1-490/5 | 1-490/5 |
25 FEBRUARI 1997
Art. 4
Het vierde lid van het voorgestelde artikel 106bis vervangen als volgt :
« De aanvullende kamers zijn samengesteld uit ten minste twee plaatsvervangende raadsheren. Voor zover mogelijk heeft in elke kamer ten minste één werkend magistraat of één op rust gestelde magistraat zitting. »
Verantwoording
Om tot een efficiënte regeling van de werkzaamheden te komen, is voor de samenstelling van de aanvullende kamers een zekere flexibiliteit gelaten aan de eerste voorzitter. Daar in deze kamers ook plaatsvervangende raadsheren zitting kunnen nemen zonder voorafgaande beroepservaring binnen de magistratuur, is het wenselijk dat, indien mogelijk, in elke aanvullende kamer minstens één op rust gestelde magistraat-plaatsvervangend raadsheer, dan wel een gewone raadsheer zitting heeft.
Art. 9
Het voorgestelde artikel 207bis, § 1, eerste lid, aanvullen met de woorden :
« op het ogenblik van de benoeming aan een van de volgende voorwaarden voldoen : »
Verantwoording
Het betreft een precisering van de tekst. Het is niet vereist dat de werkzaamheden die gelden als benoemingsvoorwaarde, worden voortgezet na de benoeming tot plaatsvervangend raadsheer.
Art. 9
Het voorgestelde artikel 207bis, § 1, aanvullen met een 4º, luidende :
« 4º ofwel sedert ten minste twintig jaar een academische of rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed. »
Verantwoording
De groep van gekwalificeerde kandidaten die in aanmerking komen voor plaatsvervangend raadsheer, dient zo ruim mogelijk te zijn.
Art. 4
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 106bis ingevoegd, luidende :
« Art. 106bis. § 1. Teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken kunnen aanvullende kamers worden opgericht voor een beperkte duur bepaald door de Senaat en de Kamer van volksvertegenwoordigers op voorstel van de Koning.
Er wordt voor deze kamers een bijzonder reglement opgesteld overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 106, eerste lid.
Het reglement bepaalt het aantal aanvullende kamers van het hof van beroep.
De zaken worden door de eerste voorzitter verdeeld overeenkomstig het reglement.
§ 2. De aanvullende kamers zijn samengesteld uit ten minste twee plaatsvervangende raadsheren.
Zij worden voorgezeten door een werkend raadsheer of, bij gebreke daarvan, een plaatsvervangend raadsheer die geen advocaat in functie is.
In geval van nood kan de eerste voorzitter afwijken van het tweede lid nadat hij het advies van de procureur-generaal en van de stafhouders van zijn rechtsgebied heeft ingewonnen. »
Art. 4
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 4. Een artikel 106bis, luidend als volgt, wordt in hetzelfde Wetboek ingevoegd :
« Art. 106bis. Teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken worden aanvullende kamers opgericht voor een duur van drie jaar. Deze duur kan worden verlengd enkel na tijdige voorlegging door de Koning van een rapport aan de Senaat en de Kamer van volksvertegenwoordigers.
| Stephan GORIS. |
Art. 8
Dit artikel doen vervallen.
Verantwoording
Zelfde verantwoording als bij ons amendement nr. 15 op artikel 7 (Gedr. St. nr. 1-490/3).
| Claude DESMEDT. |
Art. 9
Paragraaf 1 van het voorgestelde artikel 207bis aanvullen als volgt :
« Bovendien moet de kandidaat een gunstig advies krijgen van het Wervingscollege der magistraten. »
| Roger LALLEMAND. Frederik ERDMAN. |
Art. 9
Paragraaf 1 van het voorgestelde artikel 207bis aanvullen als volgt :
« Bovendien moet over de kandidaat een gunstig advies zijn uitgebracht door het Wervingscollege der magistraten, dat zich uitspreekt over diens bekwaamheid om als plaatsvervangend raadsheer zitting te hebben. »
Verantwoording
Heden ten dage komt de nadruk te liggen op de noodzaak objectieve criteria te hanteren bij benoemingen in de magistratuur. Ook voor de benoeming van plaatsvervangende raadsheren dienen er dergelijke maatregelen te komen.
Daarom stellen wij voor aan de benoemingsvoorwaarden van de plaatsvervangende raadsheren bij de hoven van beroep toe te voegen dat het Wervingscollege der magistraten een gunstig advies moet hebben uitgebracht.
Bij de benoeming van werkende magistraten laat het College zijn invloed reeds gelden via het examen inzake beroepsbekwaamheid of het toelatingsexamen voor de gerechtelijke stage.
Het lijkt daarom normaal dat het College hetzelfde kan doen voor de plaatsvervangende magistraten.
Het ligt uiteraard niet in de bedoeling een afzonderlijke benoemingsprocedure in te voeren voor de werkende raadsheren en de plaatsvervangende raadsheren. Veeleer willen wij voor de plaatsvervangers een bijkomende voorwaarde voorstellen, die doorslaggevend is voor de ontvankelijkheid van hun kandidatuur. Voor het overige is het zo dat de benoemingsvoorwaarden van de raadsheren bij de hoven van beroep thans reeds afwijken van die welke de regering voorstelt inzake de benoeming van de plaatsvervangende raadsheren.
Zodra aan al die voorwaarden is voldaan, verloopt de benoemingsprocedure op dezelfde manier voor die twee groepen van magistraten.
| Frederik ERDMAN. Roger LALLEMAND. |
Art. 9
In de eerste paragraaf van het voorgestelde artikel 207bis wordt het 1º vervangen als volgt :
« 1º ofwel ten minste twintig jaar werkzaam zijn aan de balie en geslaagd zijn voor een bekwaamheidsproef van plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep waarvan de modaliteiten worden vastgesteld door de Koning ».
Verantwoording
Het criterium 20 jaar werkzaam zijn aan de balie impliceert niet altijd 20 jaar ervaring aan de balie. Advocaten kunnen immers hun beroep cumuleren met een ander beroep, bijvoorbeeld dat van volksvertegenwoordiger, en gedurende twintig jaar hun bijdrage betaald hebben aan de Orde van advocaten zonder de binnenkant van een gerechtsgebouw te hebben gezien. Het is immers voldoende de bijdrage te betalen aan de Orde om ingeschreven te blijven aan de balie.
Het enige criterium om te oordelen over de bekwaamheid van advocaten is het afleggen van een bekwaamheidsproef. De modaliteiten van deze bekwaamheidsproef worden vastgesteld door de Koning, waarbij deze natuurlijk niet zo streng dienen te zijn als de modaliteiten van de bekwaamheidsproef die de effectieve magistraten moeten afleggen.
Deze bekwaamheidsproef wordt niet gevraagd van de andere categorieën die in aanmerking komen voor het ambt van plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep omdat ervan mag worden uitgegaan dat zij voldoende ervaring hebben opgedaan.
| Roeland RAES. |
Art. 4
Het eerste en het vierde lid van het voorgestelde artikel 106bis respectievelijk aanvullen en wijzigen als volgt :
« De duur van deze kamers kan door de Koning slechts worden verlengd wanneer uit de verslagen van de magistraat-coördinator, bedoeld in artikel 101, vierde lid, de absolute noodzaak daartoe blijkt. »
« De aanvullende kamers zijn samengesteld uit ten minste twee plaatsvervangende raadsheren. Voor zover mogelijk heeft in elke kamer ten minste één werkend raadsheer of één op rust gestelde raadsheer zoals bedoeld in artikel 207bis, § 1, 3º, of § 2, zitting, die in voorkomend geval het kamervoorzitterschap waarneemt. »
Verantwoording
Naar aanleiding van de besprekingen in de commissie heeft de regering bevestigd dat de aanvullende kamers in beginsel een uitzonderlijke maatregel zijn die binnen de door de Koning vooropgestelde termijn alle bestaande achterstand moeten wegwerken. Een verlenging is dan ook slechts mogelijk wanneer de Koning de absolute noodzaak daartoe aantoont aan de hand van de jaarverslagen van de magistraat-coördinator die meegedeeld worden aan de algemene vergadering, de minister van Justitie en de Wetgevende Kamers (zie artikel 2 van het ontwerp). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer na verloop van de vooropgestelde termijn blijkt dat ondanks de maximale inzet van de aanvullende kamers de achterstand niet volledig weggewerkt kon worden.
Het is daarentegen niet wenselijk om, zoals voorgesteld door sommige commissieleden, de bestaansduur van de aanvullende kamers in het eerste lid uitdrukkelijk te vermelden, temeer daar uit de recente statistische gegevens blijkt dat de achterstand varieert voor de verschillende hoven van beroep.
De regering benadrukt voorts dat aan de eerste voorzitter de nodige flexibiliteit gelaten moet worden bij de samenstelling van de aanvullende kamers, dit met het oog op een efficiënte regeling van de werkzaamheden. Enerzijds is het inderdaad zo dat in deze kamers ook plaatsvervangende raadsheren zitting kunnen nemen zonder voorafgaande beroepservaring binnen de magistratuur. In dit opzicht wordt dan ook bepaald dat de eerste voorzitter in elke aanvullende kamer ten minste één gewone raadsheer of een op rust gestelde magistraat - plaatsvervangend raadsheer laat zittingnemmen, doch enkel indien hij dit mogelijk acht. Er moeten immers voldoende (emeriti)-raadsheren beschikbaar zijn en bovendien mag de werking van de gewone kamers hierdoor niet in het gedrang komen. Daarom ook is een verplichte inschakeling te verwerpen, daar dit zou betekenen dat de eerste voorzitter zijn raadsheren moet wegtrekken uit de gewone kamers met een algehele desorganisatie tot gevolg.
Bovendien behoort het tot de taak van de magistraat-coördinator om bij de samenstelling van de aanvullende kamers de nodige onpartijdigheid en bekwaamheid te waarborgen.
Art. 4bis (nieuw)
Een artikel 4bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 4bis. In artikel 109, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden « verdeeld » en « overeenkomstig » de woorden « in samenspraak met de magistraat-coördinator en » ingevoegd. »
Verantwoording
Het betreft een aanvulling van de tekst teneinde de verhouding tussen de eerste voorzitter en de magistraat-coördinator bij de verdeling van de zaken duidelijker te definiëren. Uit de eigenheid van de functie van coördinator vloeit voort dat deze betrokken wordt bij de verdeling van de zaken zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de eindverantwoordelijkheid van de eerste voorzitter.
Art. 6
In het voorgestelde artikel 109ter , tweede lid, de eerste zin vervangen als volgt :
« De zaken worden met toepassing van artikel 109bis toegewezen aan een gewone kamer met drie raadsheren of een kamer met één raadsheer, voor zover een partij dit aanvraagt uiterlijk één maand na de kennisgeving van de rechtsdag voor de aanvullende kamer zonder andere formaliteiten dan een schriftelijk verzoek gericht aan de eerste voorzitter. »
Verantwoording
Het betreft een tekstprecisering. Wanneer een partij hiertoe ten laatste één maand na de kennisgeving van de rechtsdag voor een aanvullende kamer een schriftelijk verzoek richt aan de eerste voorzitter, wordt de zaak (opnieuw) toegewezen aan een gewone kamer met één of drie raadsheren conform de voorschriften van artikel 109bis van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 9
Het voorgestelde artikel 207bis , § 1, aanvullen als volgt :
« 5º ofwel gedurende ten minste twintig jaar de werkzaamheden bedoeld in het 1º en het 4º gecumuleerd of opeenvolgend uitgeoefend hebben. »
Verantwoording
De wervingsgroep van gekwalificeerde kandidaten die in aanmerking komen voor het ambt van plaatsvervangend raadsheer, dient zo ruim mogelijk te zijn. Gelet op hun deskundigheid komen ook personen in aanmerking die gedurende twintig jaar zowel als hoogleraar als aan de balie actief zijn geweest.
Art. 19bis (nieuw)
Een artikel 19bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 19bis. In artikel 349, vierde lid, van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden « afzonderlijk » en « en » de woorden « met opgave van de titels en verdiensten » ingevoegd. »
Verantwoording
Teneinde de benoemingen van de plaatsvervangende raadsheren objectief te laten geschieden, is het wenselijk dat de titels en verdiensten van de kandidaten uitdrukkelijk in de voordracht worden vermeld.
Art. 9
In het voorgestelde artikel 207bis, § 1 :
A. In het 2º de woorden « een arbeidsrechtbank » en « een vredegerecht of een politierechtbank » schrappen.
B. In hetzelfde 2º vóór de woorden « een rechtbank van koophandel » invoegen het woord « of ».
C. a) Het 3º schrappen.
b) Subsidiair : het 3º vervangen als volgt :
« ofwel op rust gestelde magistraat van een rechtbank van eerste aanleg of een rechtbank van koophandel zijn ».
| Hugo VANDENBERGHE. |
Art. 19
In het eerste lid van het voorgestelde artikel 342bis de woorden « die kunnen bijdragen tot » vervangen door de woorden « die strekken tot ».
Verantwoording
Aldus wordt verduidelijkt dat de maatregelen die het hof van beroep dient te formuleren, geenszins vrijblijvend van aard mogen zijn. Zij moeten tot resultaten leiden.
| André BOURGEOIS. |
Art. 22
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 22. Artikel 390 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
« Deze bepalingen zijn mede van toepassing op de plaatsvervangende raadsheren. Deze kunnen evenwel tot de leeftijd van 70 jaar zitting nemen in de aanvullende kamers. »
Art. 19
Het derde lid van het voorgestelde artikel 342bis vervangen als volgt :
« De procureur-generaal bij het hof van beroep zendt dit verslag over aan de minister van Justitie, die het meedeelt aan de voorzitters van de Wetgevende Kamers en aan de Ministerraad. »
| Roger LALLEMAND. |