiterlijk op 1 maart 2009.

De Raad van State verwijst in zijn opmerking over deze artikels naar zijn opmerking bij artikel 13. Deze delegatie gaat volgens de Raad evenzeer de grenzen te buiten van de aan de Koning verleende bijzondere machten.

Nr. 2 VAN DE HEER COENE

Art. 7

A. In dit artikel, het 1º doen vervallen.

Verantwoording

De Raad van State heeft een opmerking inzake de retro-actieve inwerkingtreding met betrekking tot de administratiekosten voor de kas van de NMBS :

« Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit wijzigt de regeling in verband met de administratiekosten van de kas voor geneeskundige verzorging van de NMBS. Die regeling werkt blijkens artikel 4 van het ontwerp terug tot 1 januari 1996. Voor zulk een terugwerkende kracht kan evenwel geen rechtsgrond worden geput uit de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, vermits die wet de Koning niet machtigt om de ter uitvoering van genomen besluiten te laten terugwerken tot op een datum welke voorafgaat aan die van de inwerkingtreding van de aan de onderscheiden bepalingen van de wet. Dit komt erop neer dat de ontworpen regeling ten vroegste in werking kan treden op de datum waarop artikel 10, 7º, van de voornoemde wet van 26 juli 1996, dat het ontwerp tot rechtsgrond strekt, in werking is getreden zijnde op 11 augustus 1996. »

Dit impliceert dat het bedrag van de administratiekosten moet worden aangepast aangezien het nier meer het hele jaar dekt.

B. In hetzelfde artikel het 2º doen vervallen.

Verantwoording

De regering voert inzake het bejaardenbeleid een onmogelijk beleid. Zij bespaart op de dagforfaits die het RIZIV betaalt aan rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen en voorziet in de mogelijkheid om van rusthuizen die hun budget overschrijden de overschrijdingen terug te betalen.

Een terugvordering in geval van overschrijding is alleen te rechtvaardigen indien een bejaardenbeleid wordt ontwikkeld waarbij een verblijf in een rusthuis betaalbaar is voor de bejaarde en de rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen een redelijke vergoeding ontvangen voor de prestaties die zij leveren.

Nr. 3 VAN DE HEER COENE

Art. 8

A. In dit artikel het 1º doen vervallen.

Verantwoording

Dit volmachtenbesluit voert een heffing van 1 % in op de omzet van de farmaceutische firma's op terugbetaalbare geneesmiddelen op de Belgische markt aangeven.

Deze maatregel wordt genomen in het kader van de Maastrichtnorm, maar niet in het kader van een echte hervorming van de ziekteverzekering die ook op lange termijn een budgetbeheersing moet mogelijk maken.

B. In hetzelfde artikel het 2º doen vervallen.

Verantwoording

Door dit volmachtenbesluit worden de waarden N en K van de nomenclatuur met betrekking tot de honoraria voor hemodialyse lineair verminderd.

De Raad van State wijst op de legistieke gevolgen van dit volmachtenbesluit :

« Het besluit in ontwerp, dat zijn rechtsgrond ontleent aan (...), strekt er toe bepaalde waarden met betrekking tot de honoraria voor hemodialyse lineair te verminderen. Die waarden werden in het verleden vastgesteld op grond van akkoorden gesloten tussen de representatieve beroepsorganisaties van het geneesherenkorps en de verzekeringsinstellingen, overeenkomstig artikel 50, § 6, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Luidens artikel 6, § 3, van de voornoemde wet van 26 juli 1996 kunnen, nadat de bij die wet toegekende machten zijn verstreken, de bij de wet te bekrachtigen besluiten niet dan bij een wet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven. De door de stellers van het ontwerp gevolgde werkwijze zal dan ook tot gevolg hebben dat de in het ontwerp vastgelegde waarden, eens het ontwerp bij wet bekrachtigd, nog slechts bij wet zullen kunnen worden gewijzigd. De vraag rijst derhalve of het wel degelijk de bedoeling is, voor de vaststelling van de waarden, aldus de regeling vervat in artikel 50 van de voornoemde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, buiten werking te stellen. »

Luc COENE.