1-437/3

1-437/3

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997

10 DECEMBER 1996


Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Burgerlijk Wetboek betreffende de procedures tot echtscheiding


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 6 VAN DE DAMES DELCOURT-PÊTRE EN MILQUET

Art. 10

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 10. ­ In artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid wordt het 3º vervangen als volgt :

« 3º de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van voornoemde kinderen, onverminderd de rechten hen door hoofdstuk V van titel V van boek I van het Burgerlijk Wetboek toegekend en onverminderd het beginsel dat hun bijdrage evenredig moet zijn aan hun middelen ».

2º in het laatste lid worden de woorden « Wanneer nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden de toestand van de kinderen ingrijpend wijzigen » vervangen door de woorden « Wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen .»

Verantwoording

Ter wille van de rechtszekerheid en de gelijkheid onder kinderen dient men ervan uit te gaan dat het beginsel dat de bijdrage van de ouders evenredig moet zijn aan hun middelen, ondubbelzinnig toegepast wordt op het levensonderhoud van de kinderen in het kader van een echtscheiding met onderlinge toestemming. Op die wijze kan de bijdrage van de ouders gewijzigd worden rekening houdend met de ontwikkeling van de behoeften van de kinderen en eventuele wijzigingen in de middelen van de ouders.

Wegens het onderscheid dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 7 september 1973 gemaakt heeft tussen de gehoudenheid tot de schuld van de ouders ten aanzien van het kind, die tot de openbare orde behoort en waarover geen overeenkomsten mogelijk zijn, en de betaling van de respectievelijke bijdrage van beide ouders, waarover de partijen vrij kunnen beschikken en waardoor zij gebonden zijn, kunnen de stijging van de kosten van levensonderhoud, de toename van de behoeften van het kind naar gelang van de leeftijd of de toename van de middelen van de onderhoudsplichtige ouder thans in geen geval leiden tot een wijziging van de onderhoudsbijdrage.

Kinderen van ouders die met onderlinge toestemming gescheiden zijn, worden zo op niet te rechtvaardigen wijze gediscrimineerd ten opzichte van kinderen van echtgenoten die op grond van bepaalde feiten gescheiden zijn; in dit laatste geval is in het beginsel van de veranderlijkheid van de onderhoudsplicht immers voldoende grond aanwezig om een verhoging van de bijdrage te vorderen, ofwel wegens de stijging van de inkomsten van de ouder die de hoede over het kind niet heeft, ofwel wegens de toenemende behoeften van het kind naarmate het opgroeit.

Omgekeerd kunnen de inkomsten van de onderhoudsplichtige ouder ook onvrijwillig verminderen of verdwijnen of kunnen zijn gezinslasten stijgen (wegens kinderen uit een tweede huwelijk). Als de overeenkomst gesloten vóór de echtscheiding met onderlinge instemming strikt wordt toegepast, is het mogelijk dat de inkomsten en de goederen van deze ouder volledig in beslag genomen worden door de schuldeisende ouder (de eerste echtgenoot) (art. 1412, 1º, van het Gerechtelijk Wetboek) en bestaat het gevaar dat aan de kinderen uit het tweede huwelijk al hun bestaansmiddelen ontnomen worden.

In dat geval worden de kinderen uit het tweede huwelijk op niet te rechtvaardigen wijze gediscrimineerd.

De oplossing van het Hof van Cassatie kan in algemene zin beschouwd worden als strijdig met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat in artikel 14 voorschrijft dat het genot van de erkende rechten zonder enig onderscheid verzekerd wordt, dus ook het genot van het in artikel 8 voorgeschreven recht op eerbiediging van het gezinsleven, dat onder meer berust op het fundament van de betrekkingen tussen ouders en kinderen. Het samenlezen van deze twee artikelen had reeds geleid tot de veroordeling van België in het arrest-Merckx inzake de rechtspositie van de natuurlijke kinderen.

Bovendien luidt het gewijzigde artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, waarnaar met name in artikel 1288, eerste lid, 3º, van het Gerechtelijk Wetboek verwezen wordt, sinds de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag als volgt : « De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. »

De drie beginselen van openbare orde, nl. de veranderlijkheid van de onderhoudsverplichtingen, de evenredigheid van de bijdrage van de ouders ten opzichte van hun respectievelijke middelen en het recht van het kind op opvoeding en levensonderhoud naar evenredigheid van de samengevoegde inkomsten van beide ouders, worden duidelijk geponeerd in artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek.

Het is evenwel noodzakelijk dit duidelijk te vermelden in artikel 1288, eerste lid, 3º, van het Gerechtelijk Wetboek want ondanks de verwijzing naar de genoemde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek komt uit de besprekingen in de Kamercommissie voor de Justitie naar voren dat artikel 1288, eerste lid, 3º, van het Gerechtelijk Wetboek niet aangevoerd kan worden om een verhoging van de onderhoudsbijdrage van de echtgenoot te verkrijgen (Gedr. St., Kamer, 202/8, 95/96, blz. 22).

Afgaande op de algemene formulering van het nieuwe artikel 387bis van het Burgerlijk Wetboek (gewijzigd bij de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag), waarin de jeugdrechter uitdrukkelijk gemachtigd wordt om op verzoek van beide ouders of van een van hen, of van de procureur des Konings alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag te wijzigen in het belang van het kind, mag men aannemen dat er geen reden is om kinderen van ouders die gescheiden zijn met onderlinge toestemming enerzijds en kinderen van ouders die gescheiden zijn op grond van bepaalde feiten anderzijds, in deze kwestie verschillend te behandelen.

Met het oog op de bescherming van het kind en ter wille van de samenhang van het recht zou het verder ook raadzaam zijn in algemene zin het beginsel te bekrachtigen dat alle regelingen betreffende hun geadopteerde kinderen die echtgenoten hebben getroffen in een overeenkomst vóór de echtscheiding met onderlinge toestemming, na de echtscheiding veranderbaar zijn, zowel die welke betrekking hebben op het bedrag van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen als die welke betrekking hebben op de uitoefening van het ouderlijk gezag.

Verder willen we vermelden dat het huidige artikel 1293 van het Gerechtelijk Wetboek, dat handelt over de wijziging van de overeenkomsten bij echtscheiding met onderlinge toestemming in de loop van het geding, de partijen in de mogelijkheid stelt om een voorstel tot wijziging van hun oorspronkelijke overeenkomsten voor te leggen aan de rechter « wanneer de echtgenoten of een van hen nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden aanvoeren waardoor hun toestand, de toestand van een van hen of die van hun kinderen ingrijpend gewijzigd wordt ».

Tijdens het geding kunnen de omstandigheden die een wijziging van de overeenkomst kunnen rechtvaardigen, niet alleen betrekking hebben op de toestand van de kinderen maar ook op die van de echtgenoten of van een van hen.

Ter wille van de logica in het recht zou het de partijen toegestaan moeten zijn de bevoegde rechter te verzoeken om hun overeenkomsten te herzien na de echtscheiding, wanneer nieuwe omstandigheden buiten hun wil hun toestand, die van een van hen of die van hun kinderen ingrijpend wijzigen.

Nr. 7 VAN DE DAMES DELCOURT-PÊTRE EN MILQUET

Art. 20 (nieuw)

Een artikel 20 (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 20. ­ In artikel 301bis van het Burgerlijk Wetboek worden de woorden « artikel 218 » vervangen door de woorden « artikel 221 » en de woorden « vijfde lid van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek » vervangen door de woorden « zesde lid van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek ».

Verantwoording

De teksten van het Burgerlijk Wetboek en van het Gerechtelijk Wetboek moeten met elkaar in overeenstemming gebracht worden.

Nr. 8 VAN DE DAMES DELCOURT-PÊTRE EN MILQUET

Art. 21 (nieuw)

Een artikel 21 (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 21. ­ In artikel 915bis, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek worden de woorden « artikel 1287, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek » vervangen door de woorden « artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek ». »

Verantwoording

Zelfde verantwoording als voor het nieuwe artikel 20.

Nr. 9 VAN DE DAMES DELCOURT-PÊTRE EN MILQUET

Art. 22 (nieuw)

Een artikel 22 (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 22. ­ In de Franse tekst van artikel 1278, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt het woord « admet » vervangen door het woord « prononce ».

Verantwoording

Het gaat om een technische correctie. Sinds de wet van 30 juni 1994 wordt de echtscheiding door de rechter uitgesproken. Dit verzuim van de wetgever dient rechtgezet te worden.

Andrée DELCOURT-PÊTRE.
Joëlle MILQUET.

Nr. 10 VAN DE HEER BOURGEOIS

Art. 2

Het 3º van dit artikel vervangen als volgt :

« 3º Wanneer de stukken ontbreken of onvolledig zijn, wordt de zaak naar de rol verzonden. De partijen beschikken over een termijn van één maand om het dossier te vervolledigen. De rechter kan evenwel in uitzonderlijke omstandigheden en naargelang de noodwendigheden deze termijn verlengen. »

Verantwoording

De straf van verval van geding staat niet in verhouding tot de fout.

De termijn van één maand is in sommige gevallen te kort om de nodige stukken te verzamelen, vandaar de mogelijkheid voor de rechter om de termijn te verlengen en zo het verloop van de procedure te regelen.

André BOURGEOIS.

Nr. 11 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 11bis (nieuw)

Een artikel 11bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 11bis. ­ Het laatste lid van artikel 1290 van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« De rechter kan de beschikkingen waarvan hij overeenkomstig het tweede lid de wijziging voorgesteld heeft, laten schrappen of wijzigen wanneer die kennelijk strijdig zijn met de belangen van de minderjarige kinderen. »

Verantwoording

Het laatste lid van artikel 1290 van het Gerechtelijk Wetboek kan, letterlijk geïnterpreteerd, als volgt gelezen worden : beschikkingen die kennelijk strijdig zijn met de belangen van de kinderen kunnen slechts geschrapt worden na het horen der kinderen (« Tijdens deze verschijning »).

Vermits onmondige kinderen echter niet gehoord kunnen worden, zouden ten aanzien van hen dergelijke bepalingen niet geschrapt kunnen worden.

De tekst van het amendement wenst dit te voorkomen en geeft daarom duidelijk aan dat de rechter altijd tot de schrapping of de wijziging van dergelijke bepalingen kan overgaan, zij het evenwel niet zonder eerst de echtgenoten, met toepassing van het tweede lid van artikel 1290 van het Gerechtelijk Wetboek, de kans te hebben gegeven zelf in een wijziging te voorzien.

Nr. 12 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 13

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 13. ­ Aan artikel 1293 van het Gerechtelijk Wetboek wordt een lid toegevoegd, luidende :

« De rechter kan de beschikkingen waarvan hij overeenkomstig het tweede lid de wijziging voorgesteld heeft, laten schrappen of wijzigen wanneer die kennelijk strijdig zijn met de belangen van de minderjarige kinderen. »

Verantwoording

De tekst die voorgesteld wordt in artikel 13 van het ontwerp is identiek aan de bestaande tekst van artikel 1290, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Gelet op het amendement waarbij voorgesteld wordt artikel 1290, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen, dient artikel 13 van het ontwerp op identieke wijze te worden aangepast.

Nr. 13 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 14

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 14. ­ In artikel 275 van het Burgerlijk Wetboek worden tussen de woorden « één van beiden » en de woorden « minder dan » ingevoegd de woorden « op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek. »

Verantwoording

Het feit dat artikel 14 van het ontwerp bepaalt dat de procureur des Konings dient vast te stellen of aan « de wettelijke voorwaarden » voldaan is op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift, kan geïnterpreteerd worden als een beperking van de controlebevoegdheid van de procureur des Konings (zie verslag Kamer, Gedr. St., Kamer, nr. 202/8, 1995-1996, blz. 25-26).

De « wettelijke voorwaarden » bedoeld in artikel 1297 van het Gerechtelijk Wetboek die op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift dienen te worden beoordeeld, zijn deze opgenomen in de artikelen 275 en 276 van het Burgerlijk Wetboek.

Om alle onduidelijkheid te vermijden, is het wellicht dan ook beter de zinsnede « op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift » in laatstgenoemde artikelen zelf op te nemen.

Nr. 14 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 14ter

Een artikel 14ter invoegen, luidende :

« Art. 14ter. ­ In artikel 1298 van het Gerechtelijk Wetboek worden tussen de woorden « spreekt zij de echtscheiding uit » en de woorden « in het tegenovergestelde geval » ingevoegd de woorden « en bekrachtigt zij de overeenkomsten met betrekking tot de minderjarige kinderen. »

Verantwoording

In de rechtsleer en rechtspraak bestaat betwisting aangaande de wijze waarop tot wijziging van de overeenkomsten met betrekking tot de minderjarige kinderen kan worden overgegaan, meer bepaald rijst de vraag of dit al dan niet onderhands kan geschieden.

Dit amendement schrijft voor dat dergelijke overeenkomsten door de rechter dienen te worden bekrachtigd, wat maakt dat men voor een eventuele wijziging ervan opnieuw voor de rechter zal dienen te verschijnen. Onderhandse wijziging van dergelijke overeenkomsten wordt met andere woorden aldus uitgesloten.

Hugo VANDENBERGHE.

Nr. 15 VAN DE HEREN FORET EN DESMEDT

Art. 2

Het 3º van dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Het verval is een zware sanctie omdat alleen in geval van overmacht afgeweken kan worden van de strikte toepassing van die sanctie (cf. Gerechtelijk Wetboek, art. 50).

Voorts is deze sanctie nog ondoelmatig ook.

Men kan volstaan met de zaak naar de rol te verzenden. Het komt erop aan de vertraging bij bepaalde gemeentediensten op te vangen wanneer ze documenten moeten afgeven. Er valt des te meer vertraging te vrezen wanneer de documenten uit het buitenland komen.

Claude DESMEDT.
Michel FORET.

Nr. 16 VAN DE HEER GORIS

Art. 2

Het voorgestelde 2º van dit artikel vervangen als volgt :

« 2º Paragraaf 3 wordt aangevuld met het volgende lid :

« Ingeval de stukken niet worden neergelegd en behoudens neerlegging ervan binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn verklaart deze laatste de eis van ambtswege niet-toelaatbaar. »

Stephan GORIS.

SUBAMENDEMENT Nr. 17 VAN DE HEER BOURGEOIS OP ZIJN AMENDEMENT Nr. 10

Art. 2

In het 3º van dit artikel de twee laatste volzinnen schrappen.

André BOURGEOIS.

Nr. 18 VAN DE HEREN FORET EN DESMEDT

Art. 4

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

De voorgestelde wijziging van artikel 1268 van het Gerechtelijk Wetboek valt te betreuren. Het ligt uiteraard helemaal niet in de bedoeling de rechten van de verdediging in het gedrang te brengen. Wanneer men evenwel « nieuwe op tegenspraak genomen conclusies » oplegt, dat wil zeggen in het kader van een onderzoek op tegenspraak, zou men, zoals professor de Leval schrijft, de strategische gebreken kunnen bevorderen om de formalisering van aanvullende eisen tegen te gaan (cf. « Le divorce pour cause déterminée », « Les synthèses de la J.L.M.B. », blz. 2, nr. 4).

Waarom van de eisende partij verwachten dat ze aanzienlijke dagvaardingskosten doet om nieuwe bewijsgronden aan te voeren ? Men zou kunnen voorstellen de conclusie te voegen bij het in artikel 803 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde bericht waarmee de rechtsdag wordt meegedeeld. Conclusies die nieuwe grieven inleiden, vallen niet onder de toepassing van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek (cf. Cl. Lovens, « Quelques questions en matière de divorce pour cause déterminée », « Formation permanente » , C.U.P., Ulg., deel VI, 1996, blz. 74).

Ons amendement stelt hetzelfde voor als dat van de heer Erdman (Gedr. St., Senaat, 1-437/2, nr. 5) doch onze verantwoording wijkt daarvan af.

Claude DESMEDT.
Michel FORET.

Nr. 19 VAN DE HEER BOURGEOIS

Art. 10

Artikel 10 van het ontwerp vervangen als volgt :

« Art. 10. ­ In artikel 1288, laatste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « Wanneer nieuwe en onvoorziene omstandigheden de toestand van de kinderen ingrijpend wijzigen » vervangen door de woorden « Wanneer nieuwe omstandigheden de toestand van de ouders of de kinderen ingrijpend wijzigen ».

Verantwoording

De bijdrage is nu enkel voor herziening vatbaar bij wijziging in de toestand van de kinderen, maar ook de gewijzigde toestand van de ouders, bijvoorbeeld op financieel vlak, kan een verhoging of vermindering van de bijdrage rechtvaardigen.

Verder kan de term buiten de wil van de partijen aanleiding geven tot een te brede interpretatie.

André BOURGEOIS.

Nr. 20 VAN DE HEREN LALLEMAND EN ERDMAN

Art. 4bis (nieuw)

Een artikel 4bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 4bis. ­ Artikel 1269, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : « Er wordt melding gemaakt van het tijdstip waarop de feitelijke scheiding een aanvang heeft genomen. »

Verantwoording

Jammer is dat men deze hervorming niet te baat heeft genomen om artikel 1269 van het Gerechtelijk Wetboek zo te wijzigen dat het vonnis van echtscheiding op grond van bepaalde feiten het tijdstip van de feitelijke scheiding moet vermelden. Dat zou van het allergrootste nut kunnen zijn voor de uitkering bedoeld in artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek (het tijdstip waarop de levensstandaard beoordeeld moet worden), het afzwakken van het vermoeden van vaderschap, de verruimde terugwerking van artikel 1278, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek.

Roger LALLEMAND.
Frederik ERDMAN.

Nr. 21 VAN DE HEREN FORET EN DESMEDT

Art. 6

Aan dit artikel een nieuw lid toevoegen, luidende :

« In hetzelfde artikel wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd : « Ingeval een van de echtgenoten overlijdt vóór de echtscheiding is overgeschreven doch nadat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten als uit de echt gescheiden beschouwd, zelfs tegenover derden. »

Verantwoording

In de wet van 30 juni 1994 is deze toestand niet geregeld. Heel vaak doet die toestand zich niet voor maar hij behoort wel tot de mogelijkheden. De eenvoudigste en meest praktische oplossing bestaat erin ervan uit te gaan dat de door de echtgenoten verkregen echtscheiding tegen derden tegengeworpen kan worden alleen al door het overlijden van een van de (voormalige) echtgenoten.

Michel FORET.
Claude DESMEDT.

Nr. 22 VAN MEVR. DELCOURT-PÊTRE

(Subamendement op amendement nr. 6 van de dames Delcourt-Pêtre en Milquet)

Art. 10

In het voorgestelde 3º de woorden « onverminderd het beginsel dat hun bijdrage evenredig moet zijn aan hun middelen » vervangen door de woorden « onverminderd het beginsel van de evenredigheid van hun bijdragen. »

Andrée DELCOURT-PÊTRE.

Nr. 23 VAN DE HEER ERDMAN

Art. 4bis (nieuw)

Een artikel 4bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 4bis. ­ In artikel 232, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt het woord « vijf » vervangen door het woord « twee ».

Deze bepaling is van toepassing op de hangende gedingen, rekening houdende met de wet die in werking is op de dag van de uitspraak van de beslissing. »

Verantwoording

De verantwoording kan worden gevonden in de toelichting op het « Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 232 van het Burgerlijk Wetboek en van artikel 1270bis van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot echtscheiding op grond van feitelijke scheiding » dat reeds ingediend werd in de Senaat op 16 februari 1995 en opnieuw werd ingediend op 27 juni 1995 door de volgende senatoren : F. Erdman, R. Lallemand, M. Foret, C. Desmedt, J. Loones en E. Boutmans, Stukken Senaat 1-8/1 B.Z. 1995 (zie bijlage).

Deze toelichting die in zijn geheel kan gelden voor dit amendement, luidt als volgt :

De mogelijkheid om uit de echt te scheiden op basis van feitelijke scheiding is ingevoerd door de wet van 1 juli 1974. Dit was de resultante van uitvoerige en langdurige besprekingen in de Wetgevende Kamers, op basis van het wetsvoorstel tot wijziging van sommige artikelen van het Burgerlijk Wetboek inzake echtscheiding, ingediend door Senator Willy Calewaert en c.s. (Senaat, 1971-1972, Gedr. St. nr. 161).

Zoals o.m. uit het verslag Rombaut blijkt (Senaat, 1972-1973, Gedr. St. nr. 141), botsten twee visies : de ene (van de indiener) beweerde dat de feitelijke scheiding op zichzelf voldoende reden was tot de echtscheiding, waarbij als het ware een automatisme ingesteld zou worden; de andere visie, die het uiteindelijk haalde, hield in dat deze feitelijke scheiding op zich geen voldoende reden was en dat er een « duurzame ontwrichting » van het huwelijk moest blijken, waarbij de rechter dus een beoordelingsrecht behoudt.

Een opmerkelijk « detail » is dat tal van parlementsleden in die laatste optiek bereid waren de termijn van 10 jaar in te korten tot 5 jaar; uiteindelijk werd evenwel de termijn van 10 jaar aangehouden, wat tot bitsige commentaren leidde (cf. verslag Rombaut en de tussenkomst van Piet Vermeylen bij de openbare bespreking ­ Handelingen Senaat, 29 maart 1973, blz. 804).

Het zou duren tot de wet van 2 december 1982, opnieuw het resultaat van parlementair initiatief, met name het wetsvoorstel Rik Boel houdende wijziging van de artikelen 1 en 2 van de wet van 1 juli 1974 (Kamer van volksvertegenwoordigers, 1979-1980, Gedr. St. nr. 393/1), vooraleer de termijn van 10 jaar ingekort werd tot 5 jaar. Te vermelden valt dat er op dat moment een parlementaire consensus bestond over deze inkorting.

Daar waar de optiek was en is van de wetgever dat duurzaam ontwrichte huwelijken beter ontbonden worden dan de feitelijke scheiding te laten aanslepen, rijst vandaag opnieuw de vraag wat de termijn van 5 jaar betreft.

Onze mening is duidelijk : wanneer de feitelijke scheiding reeds 2 jaar aansleept, is er een weerlegbaar vermoeden van het feit dat er geen verzoening meer mogelijk is en bijgevolg de duurzame ontwrichting van het huwelijk bewezen is.

Uit het volgende overzicht van parlementaire initiatieven, die dezelfde strekking hadden als dit voorstel, mag ten overvloede blijken dat een consensus over deze inkorting bestaat of mogelijk moet zijn.

Zonder volledigheid na te streven citeren wij :

* wetsvoorstel-Van Vaerenbergh tot wijziging van artikel 232 van het Burgerlijk Wetboek, Kamer van volksvertegenwoordigers, 1990-1991, Gedr. St. nr. 1337/1;

* wetsvoorstel-Simons en Vogels tot wijziging van de wetgeving inzake gezinsconflicten, Kamer van volksvertegenwoordigers, 1988-1989, Gedr. St. nr. 644/1;

* wetsvoorstel Van den Bossche ten einde echtscheiding mogelijk te maken op grond van één jaar feitelijke scheiding, Kamer van volksvertegenwoordigers, B.Z. 1988, Gedr. St. nr. 171/1;

* wetsvoorstel Valkeniers tot wijziging van artikel 232 van het Burgerlijk Wetboek, Senaat, 1989-1990, Gedr. St. nr. 1045-1.

Waar een amendement in die zin van ondergetekende in de loop van de discussie over de wet van 30 juni 1994 ingetrokken werd, had dit eerder te maken met formele dan met inhoudelijke bezwaren (zie daaromtrent het verslag Lallemand en Maximus, Senaat, 1993-1994, Gedr. St. nr. 898-2). Deze inkorting van de duur van de feitelijke scheiding moet worden gezien in het kader van de humanisering van de echtscheiding. Deze vermindering is trouwens een logisch gevolg van de aanpassingen van de echtscheidingsprocedure, aangebracht door de reeds genoemde wet van 30 juni 1994. Daarenboven, indien men na twee jaar huwelijk een echtscheiding bij onderlinge toestemming kan bekomen, is het logisch dat na twee jaar feitelijke scheiding een procedure op basis van feitelijke scheiding kan worden ingeleid.

De praktijk zal daarenboven aantonen dat vertrekkende van een voorafgaande periode van huwelijk en samenwonen en de duur van de procedure (onverminderd eventueel de duur van de procedure in hoger beroep), de echtscheiding slechts zal worden uitgesproken op een tijdstip dat de bedoelde termijn van twee jaar ver overtreft.

Anderzijds mag ook worden verwezen naar de bewijsvoering door bekentenis, ingevoerd door de wet van 30 juli 1994, en de mogelijkheden gesteld door het nieuw artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek, waardoor de rechter gemachtigd wordt om door het horen van de kinderen toe te zien op hun belangen.

Het moet hoofdzakelijk de bedoeling zijn de schrijnende en pijnlijke sociale en psychologische gevolgen van een feitelijke scheiding die langdurig aansleept, te voorkomen. Die gevolgen treffen niet alleen de echtgenoten, maar allen die met hen deze psychologische stress ondergaan, niet in het minst de kinderen, gesproten uit het huwelijk en/of uit het samenwonen met een nieuwe partner.

Op een ogenblik dat parlementaire initiatieven worden genomen om de gevolgen te regelen van een uiteengaan van samenwonende, ongehuwde partners, dat de rechtspleging inzake echtscheiding bij de wet van 30 juni 1994 gehumaniseerd wordt, dat besprekingen ten gronde aan de gang zijn om de echtscheiding te hervormen, is het niet meer dan logisch om in dit voorstel bedoeld probleem ten gronde en spoedig aan te pakken.

Men moet natuurlijk rekening houden met de hangende procedures en dus moeten overgangsbepalingen duidelijk maken in hoeverre de voorgestelde wijzigingen toepasselijk zijn of niet op de procedures ingeleid vóór de inwerkingtreding van de wet.

Een eenvoudige maar onrechtvaardige benadering zou zijn deze wijzigingen slechts van toepassing te verklaren op de gedingen die in eerste aanleg worden ingeleid na de inwerkingtreding van de wet; met deze zienswijze zou men de gedingvoerende partijen onderwerpen aan strengere normen.

Het lijkt dus logisch de bedoelde wijzigingen van toepassing te verklaren op de hangende gedingen, waardoor de rechtbanken en hoven bij de beoordeling van vorderingen, die ingeleid werden vóór de inwerkingtreding van de wet, slechts zullen moeten nagaan of effectief het bewijs is geleverd van de bedoelde twee jaar feitelijke scheiding en dit vóór de datum van de inleiding van de vordering.

Indien reeds een uitspraak in laatste aanleg een vordering zou hebben afgewezen, rekening houdend met de wet die in werking was op de dag van de uitspraak van de beslissing, zal het de partijen vrijstaan een nieuwe vordering in te leiden na de inwerkingtreding van de bedoelde wetswijzigingen en rekening houdend met de inmiddels geldende criteria.

Daarom wordt dus geopteerd voor de formulering zoals bepaald in artikel 45, § 2, van de wet van 30 juni 1994.

Nr. 24 VAN DE HEER ERDMAN

Art. 4ter (nieuw)

Een artikel 4ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 4ter. ­ In artikel 1270bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt het woord « vijf » vervangen door het woord « twee ».

Deze bepaling is van toepassing op de hangende gedingen, rekening houdende met de wet die in werking is op de dag van de uitspraak van de beslissing ».

Verantwoording

Zie artikel 4bis (amendement nr. 22).

Frederik ERDMAN.

Nr. 25 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 14bis

Een artikel 14bis invoegen, luidende :

« Art. 14bis. ­ Artikel 276 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Onderlinge toestemming wordt enkel toegestaan indien het huwelijk aangegaan werd ten minste twee jaar vóór het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van het Gerechtelijk Wetboek ».

Verantwoording

Zie amendement nr. 13.

Hugo VANDENBERGHE.