1-148/3 | 1-148/3 |
12 MAART 1996
Wetsvoorstel houdende aanvulling van artikel 4 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en van artikel 458 van het Strafwetboek
De Commissie voor de Justitie heeft deze twee wetsvoorstellen besproken tijdens haar vergaderingen van 29 november, 12 en 19 december 1995, 9, 16, 23 en 30 januari en 12 maart 1996.
Er werd besloten het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. als basis voor de discussie te nemen omdat, zoals hierna uit de inleiding zal blijken, de draagwijdte ervan veel ruimer is dan die van het wetsvoorstel van de heer Pinoie c.s. dat naar zijn eigen termen geen grondige wijziging of vervanging van de wet van 3 mei 1880 nastreeft, maar een eenvoudige verbetering.
Krachtens artikel 56 van de Grondwet heeft elke Kamer het recht van onderzoek.
De wet van 3 mei 1880 heeft de wijze van uitoefening van dit aan de Kamers toegekend onderzoeksrecht geregeld. Hoewel luidens artikel 60 van de Grondwet de Kamers de wijze bepalen waarop zij hun bevoegdheden uitoefenen, werd de tussenkomst van de wetgever toch noodzakelijk geacht omdat het reglement van de Kamers aan de rechtsonderhorigen geen verplichtingen kan opleggen en omdat geen straf kan worden ingevoerd en geen eed kan worden opgelegd dan krachtens de wet (artikelen 14 en 192 van de Grondwet) [MAST, A. en DUJARDIN, J., Overzicht van het Belgisch Grondwettelijk Recht, Gent, Story-Scientia, 1985, blz. 141].
De laatste jaren wordt onder druk van de publieke opinie meer en meer van dit onderzoeksrecht gebruik gemaakt om een falend overheidsbeleid onder de loep te nemen en na te gaan hoe dit eventueel door wetswijzigingen kan worden verholpen.
Vooral het onderzoek van de zogeheten Bendecommissie « naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd wordt », heeft aangetoond dat de wet van 3 mei 1880 op tal van punten lacunes vertoonde en grondig diende te worden gewijzigd (Gedr. St., Kamer, 1988, nrs. 59/1-10).
Verschillende wetsvoorstellen werden ingediend.
Vooral het wetsvoorstel van mevrouw Onkelinx en de heer Di Rupo en het desbetreffende advies van de Raad van State (Gedr. St., Kamer, 1988-1989, nrs. 675/1-2) trokken de aandacht vanwege het heftige verzet van de magistratuur. Vanuit die hoek werd namelijk betoogd dat dit voorstel de onderzoekscommissies dermate ruime bevoegdheden toekende dat de beginselen van de scheiding der machten en van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht dreigden te worden aangetast (cf. de nota van vier emeriti procureurs-generaal bij het Hof van Cassatie, CHARLES, R., DELANGE, R., DUMON, F. en GANSHOF VAN DER MEERSCH, W., De grondwettelijke onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, R.W. , 1990-1991, blz. 16-20, alsook DUMON, F., De scheiding der staatsmachten. De grondwettelijke onafhankelijkheid van de rechterlijke macht De parlementaire onderzoekscommissies, R.W. , 1990-1991, blz. 169-176).
Een en ander heeft in 1991 geleid tot de oprichting door Kamer en Senaat van een gemengde werkgroep belast met het onderzoek van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek (Verslag van de heren Mouton en Landuyt, Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 429-1 en Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 561-1).
De overeenstemming die in deze werkgroep werd bereikt, mondde op 9 juli 1992 uit in het wetsvoorstel van senator Arts c.s. tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en van artikel 458 van het Strafwetboek (Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 446-1).
Dit wetsvoorstel werd evenwel nooit in bespreking gebracht. Na de ontbinding van de federale Kamers op 12 april 1995 heeft de heer Vandenberghe c.s. het wetsvoorstel op 7 november 1995 opnieuw ingediend (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-148/1).
Het wetsvoorstel van de heer Pinoie c.s. dat op 27 juni 1995 werd ingediend, neemt het voorstel over dat reeds op 21 mei 1992 werd ingediend (Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 356-1 en B.Z. 1995, nr. 1-31/1).
1. Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en van artikel 458 van het Strafwetboek (ingediend door de heer Vandenberghe c.s.)
Onderhavig voorstel vloeit voort uit de bevindingen van de gemengde werkgroep van de Senaat en de Kamer van volksvertegenwoordigers belast met het onderzoek van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek (zie verslag van de werkgroep Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 429-1) en werd reeds eerder in de Senaat ingediend door de heer Arts (Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 446-1).
In de voornoemde werkgroep werd overeenstemming bereikt omtrent de volgende knelpunten in de bestaande wetgeving inzake het parlementair onderzoek :
1. de materiële en de formele bevoegdheid van een onderzoekscommissie;
2. het beroepsgeheim;
3. de samenloop van het parlementair en het gerechtelijk onderzoek;
4. de geheimhoudingsplicht en
5. de afsluiting en de gevolgen van parlementaire onderzoeken.
1. Bevoegdheden van een onderzoekscommissie
Vooreerst werd het noodzakelijk geacht de finaliteit van het parlementair onderzoek nader te omschrijven : het parlementair onderzoek dient het Parlement de nodige informatie te verschaffen voor de uitoefening van zijn wetgevende en controlerende opdracht, en het desgevallend in staat te stellen politieke verantwoordelijkheden vast te stellen. Het parlementair onderzoek voert echter geenszins een gerechtelijk onderzoek. De verwijzing in de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek naar de bevoegdheden van de onderzoeksrechter heeft in het verleden ongewild de indruk doen ontstaan dat een parlementaire onderzoekscommissie de onderzoekstaak van de rechterlijke macht op zich nam. Daarom is zij in het voorstel vervangen door een verwijzing naar de in het Wetboek van Strafvordering opgesomde onderzoeksmaatregelen. Het blijft voor een onderzoekscommissie evenwel mogelijk bepaalde onderzoeksdaden toe te vertrouwen aan een magistraat. Meer nog, voor bepaalde delicate onderzoeksdaden wordt voorgesteld zulks verplicht te stellen.
2. Beroepsgeheim
Vermits de huidige wet ter zake niets bepaalt, stipuleert het voorstel dat het beroepsgeheim, zoals bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan worden ingeroepen om getuigenis te weigeren.
3. Samenloop van het parlementair en het gerechtelijk onderzoek
De werkgroep was van oordeel dat de samenloop van het parlementair en het gerechtelijk onderzoek niet diende te worden verboden. In het voorstel wordt daarom het principieel recht van het Parlement om inzage te nemen van lopende gerechtelijke dossiers erkend. Rekening houdend met het feit dat het normale verloop van het gerechtelijk onderzoek niet gehinderd mag worden en dat de positie van de betrokken partijen niet geschaad mag worden, is evenwel een arbitrageformule uitgewerkt om mogelijke conflicten met de rechterlijke macht desaangaande te regelen.
4. Geheimhoudingsplicht
De ervaring opgedaan door de Senaat in de zogenaamde Gladiocommissie heeft aangetoond dat het absoluut vereist is dat een parlementaire onderzoekscommissie zeer discreet kan werken. In het voorstel is daarom geopteerd voor het opleggen van een discretieplicht aan alle leden van de commissie alsook aan diegenen die in welke hoedanigheid ook deelnemen aan de werkzaamheden ervan.
5. Afsluiting en gevolgen van parlementaire onderzoeken
In het voorstel is de verplichting opgenomen voor de parlementaire onderzoekscommissie om een verslag op te maken, waarin conclusies dienen te worden geformuleerd met het oog op aanbevelingen en/of het aanduiden van verantwoordelijkheden.
2. Wetsvoorstel houdende aanvulling van artikel 4 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en van artikel 458 van het Strafwetboek (ingediend door de heer Pinoie c.s.)
Er wordt naar de toelichting bij het voorstel verwezen.
Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet bepaalt artikel 1 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. dat deze wet een obligatoir bicamerale aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Het wetsvoorstel van de heer Pinoie c.s. gaat er daarentegen vanuit dat het een materie betreft waarvoor de optioneel bicamerale procedure dient te worden gevolgd, zoals bepaald in artikel 78 van de Grondwet.
Met het oog op de toe te passen wetgevende procedure en de daaruit voortvloeiende bevoegdheidsverdeling tussen Kamer en Senaat is het van het grootste belang dat er een ondubbelzinnig antwoord wordt verstrekt op de vraag of de beide wetsvoorstellen volgens de obligatoir bicamerale procedure (artikel 77) dienen te worden behandeld dan wel volgens de optioneel bicamerale (artikel 78). Daarom licht de heer Vandenberghe de argumenten pro en contra toe die, wanneer ze tegen elkaar worden afgewogen, hem ertoe gebracht hebben in artikel 1 van zijn wetsvoorstel te bepalen dat in casu de verplicht bicamerale procedure dient te worden toegepast.
Artikel 56 van de Grondwet bepaalt dat elke Kamer het recht van onderzoek heeft.
Aangezien dit artikel niet voorkomt in de door artikel 77, eerste lid, 3º, van de Grondwet opgesomde bepalingen waarvoor Kamer en Senaat gelijkelijk bevoegd zijn, zou hieruit kunnen worden afgeleid dat zijn wetsvoorstel een optioneel bicamerale aangelegenheid betreft.
Twee argumenten verzetten zich tegen deze stelling.
Een eerste argument is ontleend aan artikel 77, eerste lid, 2º, van de Grondwet naar luid waarvan Kamer en Senaat gelijkelijk bevoegd zijn voor de aangelegenheden die krachtens de Grondwet door beide wetgevende Kamers dienen te worden geregeld.
Aangezien artikel 56 van de Grondwet elke Kamer het recht van onderzoek toekent (1), is het uitgesloten dat de Kamer van volksvertegenwoordigers bij voorrang zou bepalen onder welke voorwaarden en op welke wijze de Senaat zijn recht van onderzoek zou mogen uitoefenen.
Een dergelijke interpretatie zou zowel naar de geest als naar de letter indruisen tegen artikel 56 van de Grondwet.
Het is trouwens treffend dat in navolging van de 19e eeuwse rechtsgeleerde Laurent en de zogenaamde exegetische school steeds louter tekstargumenten worden aangevoerd om de bevoegdheden van de Senaat zo beperkend mogelijk te omschrijven.
Het exclusief gebruik van deze interpretatiemethode wordt heden nochtans als volledig achterhaald beschouwd.
Bij uitbreiding kan worden gesteld dat artikel 77, eerste lid, 2º, van de Grondwet alleszins betrekking heeft op de regeling van de uitoefening van de bevoegdheden die de Grondwet aan elke Kamer afzonderlijk toekent.
De in tal van grondwetsartikelen voorkomende terminologie « elke Kamer » impliceert derhalve altijd dat het om aangelegenheden gaat waarvoor de obligatoir bicamerale procedure moet worden gevolgd.
Ten overvloede kan tevens naar de toelichting bij het wetsvoorstel worden verwezen waarin wordt gesteld dat « wanneer het Parlement, bij voorbeeld naar aanleiding van concrete feiten, het falen of het haperen vaststelt van de goede werking van de overheid, artikel 56 van de Grondwet deze instelling het recht verleent om, middels een parlementair onderzoek, hierin zo mogelijk via wetgevend werk een verbetering aan te brengen » (Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-148/1, blz. 2).
Uit de voorbereidende werken betreffende artikel 77 van de Grondwet blijkt duidelijk dat tot de aangelegenheden die door de beide Kamers moeten worden geregeld, de totstandkoming moet worden gerekend van een juridische normgeving in uitvoering van een grondwetsbepaling zoals artikel 56 (Verslag namens de Commissie voor de herziening van de Grondwet en de hervorming der instellingen uitgebracht door de heer Erdman, Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-19/2º, blz. 24, 26 en 27).
In de tweede plaats reikt het wetsvoorstel en inzonderheid het voorgestelde artikel 3 op het vlak van de rechterlijke organisatie een oplossing aan voor de regeling van conflicten die zouden kunnen ontstaan in geval van samenloop van een parlementair en een gerechtelijk onderzoek.
Zo voorziet het voormelde artikel 3 in de aanstelling van een magistraat voor het uitvoeren van bepaalde onderzoeksdaden.
Voorts wordt bepaald dat, wanneer een parlementaire onderzoekscommissie inzage wenst te krijgen van bepaalde stukken uit een gerechtelijk dossier, ze daartoe een verzoek dient te richten tot de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair hof.
Indien deze laatste bij gemotiveerde beslissing meent hierop niet te kunnen ingaan, kan de commissie daartegen bezwaar indienen bij een ad hoc- college, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof.
Het feit dat zowel aan de magistratuur als aan het Arbitragehof nieuwe bevoegdheden worden toegekend, toont duidelijk aan dat het wetsvoorstel zowel de organisatie van de hoven en rechtbanken betreft als die van het Arbitragehof, waarvoor Kamer en Senaat krachtens artikel 77, eerste lid, 3º en 9º, van de Grondwet gelijkelijk bevoegd zijn.
Deze interpretatie is trouwens volledig in overeenstemming met het advies van de Raad van State volgens hetwelk de rechterlijke organisatie niet strikt formeel, maar in materiële zin moet worden omschreven : « ter wille van de strekking van de tekst van de Grondwet, alsook van de bevattelijkheid en de samenhang ervan moeten de procedures van het volledige bicameralisme zowel toepasselijk zijn op de organisatie van de hoven en rechtbanken als op de vaststelling van hun bevoegdheden » (Advies van de Raad van State over het wetsvoorstel houdende regeling van de vrijwillige gemeenschapsdienst van jongeren, Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-7/2, blz. 4-5).
De bovenstaande argumentatie verantwoordt derhalve ruimschoots het voorgestelde artikel 1 van het voorstel luidens hetwelk deze wet een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
De minister legt de commissie een nota voor waarin hij zijn visie op de beide wetsvoorstellen toelicht en een aantal knelpunten signaleert.
Aangezien er omtrent de toepassing van de door de artikelen 77 en 78 van de Grondwet bepaalde wetgevende procedures nog veel onzekerheid bestaat en allerlei problemen opduiken, verklaart de minister enig voorbehoud te maken ten aanzien van de stelling dat de beide wetsvoorstellen volgens de verplicht bicamerale procedure bedoeld in artikel 77 van de Grondwet dienen te worden behandeld.
De complexiteit van de materie en inzonderheid de problematiek van de zogeheten gemengde wetsvoorstellen en wetsontwerpen welke zowel bepalingen bevatten die onder de volledig bicamerale procedure vallen (artikel 77 van de Grondwet) als bepalingen die onder de optioneel bicamerale procedure ressorteren (artikel 78 van de Grondwet), vergen derhalve een omzichtige benadering.
Artikel 2 van het wetsvoorstel wijzigt artikel 3 van de wet van 3 mei 1880 in die zin, dat er een discretieplicht wordt ingebouwd voor alle personen die niet-openbare zittingen bijwonen, in welke hoedanigheid ook. Deze discretieplicht is zeker nodig voor de goede werking van een onderzoekscommissie, maar de vraag is of deze ook zal worden nageleefd indien de overtreding ervan niet gesanctionneerd wordt. De drempel om bepaalde onthullingen te doen over de werkzaamheden van de commissie blijft laag. Het toepassen van een gepaste sanctie zal de discretieplicht wellicht veel effectiever maken. Eventueel kan voor de sanctie naar artikel 458 van het Strafwetboek worden verwezen, dat de schending van het beroepsgeheim bestraft.
Langs de andere kant is niet voor iedere onderzoekscommissie discretie noodzakelijk en moet zeker worden bepaald dat de Kamer die discretieplicht kan opheffen, hetgeen dit wetsvoorstel trouwens doet.
3. De bevoegdheden van parlementaire
onderzoekscommissies
Artikel 3 van het wetsvoorstel wijzigt artikel 4 van de wet van 3 mei 1880 grondig. Hierbij rijzen verschillende problemen.
Rekening houdend met de scheiding der machten, dienen de bevoegdheden van de onderzoekscommissies goed te worden afgebakend. De commissie voert geen gerechtelijk onderzoek uit en is dus niet gelijk te stellen met de onderzoeksrechter. De commissie krijgt daarentegen wel dezelfde bevoegdheden. De opheffing van de verwijzing naar de onderzoeksrechter in paragraaf 1 maakt dit voldoende duidelijk. Het wetsvoorstel heft het huidige tweede lid van artikel 4 op luidens hetwelk de Kamer telkens als zij een onderzoek gelast, die bevoegdheden kan beperken. De Kamer kan op voorhand inderdaad niet weten welke onderzoeksmaatregelen al dan niet nodig zullen zijn voor het onderzoek. Toch lijkt het nuttig om de mogelijkheid voor de Kamer om de onderzoeksmaatregelen te beperken, te behouden, zij het dan in de loop van het onderzoek. Dan pas kan duidelijk worden welke maatregelen nodig zijn, en zo wordt ook vermeden dat er onnuttige, tijdrovende en inefficiënte maatregelen worden genomen.
Wat de opdracht van de commissie betreft, is er geen bezwaar tegen de uitbreiding of de beperking ervan in de loop van het onderzoek.
b) De concrete onderzoeksdaden
In paragraaf 2 van het voorgestelde nieuwe artikel 4 wordt de mogelijkheid gecreëerd om voor het stellen van bepaalde concrete onderzoeksdaden een beroep te doen op een magistraat. Paragraaf 3 stelt deze aanstelling verplicht voor de delicate maatregelen van inbeslagneming van materiële goederen en huiszoeking. Er is echter nog een maatregel die een ernstige schending inhoudt van de privacy, met name het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie, geregeld door de artikelen 90ter tot en met 90decies van het Wetboek van Strafvordering. Het lijkt raadzaam om ook voor de uitvoering van deze ingrijpende maatregel door de onderzoekscommissie de aanstelling van een magistraat verplicht te stellen. Ook hier is voor de bescherming van de belangen van de betrokken partijen de ervaring van de magistraat zeer nuttig.
Met betrekking tot de eigenlijke aanstelling van de magistraat rijst volgens de minister nog een probleem inzake de scheiding der machten. Het lijkt strijdig te zijn met dit beginsel dat de magistraat rechtstreeks aangesteld wordt door de commissie en onder het gezag van diens voorzitter werkt. Een alternatief is dat de commissie een vraag richt tot de eerste voorzitter van het hof van beroep die de magistraat aanstelt. De magistraat werkt dan onder toezicht en leiding van de eerste voorzitter en brengt aan deze verslag uit. De eerste voorzitter maakt dan het verslag op voor de onderzoekscommissie met daarin het resultaat van het onderzoek. Zo is er eerder sprake van samenwerking dan van de controle die in het voorstel gesuggereerd wordt. In de artikelsgewijze toelichting zegt men eerst dat de magistraat lid blijft van de rechterlijke macht, onder meer inzake onafhankelijkheid, maar dan wordt toch een systeem van toezicht en leiding van de voorzitter van de commissie ingebouwd. Dit is contradictorisch en druist in tegen de scheiding der machten. Het voorgestelde alternatief legt de nadruk op de samenwerking tussen gerecht en onderzoekscommissie en is conform de principes van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
Wat het regime van de inbeslaggenomen goederen betreft, wordt in artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering gesteld dat de bepalingen van de artikelen 35, 36, 37, 38 en 39 ook voor de onderzoeksrechter gelden. Het ligt voor de hand deze dan ook toe te passen op de parlementaire onderzoekscommissies; zij hebben niet alleen de bevoegdheden die het Wetboek van Strafvordering hun toekent, maar ook de verplichtingen die daaruit volgen. Dit geldt niet alleen wat de inbeslagneming betreft, maar ook met betrekking tot alle andere onderzoeksbevoegdheden (bij voorbeeld het verhoor van getuigen).
4. Samenloop van het parlementair en het
gerechtelijk onderzoek
a) Het inzagerecht van parlementaire onderzoekscommissies
Een delicaat thema dat al voor veel verzet heeft
gezorgd bij de magistratuur is het inzagerecht van de onderzoekscommissies in gerechtelijke dossiers. Dit recht creëert het gevoel dat er een controle wordt uitgeoefend op de rechterlijke macht, hetgeen strijdig zou zijn met de scheiding der machten. Toch maakt het uitsluiten van dit recht het in sommige gevallen onmogelijk een goed onderzoek te verrichten. Er moet natuurlijk ook rekening worden gehouden met de rechten van de verdediging. De voorgestelde regeling zegt dat het de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het Militair hof is die beslist of het inzagerecht al dan niet wordt verleend.
Bij weigering tot verlening van het inzagerecht wordt een arbitrageprocedure voorgesteld bij een ad hoc -college samengesteld uit leden van het Arbitragehof. Deze procedure lijkt volgens de minister moeilijk verdedigbaar. De bevoegdheid van het Arbitragehof houdt nooit in dat het tussenkomt in conflicten tussen de wetgevende en de rechterlijke macht. Het Arbitragehof doet enkel uitspraak over conflicten tussen wet en decreet. In het advies dat een aantal constitutionalisten en penalisten gaven over « Vraagstukken die rijzen in geval van samenloop van een parlementair en een gerechtelijk onderzoek » (Gedr. St., Vl. R., B.Z. 1988, nr. 126/1) zegt men bovendien :
« Feiten die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een onderzoek in strafzaken kunnen niet ter kennis worden gebracht van of onderzocht worden door een commissie van onderzoek van een parlementaire instelling middels stukken die deel uitmaken van een gerechtelijk dossier, dan met de toestemming van de procureur-generaal bij het hof van beroep, waar het dossier berust. Aan deze magistraat komt het toe te beslissen of een gerechtelijk dossier geheel of ten dele aan een parlementaire commissie van onderzoek kan worden overgelegd. Niemand kan hem daartoe dwingen. Zelfs een bevel van de rechter vermag dit niet. De minister van Justitie kan hem daartoe niet de opdracht geven; de minister heeft slechts een recht van inzage van het dossier, zonder de bevoegdheid van de mededeling ervan aan derden, ook niet aan een parlementaire onderzoekscommissie. »
Bovendien stelt het Hof van Cassatie dat de hoven en rechtbanken niet bevoegd zijn aan het openbaar ministerie het bevel te geven een strafdossier aan een rechtbank mee te delen, wegens de exclusieve bevoegdheid van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep (Cass., 21 juni 1974, Pas. I, 1096).
Met andere woorden, het komt alleen de procureur-generaal toe hierover te beslissen : hij is daarvoor exclusief bevoegd. In geval van weigering is het juridisch niet verdedigbaar dit conflict aan een arbitragecollege voor te leggen. Het enige wat men wellicht kan doen is in de wet aangeven dat de procureur-generaal een grondige afweging doet van alle betrokken publieke en private belangen, in het bijzonder het belang van het onderzoek, de exclusieve bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in strafzaken en de rechten van de verdediging. Een eventuele weigering tot verlening van het inzagerecht moet dan uitvoerig worden gemotiveerd, zonder dat daartegen een rechtsmiddel openstaat. Eventueel kan de mogelijkheid van een overleg tussen de voorzitter van de commissie en de procureur-generaal worden ingebouwd om zo tot een compromis of een vergelijk te komen. Dit overleg moet dan wel in de wet worden bepaald en van het overleg en de conclusies die eraan verbonden worden, moet een schriftelijk verslag worden opgesteld dat aan het eindverslag van de onderzoekscommissie wordt toegevoegd.
In het wetsvoorstel wordt expliciet melding gemaakt van het verbod van zelfincriminatie, dit is de regel van behoorlijke strafrechtsbedeling die zegt dat niemand verplicht kan worden tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen. Op het eerste gezicht dient dit beginsel slechts te worden nageleefd bij het vervolgen en bestraffen van misdrijven in een strafprocedure, maar deze regel moet breder worden geïnterpreteerd. Aangezien uit artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat ook een onderzoekscommissie aangifte moet doen van misdrijven die haar ter kennis komen, kan ook zij niemand verplichten getuigenissen af te leggen die in een hangende of eventueel in te stellen strafprocedure tegen hem kunnen worden gebruikt. Het horen van een getuige die beklaagde is in een gerechtelijke procedure, is dus ook aan deze regel onderworpen. Dat dit expliciet in de tekst is opgenomen, is dus eigenlijk niet nodig, maar kan het alleen maar duidelijker maken.
Het laatste lid van het gewijzigde artikel 8 houdt tevens in dat men het beroepsgeheim ook voor een parlementaire onderzoekscommissie kan inroepen om getuigenis te weigeren. Getuigen mogen natuurlijk wel, indien zij dit noodzakelijk achten, vrijwillig beroepsgeheimen onthullen voor de commissie. De wijziging van artikel 458 van het Strafwetboek die daarmee gepaard gaat (in artikel 8 van het wetsvoorstel), gaat echter veel te ver. Na aanpassing aan het wetsvoorstel zou dit artikel als volgt luiden :
« Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in recht getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet of een parlementaire onderzoekscommissie hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank. »
Volgens de minister gaat dit duidelijk veel te ver : een parlementaire onderzoekscommissie mag zich niet in de plaats stellen van de wet en iemand verplichten beroepsgeheimen bekend te maken. Dit is exclusief voorbehouden aan de wet. De wet van 3 mei 1880 op de parlementaire onderzoekscommissies kan niet worden gezien als een dergelijke wet die de onthulling van beroepsgeheimen verplicht stelt. De wet die de gevallen aanduidt waar het beroepsgeheim niet kan worden ingeroepen, doet dit op een abstracte en algemene manier, op basis van objectieve criteria. Indien dit recht aan een parlementaire onderzoekscommissie zou worden toegekend, zou dit op een concrete en geïndividualiseerde manier gebeuren en bestaat het gevaar van willekeur. Dit is een domein dat exclusief aan de wetgever moet voorbehouden blijven.
Aangezien het getuigen voor een onderzoekscommissie ook niet kan worden gezien als een « getuigenis in rechte », is toch een aanpassing van dit artikel nodig. Daartoe zouden de woorden « of voor een parlementaire onderzoekscommissie » moeten worden ingevoegd tussen de woorden « in recht » en « getuigenis ». Het wetsvoorstel is een schending van het beginsel van de scheiding der machten, in die zin dat bij voorbeeld een onderzoekscommissie onmogelijk een magistraat kan verplichten zijn beroepsgeheim te onthullen.
5. Parlementaire onderzoekscommissies in de
Gemeenschaps- en Gewestraden
Op grond van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is het recht van onderzoek ook toegekend aan de communautaire en regionale parlementaire instellingen. In navolging van artikel 56 van de Grondwet bepaalt artikel 40 van de bijzondere wet, dat elke Raad het recht van onderzoek heeft.
Artikel 28 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen verklaart artikel 40 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van toepassing op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Diezelfde toepasselijkheidsverklaring vindt men terug in artikel 44 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen van de Duitstalige Gemeenschap.
Dit wil concreet zeggen dat de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad, de Franse Gemeenschapsraad, de Duitse Gemeenschapsraad en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad elk het recht van onderzoek hebben. Voor de normering van dit recht van onderzoek namen de deelparlementen geheel of gedeeltelijk de inhoud van de wet van 3 mei 1880 over. Dit gebeurde onder meer door het decreet van de Vlaamse Raad van 20 maart 1984, het decreet van de Franse Gemeenschapsraad van 12 juni 1981 en het decreet van het Waalse Gewest van 15 september 1982 (dit laatste maakt enkel de wet van 3 mei 1880 toepasselijk op de uitoefening van het recht van onderzoek door de Waalse Gewestraad).
De eerste parlementaire onderzoekscommissie in de Vlaamse Raad was de commissie van onderzoek over het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, opgericht bij decreet van 20 maart 1986. Het was deze commissie die aanleiding gaf tot het hogervermelde advies van constitutionalisten en penalisten.
Met betrekking tot het onderzoeksrecht van de deelparlementen dienen de volgende opmerkingen te worden gemaakt :
Een parlementaire onderzoekscommissie van een deelparlement kan geen bevoegdheden aanwenden die luidens de Grondwet slechts op grond van een wet mogen worden toegepast. Dit is het geval voor de huiszoeking (artikel 15 van de Grondwet) en de opheffing van het briefgeheim (artikel 29 van de Grondwet). Men kan zich ook de vraag stellen of een dergelijke commissie de aflegging van de eed kan opleggen. Artikel 192 van de Grondwet schrijft immers voor dat geen eed kan worden opgelegd dan krachtens een wet, en de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bevat hieromtrent geen enkele bepaling.
Ook de staatshervorming kent gevolgen voor de bevoegdheden van de parlementaire onderzoekscommissies. De onderwerpen van de parlementaire onderzoeken zijn immers beperkt tot de aangelegenheden waarvoor de Staat, de Gemeenschappen of de Gewesten wetgevende en/of bestuurlijke bevoegdheid hebben. Deze beperking gebeurde op grond van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van Staat, Gemeenschappen en Gewesten. Een parlementair onderzoek met het oog op wetgevend initiatief is immers niet zinvol, wanneer de bevoegdheid tot dit initiatief ontbreekt.
Niettemin kunnen moeilijkheden rijzen wanneer de federale wet van 3 mei 1880 wordt gewijzigd. Het lijkt immers praktisch moeilijk wanneer de hogervermelde decreten bij de oude regeling zouden blijven. Getuigen die worden gehoord voor zowel een federale als een communautaire of regionale parlementaire onderzoekscommissie zouden dan kunnen worden geconfronteerd met verschillende procedures en verschillende rechten en plichten. Er is dan ook overleg nodig tussen Staat, Gemeenschappen en Gewesten om tot een uniforme regeling te komen.
De minister verklaart geen fundamentele bezwaren te hebben tegen de onderhavige wetsvoorstellen. Dat neemt niet weg dat ze op de volgende punten toch zouden moeten worden bijgeschaafd.
Het inbouwen van een discretieplicht lijkt van weinig nut te zijn indien aan de schending ervan geen sanctie verbonden is.
De mogelijkheid voor de Kamer om de onderzoeksmaatregelen te beperken in de loop van het onderzoek, moet behouden blijven.
In de reeks onderzoeksdaden waarvoor de aanstelling van een magistraat verplicht is, moet de maatregel tot het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie worden opgenomen.
De aanstelling van de magistraat door de commissie en de leiding en het toezicht van de voorzitter van de commissie kunnen strijdig zijn met het beginsel van de scheiding der machten. Moet de nadruk niet meer op samenwerking dan op controle liggen ?
Het inzagerecht kan enkel en alleen door de procureur-generaal worden verleend. Een beroepsprocedure bij een arbitragecollege lijkt juridische problemen te doen rijzen. Eventueel kan in een procedure van overleg tussen de procureur-generaal en de voorzitter van de onderzoekscommissie worden voorzien.
Het beroepsgeheim kan worden opgeworpen voor een parlementaire onderzoekscommissie, maar deze commissie kan onmogelijk een getuige tot de onthulling van een beroepsgeheim verplichten. Dat kan enkel in de door de wet bepaalde gevallen. Druist het voorstel van de heer Vandenberghe c.s. op dit punt niet in tegen het beginsel van de scheiding der machten ?
Het recht van onderzoek is ook toegekend aan de Gemeenschaps- en Gewestassemblées. Deze hebben grotendeels de regeling van de wet van 3 mei 1880 overgenomen. Bij wijziging van deze wet zal wellicht overleg nodig zijn tussen Staat, Gemeenschappen en Gewesten om tot een min of meer uniforme regeling te komen.
De indiener van het wetsvoorstel verheugt zich over de constructieve houding van de minister. Toch verklaart hij enigszins verrast te zijn door bepaalde opmerkingen omdat er blijkbaar geen rekening werd gehouden met het feit dat zijn voorstel gebaseerd is op de conclusies van de gemengde werkgroep belast met het onderzoek van de wet van 3 mei 1880 (cf. Inleiding).
Een en ander neemt niet weg dat een wet betreffende de uitoefening van het parlementair onderzoeksrecht niet in alle mogelijke hypotheses kan voorzien en wellicht steeds tot toepassingsproblemen aanleiding zal geven.
Dit mag echter geen beletsel zijn om de wet van 3 mei 1880 ingrijpend te wijzigen.
1. Verplicht bicameraal karakter van de
wetsvoorstellen
Met betrekking tot de vraag of de beide wetsvoorstellen al dan niet volgens de verplicht bicamerale procedure moeten worden behandeld, schaart de commissie zich achter het argument dat de rechtsgrond voor de toepassing van deze procedure in artikel 77, eerste lid, 2º, van de Grondwet moet worden gezocht.
De minister handhaaft zijn voorbehoud. De Grondwet leent zich zijns inziens niet tot interpretaties waarbij naar gelang van het geval de voorkeur wordt gegeven aan deze of gene invalshoek.
In de argumentatie die de heer Vandenberghe heeft ontwikkeld, wordt zo de sprong gemaakt tussen enerzijds aangelegenheden die door de beide Kamers dienen te worden geregeld en anderzijds aangelegenheden die de beide Kamers aanbelangen.
Deze interpretatie moet op haar mogelijke consequenties worden getoetst om te vermijden dat deze lezing van artikel 77 van de Grondwet een precedentwaarde zou krijgen die men achteraf zou betreuren.
Hoewel de verwijzing naar artikel 77 in artikel 1 van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe c.s. ten gronde geen problemen lijkt te stellen, zou het volgens de minister toch wenselijk zijn dat de parlementaire overlegcommissie een procedure zou vaststellen, waarbij de op een wetsvoorstel toe te passen wetgevende procedure vóór het begin van de bespreking definitief zou worden bepaald.
De kwestie van de zogeheten gemengde wetsvoorstellen en wetsontwerpen die zowel bepalingen bevatten die onder artikel 77 van de Grondwet vallen (verplicht bicameraal) als bepalingen die onder artikel 78 van de Grondwet ressorteren (optioneel bicameraal), behoeft eveneens een snelle oplossing.
Ter illustratie verwijst hij naar de problemen die tussen Kamer en Senaat zijn gerezen over het wetsontwerp strekkende tot de bespoediging van de procedure voor het Hof van Cassatie en inzonderheid over de vraag of het al dan niet een aangelegenheid regelt zoals bepaald in artikel 77 van de Grondwet (Gedr. St., Senaat, B.Z. 1995, nr. 1-52/1 en 1995-1996, nrs. 1-52/2-6).
De commissie is het niet eens met deze bezwaren en stelt dat de door de heer Vandenberghe aangevoerde middelen genoegzaam hebben aangetoond dat de beide wetsvoorstellen niet als gemengd kunnen worden beschouwd.
2. De openbaarheid van de vergaderingen
van de parlementaire onderzoekscommissies
en de discretieplicht
Het voorgestelde artikel 3, vierde en vijfde lid, bepaalt dat de leden van de commissie alsmede degenen die in welke hoedanigheid ook de werkzaamheden ervan bijwonen of eraan deelnemen, tot discretie zijn gehouden ten aanzien van de informatie verstrekt tijdens de niet-openbare zittingen van de commissie. De commissie kan de discretieplicht opheffen.
Een lid juicht de in het voorgestelde artikel 3 vervatte bepaling toe die komaf maakt met het gesloten karakter van de parlementaire onderzoekscommissies. Hij betoont zich principieel voorstander van openbare vergaderingen tenzij de commissie om gemotiveerde redenen anders beschikt.
Deze werkwijze bevordert niet alleen de transparantie van de commissiewerkzaamheden, maar zal ook een positief effect hebben op de publieke opinie.
Een bijkomend voordeel is dat de gevallen waarin de commissieleden tot discretie zijn gehouden, gelimiteerd zijn en het voorwerp hebben uitgemaakt van een tegensprekelijk debat binnen de commissie waarbij de argumenten pro en contra openbaarheid tegen elkaar zijn afgewogen.
Op deze wijze zullen de leden minder geneigd zijn de discretieplicht te doorbreken. Thans huldigen sommige leden van parlementaire onderzoekscommissies de mening dat deze plicht niet opweegt tegen het recht op informatie van de publieke opinie.
Daarenboven heeft het parlementair onderzoek inzake de bestrijding van het banditisme en het terrorisme uitgewezen dat de meest waardevolle getuigenissen in publieke zitting werden afgelegd (Gedr. St., Kamer, 1988, nrs. 59/1-10). Het feit dat een commissie met gesloten deuren vergadert, vormt geenszins een waarborg voor de openheid van de getuigen, zelfs wanneer die door de minister van hun zwijgplicht zijn ontheven. Het voorbeeld hiervan werd geleverd door de Senaatscommissie belast met een parlementair onderzoek met betrekking tot het bestaan in België van een clandestien internationaal inlichtingennetwerk, de zogenaamde Gladiocommissie (Verslag namens de onderzoekscommissie uitgebracht door de heren Erdman en Hasquin, Gedr. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1117-4).
De rapporteur, die de Bendecommissie heeft voorgezeten, sluit zich hierbij aan. De grootste problemen zullen zich voordoen wanneer in geval van samenloop van een gerechtelijk en een parlementair onderzoek, de onderzoekscommissie magistraten wenst te horen.
De opmerking dat bij het onderzoek van de Bendecommissie de meest verhelderende getuigenissen in openbare vergadering werden afgelegd, moet evenwel worden genuanceerd.
Sommige getuigen hebben hem als voorzitter er vooraf op gewezen dat zij in een publieke vergadering niet volledig vrijuit zouden spreken. Het is wel voorgevallen dat, wanneer hun de nodige discretie werd gegarandeerd, zij zich niet op hun zwijgplicht krachtens artikel 458 van het Strafwetboek hebben beroepen.
Een ander aspect van het principieel open karakter van de parlementaire onderzoekscommissie is dat zij slechts om gemotiveerde redenen kan beslissen met gesloten deuren zitting te houden. Dit vergt een debat dat niet altijd objectief zal verlopen omdat er vanuit de buitenwereld druk zal worden uitgeoefend om voor de ene of de andere werkwijze te kiezen.
Aldus kan de commissie in een slecht daglicht komen te staan.
Een lid dat de « Gladiocommissie » heeft voorgezeten, sluit zich aan bij de opmerkingen van de vorige spreker over het horen van getuigen in een publieke vergadering.
Hij wijst erop dat die commissie er niet in geslaagd zou zijn getuigen een verklaring te laten afleggen indien de vergaderingen publiek waren geweest. Wanneer het gaat om getuigen die, zoals ambtenaren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Staat, het beroepsgeheim in acht moeten nemen, hangt de doeltreffendheid van de verhoren in hoge mate af van de graad van vertrouwelijkheid waarmee hun verklaringen worden behandeld.
Er zijn zelfs gevallen geweest waarin een getuige enkel voor de voorzitter van de onderzoekscommissie een verklaring wou afleggen. In andere omstandigheden zou de betrokkene nooit hebben aanvaard verklaringen van enige betekenis af te leggen die een nieuw licht op de zaak konden werpen.
Met betrekking tot getuigen die slechts met gesloten deuren wensen te worden gehoord, merkt een lid op dat de ervaring heeft geleerd dat personen die op geheimhouding aandrongen om belangwekkende verklaringen te kunnen afleggen, daarvan eigenlijk misbruik maakten om te vermijden dat hun getuigenis werd gecontroleerd.
Op deze wijze verzekerden zij zich van een geprivilegieerde positie in het onderzoek.
Achteraf bleek niet zelden dat hun verhaal op losse schroeven stond en weinig om het lijf had.
Een lid merkt op dat, wanneer men een getuige de geheimhouding van zijn verklaring toezegt, zulks geenszins verhindert dat de gegrondheid van zijn verklaringen door een gerechtelijke instantie wordt onderzocht noch dat, in voorkomend geval, rechtsvervolging wordt ingesteld wegens het afleggen van een vals getuigenis.
Wie voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigt op voorwaarde dat zijn getuigenis geheim wordt gehouden, ontsnapt niet aan elke straf omdat de vergadering met gesloten deuren is gehouden.
De verzoeken om geheimhouding moeten derhalve met de nodige omzichtigheid worden behandeld.
Quid wanneer een parlementaire onderzoekscommissie bij voorbeeld ambtenaren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van de Staat wenst te horen ?
Verschillende leden betreuren dat aan de schending van de discretieplicht geen sanctie is gekoppeld.
Indien een parlementaire onderzoekscommissie inzage krijgt van een strafdossier, zonder dat haar leden er strafrechtelijk toe gehouden zijn hierover de geheimhouding te bewaren, bestaat de kans dat er informatie uit dit dossier wordt gelekt waardoor zowel het geheim karakter als de efficiëntie van het gerechtelijk onderzoek in het gedrang worden gebracht.
Wanneer aan de onderzoekscommissies bepaalde rechten en bevoegdheden worden toegekend, moeten daartegenover ook een aantal verplichtingen staan. Zo moeten de commissies zich ervoor hoeden zich in de plaats van de rechterlijke macht te stellen door over specifieke dossiers een oordeel uit te spreken.
Er zal dus een evenwicht moeten worden gevonden tussen enerzijds het principe van de openbaarheid en anderzijds de vereiste van discretie wanneer de commissie onder welbepaalde voorwaarden met gesloten deuren vergadert om gevoelige informatie te kunnen verkrijgen.
Indien men de slagkracht van de onderzoekscommissies wenst te vergroten, moeten er ten aanzien van de commissieleden, naar analogie van hetgeen geldt voor zij die bij het gerechtelijk onderzoek betrokken zijn, regels worden ingevoerd die de geheimhouding verzekeren van de informatie die tijdens niet-openbare zittingen is verstrekt, eventueel zelfs strafbepalingen ten aanzien van parlementsleden.
Het spreekt vanzelf dat dit debat slechts moet worden gevoerd voor zover het principe van het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek in zijn huidige vorm behouden blijft.
De terughoudendheid die sommigen ten opzichte van de openbaarheid aan de dag leggen, is mee te verklaren door het feit dat de voormelde commissies een onderzoek voeren volgens de regels die voor het gerechtelijk onderzoek gelden. Een van de essentiële kenmerken van dit onderzoek is zijn geheim karakter.
Nochtans wordt dit principe meer en meer in vraag gesteld. Zo verstrekken de woordvoerders van het parket bepaalde informatie over lopende dossiers. Tevens gaan er stemmen op om aan bepaalde partijen een inzagerecht toe te kennen vooraleer het dossier afgesloten is.
Een en ander wijst erop dat het principe van het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek niet meer als absoluut wordt ervaren en men zich op dit vlak op een keerpunt bevindt.
Het lijdt geen twijfel dat deze evolutie repercussies zal hebben op de wijze waarop een parlementaire onderzoekscommissie optreedt.
De indiener van het wetsvoorstel beklemtoont dat in deze discussie het principe niet uit het oog mag worden verloren dat het Parlement de plaats bij uitstek is waar de vrijheid van meningsuiting onbeperkt en ongebonden moet heersen (cf. artikel 58 van de Grondwet).
Vanuit dat standpunt gaat het zijns inziens te ver dat bepaalde verklaringen van parlementsleden aanleiding zouden kunnen geven tot een strafvervolging. Indien een sanctie wordt overwogen, dan dient deze van politieke aard te zijn, in die zin dat aan de publieke opinie duidelijk zou worden gemaakt dat een lid van de onderzoekscommissie de discretieplicht heeft geschonden.
Spreker kan wel aanvaarden dat parlementsleden in bepaalde omstandigheden een deontologische discretieplicht in acht moeten nemen. In tegenstelling tot het Amerikaans Congres beschikken onze assemblées echter niet over zogenaamde ethische commissies. Tijdens de vorige zittingsperiode is binnen de Senaat wel gedebatteerd over de vraag of de Commissie voor de Justitie ook over de parlementaire deontologie zou moeten waken. Deze commissie zou dan buiten een strikt strafrechtelijk kader de problemen kunnen behandelen die met de mogelijke schending van de deontologie verband houden.
Een ander lid kant zich eveneens tegen een bepaling die parlementsleden strafbaar zou stellen wegens de miskenning van de discretieplicht. In de eerste plaats is het Parlement en dus ook elk parlementslid ten aanzien van de kiezer verantwoording verschuldigd voor de wijze waarop het zijn bevoegdheden respectievelijk mandaat uitoefent. Het invoeren van een discretieplicht is regelrecht in strijd met de transparantie waarvan het Parlement blijk moet geven.
Ten tweede wordt de discretieplicht dermate frequent aangevoerd ter rechtvaardiging van een stilzwijgen, dat er als het ware een cultuur is gegroeid waarbij alles en nog wat in een waas van geheimhouding wordt gehuld. Deze vrees voor openheid dient het algemeen belang niet.
In bepaalde landen worden personen die bepaalde zaken aan het licht brengen, de zogenaamde klokkenluiders, wettelijk beschermd tegen de schending van de geheimhoudingsplicht.
Zo kent men in de Verenigde Staten de « whistle blower protection Act » die onder welbepaalde voorwaarden bescherming biedt aan de « klokkenluiders ».
In dezelfde lijn zou ook in de strijd tegen de georganiseerde misdaad aan de zogenaamde pentiti een wettelijke bescherming moeten worden geboden.
Het voordeel van het principe van de openbaarheid van de commissievergaderingen is dat het de achterdocht van de publieke opinie kan doen wegebben, welke deels te wijten is aan de discretie waarmee zaken van openbaar belang worden afgehandeld.
In navolging van de rechtspraak over het E.V.R.M. dat « justice must not only be done, but seen to be done », dient ook inzake parlementaire onderzoekscommissies naar openheid te worden gestreefd.
Dat dit een heilzaam effect heeft op de publieke opinie en haar een beter inzicht verschaft in de werking van de democratie, moge blijken uit de mediabelangstelling die de Nederlandse commissie geniet die belast is met het onderzoek naar de speciale opsporingstechnieken van de politiediensten (de zogenaamde commissie-van Traa).
Op het scherm kan men rechtstreeks de werkzaamheden van deze commissie volgen met onder meer het horen van politiemensen, magistraten en gewezen ministers.
Een dergelijke openheid neemt het wantrouwen weg van het grote publiek ten aanzien van de politiek en het gerecht. Tevens zal worden aanvaard dat in welbepaalde gevallen om precieze redenen afgeweken wordt van het principe van het openbaar karakter van de commissievergadering, bij voorbeeld om getuigen te beschermen.
Een en ander kan misschien bijdragen tot de ontwikkeling van een cultuur van respect voor het Parlement.
Wat dit inhoudt, werd in Nederland aangetoond met de afzetting van een procureur-generaal die tegenover een parlementaire onderzoekscommissie onjuiste verklaringen had afgelegd. In de Verenigde Staten lag een onderzoekscommissie van het Congres aan de basis van het ontslag van president R. Nixon.
Als besluit stelt spreker dat de beslotenheid van het onderzoek de uitzondering moet zijn op het algemeen principe van de openbaarheid van de commissievergaderingen. Dit impliceert dat de plicht tot discretie slechts geldt voor de vergaderingen met gesloten deuren. De beslissing om af te wijken van de regel van de openbaarheid, moet derhalve functioneel gemotiveerd zijn in het belang van het onderzoek, bij voorbeeld om bepaalde personen te beschermen. Indien er in een sanctie zou worden voorzien, dan zou die uitsluitend door de betrokken Kamer mogen worden opgelegd.
De vorige spreker verklaart zich bereid deze redenering te volgen. Men mag evenwel niet uit het oog verliezen dat de strikte toepassing van het beginsel van de openbaarheid geen afbreuk mag doen aan de efficiënte werking van de onderzoekscommissie, in die zin dat men minder gemakkelijk tot onthullingen zal overgaan en dat de opdracht van de commissie bijgevolg in het gedrang zou kunnen komen.
Een ander moeilijk te verhelpen nadeel van het openbare karakter van de vergaderingen heeft te maken met het feit dat getuigen zonder scrupules hiervan gebruik kunnen maken om door afleidingsmanoeuvers verwarring te zaaien.
Ten derde moet rekening worden gehouden met de persoonlijkheidsrechten. Zo kan een onderzoekscommissie het zich niet veroorloven een loopje te nemen met het beroepsgeheim.
In eeen democratische maatschappij moet dan ook worden gezocht naar een evenwicht tussen transparantie en openbaarheid enerzijds en de persoonlijkheidsrechten anderzijds. Het verbreken van dit evenwicht vormt een aanwijzing dat een maatschappij aan het afglijden is naar een totalitair stelsel.
Een volgende spreker stelt dat men moet afstappen van de benadering volgens welke wettelijke regels altijd met sancties gepaard moeten gaan.
Zo bepaalt artikel 16, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis dat het bevel tot aanhouding niet mag worden uitgevaardigd met het oog op de onmiddellijke bestraffing, noch met het oog op de uitoefening van enige andere vorm van dwang.
In navolging van de voorgaande bepaling zou ook de discretieplicht als een soort « guide-line » kunnen worden geformuleerd.
3. De bevoegdheden van parlementaire onderzoekscommissies
a) Verwijzing naar de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie
Een lid is van mening dat in een organieke wet over de parlementaire onderzoekscommissies niet alle maatregelen moeten worden vermeld die deze commissies kunnen aanwenden om hun taak te vervullen.
Een verwijzing naar het Wetboek van Strafvordering in het voorgestelde artikel 4 zou daartoe volstaan.
b) Aanstelling van een magistraat door de onderzoekscommissie
De indiener van het wetsvoorstel merkt op dat het aan de commissie en niet aan haar voorzitter toekomt om de onderzoeksopdrachten van de magistraat te bepalen.
In de samenstelling van de commissie ligt de waarborg besloten dat er geen willekeurige verzoeken tot de aangestelde magistraat zullen worden gericht.
Een lid wijst erop dat het voorgestelde systeem een soort delegatie van een magistraat naar de commissie inhoudt, hetgeen betekent dat de betrokken magistraat onder het toezicht van de commissie staat.
Gelet op het beginsel van de scheiding der machten kan men dus niet aanvaarden dat die magistraat nog onder toezicht van de rechterlijke macht zou blijven staan.
Verschillende leden scharen zich achter het voorstel dat de commissie een beroep zou moeten kunnen doen op de enquêtedienst van het Comité P, meer in het bijzonder voor specifieke verificaties, die als dusdanig geen onderzoeksdaden uitmaken.
4. Samenloop van het parlementair en het gerechtelijk onderzoek
Met betrekking tot de medewerking van gerechtelijke overheden aan de werkzaamheden van parlementaire onderzoekscommissies, is een lid van oordeel dat in de tekst een drieledig onderscheid zou moeten worden gehuldigd.
In de eerste plaats kan een Kamer krachtens artikel 56 van de Grondwet een onderzoek instellen betreffende een aangelegenheid waaromtrent geen gerechtelijk onderzoek loopt. In dergelijk geval zullen er wellicht geen problemen rijzen.
Een tweede hypothese is dat in de loop van een parlementair onderzoek bepaalde elementen aan het licht komen die wijzen op een mogelijke schending van strafrechtelijke bepalingen. Tot op heden geldt de regel dat, zodra een wetsovertreding wordt vastgesteld, die aan het parket moet worden meegedeeld (artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering).
De vraag rijst of het niet raadzaam is hiermee te wachten tot het parlementair onderzoek is afgerond. In bevestigend geval zou artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering wel moeten worden gewijzigd.
Tot slot is er de mogelijkheid dat er voor dezelfde aangelegenheid, los van elkaar, zowel een gerechtelijk als een parlementair onderzoek loopt.
Tot een recent verleden gold de regel dat het parlementair onderzoek werd stopgezet wanneer een gerechtelijk onderzoek over dezelfde zaak werd gevorderd.
Thans doet de visie opgang dat het gerechtelijk onderzoek slechts het penaal aspect van een zaak betreft zodat er geen beletsel bestaat om een parlementaire commissie te belasten met het onderzoek van de andere aspecten. Een parallellisme is derhalve mogelijk mits inachtneming van een bepaalde taakverdeling.
Vraag is hoe die samenwerking juist dient te verlopen. Quid met het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek ?
b) Samenwerking met het College van procureurs-generaal
De minister deelt mee dat het College van procureurs-generaal zich beraden heeft over de vraag op welke wijze een zo efficiënt mogelijke samenwerking kan worden bereikt tussen enerzijds de parlementaire onderzoekscommissies en anderzijds het openbaar ministerie en inzonderheid het parket-generaal.
Te dien einde stelt het College voor om in de aanvangsfase van het parlementair onderzoek een eventueel wettelijk verplichte overlegprocedure met het openbaar ministerie in te bouwen.
Tijdens dit overleg zou informatie worden uitgewisseld over het opsporings- en vervolgingsbeleid in de materie welke het voorwerp van het parlementair onderzoek uitmaakt, over in dat verband hangende gerechtelijke dossiers enzovoort. Tevens zouden de nodige concrete afspraken worden gemaakt onder meer inzake de complementariteit tussen het gerechtelijk en het parlementair onderzoek en over verdere gegevensverstrekking.
Een lid verheugt zich over dit initiatief, maar acht het niet wenselijk een wettelijke verplichting tot overleg in te voeren.
In de eerste plaats moet aan de onderzoekscommissies de vrijheid worden gelaten de personen of instanties te kiezen bij wie zij zich wensen te informeren.
Het is evident dat het openbaar ministerie hierbij op de eerste rij staat en als het ware een geprivilegieerde gesprekspartner is.
Daarenboven bestaat het gevaar dat, wanneer de wet uitsluitend in een overleg met het parket-generaal voorziet, andere personen of instanties hieruit de exceptie kunnen putten om elke medewerking aan een parlementaire onderzoekscommissie te weigeren.
Ten tweede is het niet uitgesloten dat een parlementair onderzoek wordt ingesteld omtrent een materie waar de rechterlijke macht niet bij betrokken is. In dat geval is een overleg met het parket zinloos of toch weinig opportuun.
Het is derhalve als een vorm van betutteling te beschouwen, wanneer bij wet wordt vastgesteld dat een onderzoekscommissie met het parket-generaal of enige andere instantie overleg dient te plegen.
Deze formele kritiek neemt echter niet weg dat het door het College van procureurs-generaal gesuggereerde overleg zeker in de aanvangsfase van het onderzoek de facto zou moeten plaatshebben. De onderzoekscommissies zouden zich in het kader van een zo ruim mogelijke voorlichting ertoe deontologisch verplicht moeten voelen de nodige contacten te leggen met het parket-generaal. Het volstaat de aansporing daartoe in de voorbereidende werken te vermelden.
De rapporteur wijst erop dat onderzoekscommissies zich in het verleden steeds omstandig hebben geïnformeerd, niet alleen bij het College van procureurs-generaal, maar ook bijvoorbeeld bij journalisten.
Dat is in het geval van de zogeheten Bendecommissie zelfs zo ver gegaan dat de commissie haar besluiten vóór de goedkeuring van haar verslag aan het College heeft voorgelegd.
Spreker pleit derhalve voor overleg en consultatie, maar kant zich tegen de wettelijke verplichting daartoe.
Naast de twee hiervoor aangehaalde argumenten, schuift hij nog een derde reden naar voren.
De wettelijke verplichting tot overleg met het parket-generaal zou de indruk kunnen wekken dat een parlementaire onderzoekscommissie van meetaf aan op alle punten onder de voogdij van het College van procureurs-generaal staat. Het is daarom wenselijk dat iedere onderzoekscommissie zelf uitmaakt met welke instanties zij overleg wenst te plegen of bij wie zij informatie wenst in te winnen.
De commissie sluit zich bij dit standpunt aan.
c) Het inzagerecht van parlementaire onderzoekscommissies
Het door artikel 3 voorgestelde artikel 4, § 4, regelt het inzagerecht van de onderzoekscommissies in gerechtelijke dossiers.
De commissie kan een afschrift van de onderzoeksverrichtingen en proceshandelingen die noodwendig geacht worden, vragen aan de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair hof. Wanneer deze laatsten niet ingaan op het verzoek van de onderzoekscommissie, kan de betrokken assemblée, de commissie of hun voorzitter een bezwaar indienen bij een ad hoc -college, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof.
De minister verklaart dat hij de problematiek van het inzagerecht benadert vanuit het perspectief dat de leden van een onderzoekscommissie deelachtig worden aan het gerechtelijk onderzoek.
Indien men deze zienswijze niet deelt, kan hieruit worden afgeleid dat de parlementsleden geen inzage kunnen krijgen van een gerechtelijk dossier.
De indiener van het wetsvoorstel gaat hiermee niet akkoord. Zijns inziens impliceert de inzage van dit dossier geenszins dat de leden van de onderzoekscommissie aan het gerechtelijk onderzoek deelnemen.
De minister repliceert dat er in die omstandigheden een nauwe verwevenheid ontstaat tussen de twee procedures.
De vorige spreker verklaart dat, wanneer een parlementaire onderzoekscommissie bij de uitoefening van haar opdracht strafbare feiten of aanwijzingen in die zin vaststelt, zij het dossier voor verder onderzoek aan het parket dient over te zenden.
Het feit dat een parlementaire commissie kennis krijgt van misdrijven, garandeert de dader geen strafrechtelijke immuniteit.
Het doel van het onderzoeksrecht is de transparantie van de democratie te vrijwaren.
Een van de basisbeginselen van de democratie is dat het openbaar leven transparant is terwijl de bescherming van het privé-leven gewaarborgd is. In een totalitaire staat is het privé-leven daarentegen openbaar terwijl de machtsuitoefening met gesloten deuren verloopt.
De regel van de transparantie geldt voor de werking van alle instellingen, met inbegrip van de rechterlijke macht.
Het is vanuit deze invalshoek dat het probleem van de samenhang of samenloop van een gerechtelijk en een parlementair onderzoek dient te worden behandeld en inzonderheid de vraag of stukken uit een gerechtelijk dossier aan een parlementaire onderzoekscommissie kunnen worden meegedeeld.
De minister is de mening toegedaan dat de beslissing om de stukken al dan niet aan de onderzoekscommissie mee te delen, zal afhangen van het gebruik dat de commissie ervan wenst te maken.
Het lid legt er de nadruk op dat het Parlement zich door middel van het enquêterecht niet in het gerechtelijk onderzoek mag mengen of zich voor de rechterlijke macht mag substitueren.
Om deze redenen is een onderzoekscommissie die strafbare feiten vaststelt, ertoe gehouden die aan het parket mee te delen.
De minister betuigt zijn instemming met deze argumenten op voorwaarde dat de door de vorige spreker geschetste regeling effectief wordt toegepast. Vraag is of de voorgestelde tekst niet dermate ruim kan worden geïnterpreteerd dat van de bovenvermelde principes kan worden afgeweken.
Voorts herinnert hij eraan dat de onderzoekscommissie inzake de bestrijding van het banditisme en het terrorisme op indirecte wijze kennis heeft kunnen krijgen van nog niet afgesloten gerechtelijke dossiers. De bevoegde procureur-generaal of de door hem aangewezen advocaat-generaal hielden namelijk op het parket-generaal ten behoeve van de onderzoekscommissie een uiteenzetting over deze dossiers.
Aldus kon de commissie zich een beeld vormen van de werkzaamheden van de politiediensten en de gerechtelijke diensten en de verkregen informatie toetsen aan de in andere dossiers voorkomende gegevens.
Het zou te betreuren zijn indien deze soepele procedure door het voorstel onmogelijk zou worden gemaakt.
De rapporteur is de mening toegedaan dat de parlementaire onderzoekscommissies over de nodige juridische middelen moeten beschikken om inzage van stukken uit gerechtelijke dossiers te kunnen krijgen.
Als voorzitter van de Bendecommissie heeft hij meermaals ervaren dat zijn verzoek om kennis te kunnen nemen van bepaalde dossiers werd afgewezen.
Zoals de minister aangaf, kon deze weigering soms wel eens worden omzeild en werd de commissie op indirecte wijze over bepaalde dossiers ingelicht. Over de dossiers die nog in onderzoek waren, werd geen enkele informatie verstrekt.
Het spreekt vanzelf dat een dergelijke handelwijze de efficiëntie van de onderzoekswerkzaamheden van de commissie aanzienlijk hypothekeert. Tevens bestaat het gevaar dat de commissie een oordeel uitspreekt of adviezen uitbrengt welke mogelijk niet gefundeerd zijn omdat zij niet over alle relevante gegevens beschikt.
Spreker verzet zich derhalve met verschillende andere leden tegen de stelling van de minister dat de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair hof in eerste en laatste instantie over het verzoek om inzage van een gerechtelijk dossier zouden beslissen.
Op welke rechtsgrond kan het parket immers een parlementaire onderzoekscommissie de inzage van een gerechtelijk dossier ontzeggen of haar bepaalde inlichtingen weigeren, wanneer het over lopende onderzoeken wel perscommuniqués verspreidt ?
Gelet op het feit dat de praktijk van de parketwoordvoerders tengevolge van de onderrichtingen van de minister van Justitie geïnstitutionaliseerd is en in lopende onderzoeken aan de burgerlijke partij inzage van bepaalde stukken uit het dossier is verleend, komt het als ongerijmd over dat het parket een parlementaire onderzoekscommissie de toegang tot een gerechtelijk dossier kan ontzeggen.
Het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek wordt trouwens meer en meer gerelativeerd. Zo kent het voorontwerp van wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, opgesteld door de Commissie-Franchimont, de verdachte en de burgerlijke partij een inzagerecht in het dossier toe, vooraleer het gerechtelijk onderzoek is afgesloten (cf. eveneens het wetsvoorstel van de heer Erdman c.s. houdende invoeging van een artikel 61bis in het Wetboek van Strafvordering, Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 118-1).
Aangezien het parlementair onderzoeksrecht in de hiërarchie der normen voorrang heeft, dienen de onderzoekscommissies over een principieel inzagerecht te beschikken. Om deze reden moet de samenwerking tussen Parlement en parket worden geregeld, onder meer door de aanwijzing van de instantie die eventuele geschillen tussen deze twee actoren moet beslechten.
Artikel 125, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken bepaalt weliswaar dat in criminele, correctionele en politiezaken en in tuchtzaken geen uitgifte of afschrift der akten van onderzoek en rechtspleging mag worden afgeleverd zonder uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal. Op haar verzoek echter wordt aan partijen een uitgifte van de klacht, de aangifte, de bevelschriften en de vonnissen verstrekt.
Sprekers zijn van oordeel dat deze bepaling uitsluitend de procureur-generaal bindt in de mate hij optreedt in het kader van een strafvervolging zoals geregeld in het Wetboek van Strafvordering en dus niet wanneer het een verzoek om inzage betreft uitgaande van een parlementaire onderzoekscommissie.
Een ander argument dat pleit voor de invoering van een arbitrageprocedure heeft te maken met het feit dat het niet uitgesloten is dat de procureur-generaal de toegang tot een gerechtelijk dossier ongemotiveerd zou kunnen weigeren.
In dat verband stelde procureur-generaal J. Velu in zijn mercuriale van 1 september 1993 het volgende :
« Volgens het voorstel (2) zou de procureur-generaal of de auditeur-generaal zijn weigering moeten motiveren. Gewis, zoals ik reeds heb gezegd, moet die beslissing op gegronde redenen berusten. Maar wegens de aard zelve van die beslissing is een vermelding van de redenen ervan zeer bezwaarlijk. Want hoe precies die redenen opgeven, zonder tegelijk geheimen te onthullen die men juist wil verzwijgen, en dus zonder daarbij inbreuk te plegen op de geheimhouding van het onderzoek, die men bedoelt te beschermen ?
Een deugdelijke regeling vaststellen voor het beroep tegen een weigering van de procureur-generaal of de auditeur-generaal is om diezelfde reden moeilijk en zelfs onmogelijk. « Comment, en effet », schreef procureur-generaal de le Court, « envisager un débat contradictoire sur la communication d'un dossier alors que ni la juridiction saisie, ni les parties, ne pourraient en prendre connaissance puisque sa communication serait l'objet du litige. Comment, en d'autres termes, décider si un secret peut être levé, alors que l'on ignore en quoi il consiste ? »
(Overwegingen omtrent de betrekkingen tussen de parlementaire onderzoekscommissies en de rechterlijke macht, mercuriale uitgesproken door de heer J. Velu, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, op 1 september 1993, Brussel, Uitgave van het Belgisch Staatsblad , 1994, nr. 4656, blz. 50.)
Het is de vraag hoe een onderzoekscommissie de negatieve beslissing van de procureur-generaal kan aanvechten wanneer er geen inhoudelijk verantwoorde motivering is.
Een lid merkt op dat alles afhangt van de aard van de motivering, die niet noodzakelijk de inhoud van het dossier hoeft te onthullen. De motivering kan immers indirect zijn.
Met betrekking tot de regeling van het bezwaar tegen een weigerende beslissing van de procureur-generaal, herinnert de indiener van het wetsvoorstel eraan dat men het Arbitragehof bij de procedure heeft willen betrekken omdat het om een bevoegdheidsconflict tussen de wetgevende en de rechterlijke macht gaat.
De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, J. Velu, verklaarde zich niet gewonnen voor deze regeling. Hierna volgt een kort overzicht van zijn bezwaren :
« Het feit dat de procureurs-generaal bij de hoven van beroep met inachtneming van alle betrokken rechten en rechtmatige belangen in eer en geweten kunnen oordelen of een gerechtelijk dossier geheel of ten dele aan een onderzoekscommissie ter inzage zal worden gegeven, staat niet in de weg dat tussen die magistraten, de commissieleden en, eventueel, de minister van Justitie overleg wordt gepleegd. Dergelijk overleg is, denk ik, zelfs wenselijk.
De vrij bevredigende resultaten van de thans toegepaste overlegprocedure tonen aan dat de in het voorstel bedoelde arbitrageprocedure niet hoeft. Allicht zou die overlegprocedure nog verder kunnen verbeterd worden. De indiener van het voorstel (3) geeft trouwens toe dat de informele samenwerking met het College van procureurs-generaal, in het verleden, vruchtbaar is geweest en hij betwist ook niet dat de overlegprocedure voordelen biedt.
Een beroep ter zake op een college samengesteld uit leden van het Arbitragehof zou in het kader van onze instellingen een ware anomalie zijn. Alle geschillen die uit de werkzaamheden van de parlementaire onderzoekscommissies kunnen voortvloeien (met name de geschillen in verband met weigering om te verschijnen of te getuigen, valse getuigenissen, de andere door de commissies vastgestelde misdrijven enzovoort) vallen thans onder de bevoegdheid van de rechterlijke macht. Leden van een rechtscollege van buiten die macht zouden dus uitspraak moeten doen over problemen inzake strafprocedures die helemaal niet tot hun gewone bevoegdheid behoren. (...)
Als het college d hoc over het geschil definitief en bij met redenen omklede beslissing uitspraak moet doen, met inachtneming van de betrokken belangen en inzonderheid van het recht van verdediging, moet het dan niet beschikken over het gehele dossier, in origineel of in afschrift ? Als, volgens het voorstel, het college de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat moet horen, zou de voorzitter van de commissie dan niet gerechtigd zijn om inzage te eisen van het dossier ten einde op gelijke voet te staan met de betrokken magistraat ? En zo ja, zou hij dan geen inzage hebben gehad van het dossier, ook al wordt het beroep van de commissie achteraf verworpen ? Hoe zou de betrokken magistraat voor het college zijn weigering op overtuigende wijze kunnen verantwoorden, zonder althans de wezenlijke bestanddelen van het onderzoek bekend te maken ?
Het college zou het geschil definitief afdoen met een beslissing waarbij vooral het recht van verdediging wordt in acht genomen, wat impliceert dat schending van dat recht wegens inzageverlening van het dossier achteraf niet meer voor enig nationaal rechtscollege kan worden aangevoerd. Maar wat zou er gebeuren, als voor een gewoon rechtscollege schending van het recht van verdediging wordt afgeleid uit de inzageverlening van het dossier en uit de eventuele bekendmaking van inlichtingen waarvan, op grond van andere later ingewonnen inlichtingen, zou blijken dat zij ernstig afbreuk doen aan dat recht ?
Overigens valt ook de grondwettigheid van die regel te betwijfelen. Zijn volgens onze Grondwet, de hoven en rechtbanken niet bevoegd om uitspraak te doen over de gegrondheid van strafvervolgingen en tevens over de excepties uit schending van het recht van verdediging ? En zijn zij niet bij uitsluiting daartoe bevoegd ? » (VELU, J., op. cit., blz. 49 en 50.)
De vraag is wat de werkelijke aard van het conflict is indien een procureur-generaal weigert een dossier aan een onderzoekscommissie mee te delen.
De indiener van het wetsvoorstel kan enkel de argumenten herhalen die de gemengde werkgroep heeft aangevoerd om een arbitragecollege in te stellen, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof (cf. verslag van de heren Mouton en Landuyt, Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 429-1 en Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 561-1, blz. 24-28).
Verschillende leden merken op dat de voorgestelde procedure problemen doet rijzen daar het Arbitragehof geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht.
Zij zijn van mening dat het die instantie niet toekomt zich uit te spreken over de weigering van de procureur-generaal om een afschrift mee te delen van de onderzoeksverrichtingen en de proceshandelingen die de commissie meent nodig te hebben.
Kan die bevoegdheid, die te maken heeft met de uitoefening van de rechterlijke macht, niet worden opgedragen aan het Hof van Cassatie ?
Een lid vraagt zich af of, in navolging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis, geen ad hoc -college kan worden samengesteld uit de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitter van de Raad van State en de deken van de Nationale Orde van Advocaten.
Een volgende spreker waarschuwt ervoor, onder meer op grond van het beginsel van de scheiding der machten, om vanuit het Parlement bevoegdheden aan derden te delegeren.
Hij illustreert deze stelling aan de hand van twee hypotheses :
1. Indien een getuige voor een parlementaire onderzoekscommissie onjuiste verklaringen aflegt, kan tegen hem een klacht worden ingediend wegens meineed. Het staat dan aan het openbaar ministerie te bepalen of er al dan niet een strafvervolging moet worden ingesteld.
2. Een getuige die zich tegenover de onderzoekscommissie op zijn beroepsgeheim wenst te beroepen, zal zelf moeten uitmaken onder welke voorwaarden en in welke omstandigheden hij dat doet.
Spreker herinnert eraan dat de minister van Landsverdediging personen die voor de Gladio-commissie moesten getuigen, schriftelijk heeft bevestigd dat ze voor de materie die het voorwerp van het onderzoek uitmaakte, van hun beroepsgeheim ontheven waren. Verschillende getuigen hebben deze verklaring echter naast zich neergelegd.
Deze houding getuigt van een bepaalde overheidscultuur welke men op korte termijn moeilijk zal kunnen veranderen.
Interveniënt pleit er bijgevolg voor om voor de onderzoekscommissies een parlementaire procedure uit te werken waarin zo weinig mogelijk derden worden betrokken en die de bevoegdheden van het parket inzake vervolging onverkort laat.
Dit neemt echter niet weg dat onderzoekscommissies voor bepaalde opdrachten een beroep zouden moeten kunnen doen op executieve organen, bij voorbeeld om aan bepaalde personen vragen te stellen of documenten in te zien.
In concreto denkt hij aan de enquêtedienst van het Comité P, omdat die van het Parlement afhangt.
Een lid verklaart voorstander te zijn van de door artikel 8 voorgestelde wijziging van artikel 458 van het Strafwetboek waardoor de houder van een beroepsgeheim niet alleen in de door de wet bepaalde gevallen, maar ook door een parlementaire onderzoekscommissie kan worden verplicht dat geheim bekend te maken. Het verleden heeft immers bewezen dat de tegenovergestelde oplossing geen resultaten oplevert.
Verschillende leden zijn het echter met de minister eens dat de in het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe voorgestelde wijziging te verregaand is. Zij drukken hun voorkeur uit voor de door de heer Pinoie voorgestelde wijziging.
Indien de commissie personen hoort die hun beroepsgeheim doorbreken, moet dit met gesloten deuren gebeuren en moeten de notulen van die vergadering op een specifieke manier worden behandeld.
De moeilijkheden die men in het verleden heeft ondervonden, kunnen worden verholpen door bepaalde garanties te bieden inzake het gebruik van de ingewonnen gegevens en de conclusies die daaruit worden getrokken.
Wat de samenloop tussen het gerechtelijk en het parlementair onderzoek betreft, kan men niet voorbijgaan aan het arrest dat het Hof van Cassatie op 6 mei 1993 heeft geveld in de zaak-Transnuklear (Arr. Cass., 1993, nr. 225; R.W., 1993-1994, blz. 382 e.v. met noot).
De voornaamste conclusies van dit arrest kunnen worden samengevat als volgt :
1. Artikel 14.3. g), van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (B.U.P.O.), krachtens hetwelk, bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvordering, een ieder recht heeft op de garantie niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen, staat als zodanig niet in de weg aan het onder ede horen van een getuige door een parlementaire onderzoekscommissie.
2. Geen algemeen beginsel van het strafrecht verzet er zich tegen dat een getuige, buiten het kader van een strafvervolging, onder ede wordt gehoord door een buiten de rechterlijke macht staande instantie, zelfs indien de gehoorde reeds verdachte is in een lopend gerechtelijk onderzoek over dezelfde feiten.
3. Het, met het oog op verder onderzoek hierover, aan het strafdossier toevoegen van een voor een parlementaire onderzoekscommissie afgedwongen en onder ede afgelegde verklaring van de verdachte, kan zijn recht van verdediging onherstelbaar schenden.
4. a) De strafvordering kan wettig niet-ontvankelijk worden verklaard op andere gronden dan die bepaald bij de artikelen vervat in hoofdstuk II V.T.Sv., artikel 216 Sv. en de artikelen vervat in titel III, hoofdstuk I, Sv.
b) De strafrechter die tot het besluit komt dat de strafvordering niet-ontvankelijk is, vermag de bewijswaarde van de overige tot staving van de gegrondheid van die strafvordering aangevoerde gegevens niet meer te onderzoeken.
5. De onderzoeksrechter, wiens taak het is alle voor de openbaring van de waarheid nuttige opsporingen te (doen) verrichten, moet zich onthouden van opsporingen en gebruik van stukken die het recht van verdediging in het gedrang brengen (art. 61 Sv.).
6. Ingeval tijdens het vooronderzoek het recht van verdediging is geschonden op een wijze die niet verenigbaar is met de wettelijke bepalingen inzake het vooronderzoek, vermag de rechter te oordelen, ook zonder dat de beklaagde over de onregelmatig ingezamelde gegevens tegenspraak heeft gevoerd, dat door die schending een eerlijk proces onmogelijk is.
7. Een voor een parlementaire onderzoekscommissie onder ede afgelegde verklaring kan in rechte niet worden aangevoerd tegen degene die ze heeft afgelegd. Ze geldt slechts als inlichting en kan door hem vrij worden teruggenomen.
8. Naar recht verantwoord is de beslissing van de rechter die, na te hebben beslist dat de strafvordering niet ontvankelijk was op het tijdstip waarop ze aanhangig werd gemaakt bij het vonnisgerecht, zich zonder rechtsmacht acht om te oordelen over de civielrechtelijke vorderingen.
Met betrekking tot de onder eed afgelegde getuigenverklaringen merkt een lid op dat de door het Transnuklear-arrest aan de orde gestelde problemen in de Bendecommissie werden ondervangen door aan de opgeroepen getuigen mee te delen dat ze geen eed hoefden af te leggen.
Een volgende spreker stelt dat in deze materie een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de betrokken commissie al dan niet als onderzoekscommissie zitting houdt.
De werkzaamheden van de parlementaire evaluatiecommissie van de politie- en inlichtingendiensten hebben immers uitgewezen dat, wanneer men geen (strafrechtelijke) stok achter de deur heeft staan, de meeste getuigen nietszeggende verklaringen afleggen en weigeren in te gaan op de gerichte vragen van parlementsleden. Dit teleurstellende resultaat zou kunnen worden aangevoerd als argument ter rechtvaardiging van de oprichting van parlementaire onderzoekscommissies die over meer bevoegdheden beschikken.
Om deze redenen bepaalt het door artikel 4 voorgestelde artikel 8, vierde lid, dat de getuigen en deskundigen de eed afleggen dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
De netelige kwestie van de verhouding tussen het vermoeden van onschuld enerzijds en de verplichting om onder eed te getuigen, met het gevaar voor zichzelf belastende verklaringen af te leggen, wordt geregeld in het voorgestelde artikel 8, laatste lid, luidens hetwelk iedere getuige, onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan inroepen dat hij zich, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren.
Een verdachte kan er dus enerzijds toe worden gedwongen de eed af te leggen, maar hij beschikt anderzijds wel over een zwijgrecht.
In dit verband kan een parallel worden getrokken met de uitspraak van het Amerikaanse Opperste Gerechtshof van 13 juni 1966 inzake Miranda t. Arizona waarin de draagwijdte van het Vijfde Amendement op de Grondwet nader werd afgelijnd (« No person ... shall be compelled in any criminal case to be a witness against himself... »).
Het is wel zo dat, wanneer iemand weigert onder eed een getuigenis af te leggen dat voor hemzelf bezwarend kan zijn, dat tegen hem een negatief vermoeden zal oproepen dat aanleiding kan geven tot een opsporingsonderzoek. In die zin biedt het zwijgrecht de betrokkene slechts een relatieve bescherming.
In verband met het laatste lid van het voorgestelde artikel 8 vraagt een lid waarom men hier een regeling wil aannemen die afwijkt van die voor de eedaflegging bij de onderzoeksrechter en de strafgerechten.
Kan men niet volstaan met een verwijzing naar de gewone regels van de strafvordering ?
De indiener van het wetsvoorstel antwoordt dat de onderzoeksrechter personen tegen wie hij verdenkingen koestert, buiten eed ondervraagt. Degenen die als beklaagde of beschuldigde voor een strafgerecht verschijnen, worden evenmin onder eed verhoord.
Een andere overweging die de invoeging van het voorgestelde artikel 8, laatste lid, verantwoordt, is terug te vinden in de rechtspraak volgens welke met niet-verschijnen dient te worden gelijkgesteld de weigering op bepaalde vragen te antwoorden, zelfs al wordt voorgehouden dat de getuige daardoor zijn eigen strafrechtelijke aansprakelijkheid in het gedrang zou brengen. Dit zittingsdelict wordt onmiddellijk bestraft (cf. de artikelen 80 en 157 van het Wetboek van Strafvordering).
Hij verwijst in dat verband naar de zogenaamde Bendecommissie die aanvankelijk alleen getuigen opriep die zelf hadden aangeboden ten overstaan van de commissie verklaringen af te leggen. Verschillende personen weigerden daarentegen in te gaan op de uitnodiging om te worden gehoord. Geleidelijk aan is die sfeer van verzet omgeslagen.
Spreker verheugt zich bijgevolg over het voorgestelde artikel 8, zevende lid, dat een strafrechtelijke sanctie verbindt aan de weigering om als getuige te worden gehoord.
5. Parlementaire onderzoekscommissies in de Gemeenschaps- en Gewestraden
Verschillende leden zijn van oordeel dat de beide wetsvoorstellen de wijze bepalen waarop de federale Kamers het hun door de Grondwet toegekende onderzoeksrecht uitoefenen.
Het staat de andere assemblées vrij deze tekst over te nemen of te wijzigen.
Een overleg met deze assemblées is dus niet nodig en zelfs niet wenselijk omdat het hun autonomie zou beknotten.
Met betrekking tot de verantwoording van de in dit artikel voorgeschreven verplicht bicamerale procedure wordt naar de inleiding en de algemene bespreking verwezen (blz. 8-11 en 18-19).
Artikel 1 wordt aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
2. Artikel 1bis (artikel 2 van de aangenomen tekst)
Ten einde de draagwijdte van het door artikel 56 van de Grondwet ingestelde onderzoeksrecht duidelijk af te bakenen ten aanzien van het gerechtelijk onderzoek, stelt de minister voor artikel 1 van de wet van 3 mei 1880 te wijzigen als volgt :
« Voor de uitoefening van het recht van onderzoek, bij artikel 56 van de Grondwet aan de wetgevende Kamers toegekend, gelden de volgende regels. Dit recht beoogt elk onderzoek waartoe een Kamer besluit, met uitzondering van de onderzoeken in strafzaken die door de rechterlijke macht worden ingesteld overeenkomstig de wet. »
De ratio legis van dit voorstel is aan te geven dat elke Kamer inzake het onderzoeksrecht de volle bevoegdheid heeft, zonder dat ze bij de uitoefening daarvan in de plaats mag treden van de andere machten. De functies van opsporing, gerechtelijk onderzoek en rechtspraak mogen niet worden beknot, aangezien zij een verschillende doelstelling hebben dan wat de Kamers bij een parlementair onderzoek beogen.
Bepaalde feiten kunnen derhalve zowel het voorwerp uitmaken van een parlementair onderzoek als van een gerechtelijk onderzoek, met dien verstande dat elk onderzoek zijn eigen finaliteit heeft.
Met andere woorden, samenloop is mogelijk voor zover het parlementair onderzoek een politieke finaliteit heeft, dit wil zeggen beleidsdoeleinden nastreeft, en daarbij niet de bevoegdheden doorkruist welke inzake opsporing en vervolging door de wet aan de rechterlijke macht zijn toegekend.
Dit betekent dat een parlementaire onderzoekscommissie zich niet in de plaats van het gerechtelijk apparaat mag stellen. Ze kan in de marge van het gerechtelijk onderzoek wel de aspecten analyseren die stricto sensu niet tot dat onderzoek behoren.
Het Heizel-drama is daarvan een voorbeeld : de onderzoekscommissie mocht niet onderzoeken wie op strafrechtelijk vlak verantwoordelijk was, maar mocht wel onder ogen nemen hoe de stadions gebouwd waren, hoe de rijkswacht georganiseerd was enzovoort.
De heer Erdman dient het volgende amendement in (nr. 1) :
« Een artikel 1bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 1bis. Artikel 1 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek wordt vervangen als volgt :
« Voor de uitoefening van het recht van onderzoek bij artikel 56 van de Grondwet aan de Wetgevende Kamers toegekend, gelden de volgende regels.
Dit onderzoeksrecht omvat geen gerechtelijk onderzoek, maar bedoelt een in de Grondwet vastgelegd recht van onderzoek met aan het Wetboek van Strafvordering ontleende middelen. »
De rapporteur heeft in se geen bezwaar tegen het amendement, maar vraagt zich af of het niet volstaat het voorgestelde tweede lid in de voorbereidende werken op te nemen als commentaar op artikel 1 van de wet van 3 mei 1880 en in het bijzonder op de draagwijdte van het recht van onderzoek.
De heer Erdman stipt aan dat zijn amendement juist ontleend is aan de toelichting bij het wetsvoorstel (cf. Gedr. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-148/1, blz. 2, in fine ).
Ondanks het feit dat het amendement enigszins als overbodig kan worden beschouwd, heeft het toch de verdienste dat het de finaliteit van het parlementair onderzoek tegenover het gerechtelijk onderzoek in het licht stelt.
Een volgende spreker geeft de voorkeur aan het voorstel van de minister. Hij is van oordeel dat de redactie van het amendement te wensen overlaat en samenhang mist.
De indiener van het amendement geeft toe dat zijn voorstel van overtolligheden moet worden ontdaan (bij voorbeeld : « Dit onderzoeksrecht bedoelt een in de Grondwet vastgelegd recht van onderzoek ... »). Zijn tekst komt echter tegemoet aan de wil het gerechtelijk en het parlementair onderzoek naar hun finaliteit van elkaar te onderscheiden.
Met betrekking tot het voorstel van de minister vreest hij dat de tweede zin en inzonderheid de woorden « met uitzondering van » in die zin zullen worden geïnterpreteerd dat er geen parlementair onderzoek kan worden ingesteld omtrent feiten die reeds het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek uitmaken. Dit houdt een beperking in van het door de Grondwet gewaarborgd recht van onderzoek.
Aangezien wetteksten een eigen leven leiden, is het gevaar niet denkbeeldig dat, wanneer dit voorstel in aanmerking wordt genomen, de erin geformuleerde uitzondering als een exceptie zal worden geïnterpreteerd.
De rapporteur sluit zich hierbij aan. De door de minister voorgestelde bepaling verleent het gerechtelijk onderzoek prioriteit op het parlementair onderzoek, hetgeen indruist tegen de stelling dat samenloop van beide mogelijk moet zijn onder meer omdat zij elk hun eigen finaliteit hebben. Indien dit voorstel wordt aangenomen, beschikken de rechterlijke instanties over een rechtsgrond om de parlementaire onderzoekscommissies de inzage van stukken uit een gerechtelijk dossier te weigeren.
Gelet op de misleidende formulering pleit hij ervoor het amendement van de heer Erdman, mits enige vormelijke verbeteringen, goed te keuren.
Verschillende leden sluiten zich hierbij aan. Het probleem van de samenloop van het parlementair en het gerechtelijk onderzoek is bij de bespreking van het wetsontwerp dat de wet van 3 mei 1880 is geworden, niet ten gronde uitgediept. Wel werd er gesteld dat de Kamers zich bij de uitoefening van hun recht van onderzoek niet in lopende gerechtelijke onderzoeken mochten mengen.
Het is echter onaanvaardbaar dat, wanneer een parlementaire onderzoekscommissie belast wordt met het onderzoek van structurele problemen in de werking van de rechterlijke macht, zij haar opdracht niet naar behoren zou kunnen vervullen omdat zij feiten die het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek uitmaken, buiten beschouwing zou moeten laten.
Als men weet dat bepaalde gerechtelijke onderzoeken die de samenleving diep beroeren, reeds zestien jaar duren en nog altijd niet afgesloten zijn, zou men een parlementair onderzoek volledig lam kunnen leggen door zich op het tekstvoorstel van de minister te beroepen. Deze bepaling wekt immers de indruk dat geen parlementair onderzoek kan worden ingesteld voor feiten die reeds het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek uitmaken.
In het licht van wat voorafgaat, zijn deze leden de mening toegedaan dat het tweede lid van het door het amendement voorgestelde artikel 1bis in se overbodig is, maar als een toegift kan worden behouden om aan te geven dat het gerechtelijk en het parlementair onderzoek een verschillende finaliteit hebben, zonder dat een samenloop evenwel uitgesloten is.
De minister verklaart dat er een ruime eensgezindheid bestaat over de finaliteit van het parlementair onderzoek en het principe van de samenloop met het gerechtelijk onderzoek. Het feit dat er over bepaalde feiten een gerechtelijk onderzoek loopt, sluit derhalve, in tegenstelling tot de in Frankrijk geldende regeling, geenszins uit dat er ook tot een parlementair onderzoek kan worden besloten.
In de wettekst dient daarom duidelijk te worden bepaald dat een parlementair onderzoek zich niet in de plaats van het gerechtelijk onderzoek mag stellen en, in geval van samenloop, dit onderzoek niet mag hinderen.
Spreker is het ermee eens dat de in zijn voorstel opgenomen bepaling en vooral de woorden « met uitzondering van de onderzoeken in strafzaken » restrictief kunnen worden uitgelegd zodat een samenloop tussen een gerechtelijk en een parlementair onderzoek de facto onmogelijk wordt.
Een lid wijst erop dat krachtens artikel 33 van de Grondwet alle machten uitgaan van de Natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald. Dit betekent dat, wanneer men bepaalt dat het parlementair onderzoek zich niet in de plaats van het gerechtelijk onderzoek mag stellen, de rechterlijke macht hieruit geenszins mag afleiden dat er geen parlementair onderzoek omtrent dezelfde feiten mag worden ingesteld.
Het parlementair onderzoek kan dus worden ingesteld zowel vóór als tijdens en na een gerechtelijk onderzoek over dezelfde aangelegenheid.
Zowel de minister als de commissie zijn het met deze stelling eens.
Eerstgenoemde betoont zich echter voorstander van een bepaling waarin de onderscheiden doelstellingen van het gerechtelijk en het parlementair onderzoek worden opgesomd.
Verschillende leden merken op dat het parlementair recht van onderzoek krachtens artikel 56 van de Grondwet niet doelgebonden is.
Het parlementair onderzoeksrecht is algemeen, maar uit het in de Grondwet neergelegde stelsel van de scheiding der machten kan worden afgeleid dat het onderzoek in strafzaken niet door het Parlement mag worden gevoerd.
Het parlementair onderzoek mag dus noch de vorm van een strafonderzoek aannemen noch de doelstellingen ervan nastreven.
De minister vraagt of aan de redactionele problemen in verband met de formulering van het onderscheid tussen het parlementair en het gerechtelijk onderzoek niet kan worden tegemoetgekomen door te bepalen dat het parlementair onderzoek zich niet in de plaats van het gerechtelijk onderzoek mag stellen. Hier kan worden aan toegevoegd dat samenloop mogelijk is maar dat het parlementair en het gerechtelijk onderzoek naar vorm en finaliteit verschillen.
De vrees dat de rechterlijke macht de bepaling volgens welke het parlementair onderzoek zich niet in de plaats van het gerechtelijk onderzoek mag stellen, zou aangrijpen om een parlementaire onderzoekscommissie de inzage van stukken uit een gerechtelijk dossier te ontzeggen, wordt ongegrond geacht omdat het voorgestelde artikel 4, § 4, de onderzoekscommissies een inzagerecht verleent.
Een lid stelt voor het onderscheid tussen het gerechtelijk en het parlementair onderzoek te belichten in het voorgestelde artikel 4, § 1, dat als volgt zou luiden :
« De Kamer of de commissie, alsook hun voorzitter voor zover deze daartoe gemachtigd wordt, kunnen alle in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen nemen. Daarbij kan de Kamer zich nooit in de plaats stellen van de rechterlijke macht. »
Artikel 1 van de wet van 3 mei 1880 zou, behoudens de verwijzing naar artikel 56 van de Grondwet in plaats van naar artikel 40, niet worden gewijzigd.
Een ander lid betoont zich voorstander van dit voorstel omdat het als algemeen beginsel poneert dat het parlementair onderzoeksrecht onbegrensd is, maar dat de uitoefening ervan niet in strijd mag komen met de wijze waarop de rechterlijke macht haar grondwettelijke bevoegdheden uitoefent.
De heer Erdman c.s. dient het volgende amendement in (nr. 7) :
« Een artikel 1bis nieuw invoegen, luidende :
« Art. 1bis. Artikel 1 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek wordt vervangen als volgt :
« Art. 1. Het recht van onderzoek, bij artikel 56 van de Grondwet aan de Wetgevende Kamers toegekend, heeft een ander doel dan een gerechtelijk onderzoek. Bij samenloop van een parlementair onderzoek met een gerechtelijk onderzoek mag het verloop van het gerechtelijk onderzoek niet worden gehinderd.
Voor de uitoefening van het recht van onderzoek gelden de volgende regels. »
De heer Lallemand dient een subamendement (nr. 20) in op het amendement (nr. 7) van de heer Erdman c.s., luidende :
« Het voorgestelde artikel 1bis (nieuw) vervangen als volgt :
« Art. 1bis. Artikel 1 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek wordt vervangen als volgt :
« Art. 1. De Kamers oefenen het bij artikel 56 van de Grondwet toegekende recht van onderzoek uit overeenkomstig de volgende regels.
De door de Kamers ingestelde onderzoeken treden niet in de plaats van de onderzoeken van de rechterlijke macht; ze kunnen daarmee samenlopen maar mogen het verloop ervan niet hinderen. »
Verantwoording
Artikel 56 van de Grondwet verleent aan de Kamers een onbeperkt recht van onderzoek, dat dus zo ruim mogelijk is. Het kan dus niet worden betwist dat een parlementair onderzoek hetzelfde onderwerp zou kunnen hebben als een gerechtelijk onderzoek, namelijk een bepaald strafbaar feit, of zelfs een zelfde doel, namelijk het identificeren van degenen die het strafbaar feit hebben gepleegd.
Proberen het parlementair onderzoek nader te definiëren door zijn onderwerp of zijn doel te onderscheiden van die van het gerechtelijk onderzoek zou dus tot onduidelijkheid kunnen leiden.
De wetgever is niet bevoegd om de wil van de grondwetgever, wanneer die duidelijk is, te interpreteren door de strekking van een duidelijke grondwetsbepaling te willen beperken.
Het zou dus niet doeltreffend zijn om de grenzen van het parlementair onderzoek in de wet te definiëren, bij voorbeeld door het onderwerp, het doel of enig ander verschil ten opzichte van het gerechtelijk onderzoek, nader te willen preciseren.
Het aangestipte probleem lijkt eigenlijk betrekking te hebben op de noodzaak om het specifieke karakter van het gerechtelijk onderzoek, alsmede de onafhankelijkheid ervan ten opzichte van het parlementair onderzoek, te bewaren.
Het verschil tussen de rechterlijke macht en de Kamers wat betreft het recht van onderzoek blijkt trouwens reeds in de grondwetsbepaling aangezien de Kamers geen bevoegdheid hebben om te vervolgen.
Ten einde het onderscheid goed aan te geven, verduidelijkt het voorgestelde amendement dus dat het parlementair onderzoek kan samenlopen met het gerechtelijk onderzoek, maar niet in de plaats daarvan kan treden en er ook het verloop niet van mag hinderen.
Het subamendement van het heer Lallemand (nr. 20) wordt als artikel 2 (nieuw) eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
De amendementen van de heer Erdman (nrs. 1 en 7) worden met hetzelfde stemmental verworpen.
Art. 2
Artikel 1 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek wordt vervangen als volgt :
« Art. 1. De Kamers oefenen het bij artikel 56 van de Grondwet toegekende recht van onderzoek uit overeenkomstig de volgende regels.
De door de Kamers ingestelde onderzoeken treden niet in de plaats van de onderzoeken van de rechterlijke macht; ze kunnen daarmee samenlopen maar mogen het verloop ervan niet hinderen. »
3. Artikel 1ter (artikel 3 van de aangenomen tekst)
De heer Bourgeois is de mening toegedaan dat, gelet onder meer op het ontbreken van een bepaling in het reglement dienaangaande, de Kamer de opdracht van een onderzoekscommissie moet vastleggen. Op deze manier kunnen de werkzaamheden van een commissie voortdurend aan die opdracht worden getoetst en verloopt het onderzoek binnen een vastomlijnd referentiekader. Tevens wordt verhinderd dat een onderzoekscommissie zelf haar opdracht zou beperken of uitbreiden. Alleen de betrokken Kamer is daartoe bevoegd. Dat hoeft evenwel niet expliciet in de wet te worden vermeld omdat het logischerwijs voortvloeit uit het beginsel dat de Kamer de opdracht van de commissie omschrijft.
Om deze redenen dient spreker twee amendementen in (nrs. 2 en 6) :
1. « Een artikel 1ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 1ter. Artikel 2 van de wet van 3 mei 1880 wordt aangevuld als volgt :
« Ze omschrijft de opdracht van de commissie. Bij samenloop van een parlementair met een gerechtelijk onderzoek kan het normale verloop van het gerechtelijk onderzoek niet worden gehinderd. »
Verantwoording
1) Artikel 4 regelt de werkmethoden van de Kamer of de Commissie : de mogelijkheden van onderzoek, de aanstelling van magistraten, en andere.
De bepaling dat de Kamer of de commissie tijdens een onderzoek de opdracht kan uitbreiden of beperken wordt later opgenomen in het oorspronkelijk artikel 2 van de wet. In dit artikel 2 wordt ook best vermeld dat de Kamer de opdracht bepaalt en zo de bevoegdheid van de commissie omschrijft.
2) Het parlementair onderzoek en het strafrechtelijk onderzoek hebben ieder hun eigen finaliteit. Er wordt algemeen aangenomen dat het niet de bedoeling kan zijn van een parlementair onderzoek zich in de plaats te stellen van een strafrechtelijk onderzoek. De beide soorten onderzoek moeten parallel kunnen verlopen met eerbiediging van een specifieke finaliteit. Voor zover bekend is alleen in de Franse wetgeving voorzien dat een parlementair onderzoek niet kan samenlopen met een strafrechtelijke vervolging over dezelfde feiten. Het gelijklopen van beide soorten onderzoek is wel mogelijk in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten. In het algemeen belang en in het belang van de betrokkenen is het wel aangewezen dat een gerechtelijk strafonderzoek zijn normale weg kan volgen, zelfs wanneer een parlementair onderzoek over dezelfde feiten wordt ingesteld.
2. « Het tweede lid van het voorgestelde artikel 4, § 1, doen vervallen. » (Cf. artikel 3 van het voorstel.)
Verantwoording
Zie amendement tot invoeging van een artikel 1ter (nieuw).
Met betrekking tot het amendement om in het voorgestelde artikel 4, § 1, het tweede lid te doen vervallen, merkt de indiener op dat deze bepaling een andere draagwijdte heeft dan het tot op heden vigerende artikel 4, § 1, tweede lid, naar luid waarvan de Kamer telkens als zij een onderzoek gelast, de bevoegdheden die het Wetboek van Strafvordering aan de onderzoeksrechter toekent, kan beperken.
Zijns inziens dient het voorgestelde artikel 4, § 1, tweede lid, en inzonderheid het woord « opdracht » in die zin te worden geïnterpreteerd dat de Kamer de bevoegdheid van de commissie om bepaalde onderzoeksdaden te stellen, kan beperken. Zo zou zij de commissie kunnen verbieden getuigen met elkaar te confronteren of huiszoekingen te verrichten.
Om deze reden stelt hij voor het voorgestelde artikel 4, § 1, tweede lid, te schrappen en de thans vigerende bepaling te behouden.
Een lid verklaart dat er geen contradictie bestaat tussen de twee amendementen van de heer Bourgeois. Het spreekt vanzelf dat, wanneer de Kamer de opdracht van de onderzoekscommissie omschrijft, zij die tijdens de loop van het onderzoek ook kan uitbreiden of beperken.
Indien men de bevoegdheid van de onderzoekscommissie om alle onderzoeksdaden te stellen, wenst te beperken, dient de mogelijkheid daartoe voor de betrokken Kamer expliciet in de wet te worden ingeschreven.
Een ander lid acht een dergelijke beperking niet verzoenbaar met de finaliteit van het parlementair recht van onderzoek. Op grond van welk criterium zal de Kamer immers beslissen dat een onderzoekscommissie bepaalde onderzoeksdaden niet mag stellen ?
Een dergelijke beperking komt neer op een beknotting van de onderzoeksmogelijkheden van de commissie en is derhalve onaanvaardbaar.
De commissie sluit zich hierbij aan.
Aangezien het wenselijk is dat de Kamer ook wanneer zijzelf het onderzoek verricht, haar opdracht omschrijft, dient de heer Hotyat het volgende amendement in (nr. 21) :
« Een artikel 1ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Artikel 1ter. In artikel 2 van de wet van 3 mei 1880 worden de woorden « Elke Kamer verricht zelf het onderzoek... » vervangen door de woorden « Binnen het kader van de opdracht die ze omschrijft, verricht elke Kamer zelf het onderzoek... »
Het amendement van de heer Bourgeois (nr. 6) wordt eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Het amendement van de heer Hotyat (nr. 21) wordt als artikel 3 (nieuw) eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Het amendement van de heer Bourgeois (nr. 2) wordt met hetzelfde stemmental verworpen.
Art. 3
In artikel 2 van dezelfde wet worden de woorden « Elke Kamer verricht zelf het onderzoek... » vervangen door de woorden « Binnen het kader van de opdracht die ze omschrijft, verricht elke Kamer zelf het onderzoek... ».
Art. 2
Artikel 3 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek wordt vervangen als volgt :
« Artikel 3. De commissie wordt samengesteld en beraadslaagt met inachtneming van de regels die de Kamer bepaalt.
Ieder lid van de Kamer heeft het recht om het onderzoek van de commissie bij te wonen, tenzij de Kamer anders beslist.
De vergaderingen waarop getuigen of deskundigen worden gehoord zijn openbaar, tenzij de commissie anders beslist.
De leden van de commissie alsmede degenen die in welke hoedanigheid ook de werkzaamheden ervan bijwonen of eraan deelnemen, zijn tot discretie gehouden ten aanzien van de informatie verstrekt tijdens de niet-openbare zittingen van de commissie.
De commissie kan de discretieplicht opheffen. »
1. Bestraffing van de schending van de discretieplicht
De minister stelt voor het voorgestelde artikel 3, vierde lid, aan te vullen als volgt :
« Iedere schending van de discretieplicht wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. »
Met het oog op de toepassing van deze bepaling acht de minister het wel raadzaam het begrip discretie te vervangen door de term geheimhouding omdat die een striktere betekenis heeft.
De indiener van het wetsvoorstel betoont zich om de volgende redenen geen voorstander van deze strafbaarstelling :
1º het geheim van het onderzoek in strafzaken is niet bij wet voorgeschreven. Het wordt als een algemeen beginsel van strafvordering beschouwd dat afgeleid is uit het beroepsgeheim waartoe de medewerkers van het gerecht krachtens artikel 458 van het Strafwetboek gehouden zijn. Gelet op het aantal perscommuniqués en de informatie die over lopende onderzoeken worden verspreid, kan men dit geheim nog moeilijk als absoluut beschouwen;
2º wanneer het Parlement kennis neemt van een gerechtelijk dossier, doet het dat niet met het oog op het stellen van daden van onderzoek, maar krachtens artikel 56 van de Grondwet. De leden van een onderzoekscommissie kunnen dus niet met een onderzoeksrechter of een officier van gerechtelijke politie worden gelijkgesteld. Het zou strijdig zijn met het beginsel van de scheiding der machten indien het gerechtelijk onderzoek door het Parlement zou worden uitgevoerd in plaats van door de in de Grondwet vermelde instellingen.
Het Parlement moet zijn opdracht niet vanuit een strafrechtelijk maar vanuit een publiekrechtelijk en politiek oogpunt vervullen;
3º krachtens het voorgestelde artikel 4, § 4, kan een parlementaire onderzoekscommissie niet zonder meer kennis nemen van een gerechtelijk dossier. Er is een « filter » ingebouwd in die zin dat de procureur-generaal bij het hof van beroep bij gemotiveerde beslissing de toegang tot bepaalde stukken kan weigeren om redenen die volkomen objectief verantwoord kunnen zijn. Het lijdt geen twijfel dat het inzagerecht van een parlementaire onderzoekscommissie in gerechtelijke dossiers een potentiële bron van conflict uitmaakt tussen een deel van de magistratuur enerzijds en de wetgevende macht anderzijds. Wanneer in die context bepaalde verklaringen of onthullingen van leden van een onderzoekscommissie tot een strafvervolging kunnen leiden, wordt een bepaalde grens getrokken die het enquêterecht van het Parlement kan beperken. Om die reden komt de voorgestelde incriminatie, met uitzondering van Frankrijk, niet voor in de wetgeving van de ons omringende landen;
4º De vraag kan worden gesteld welke de grondslag zou zijn van de regel dat de leden van een parlementaire onderzoekscommissie tot het beroepsgeheim zijn gehouden en slechts onder welbepaalde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot een strafdossier, wanneer de minister van Justitie, als hoofd van het parket, de bevoegdheid heeft professoren aan te wijzen om zonder enige beperking een geheel van strafdossiers te onderzoeken;
5º Het opleggen van een beroepsgeheim aan de leden van een parlementaire onderzoekscommissie krachtens artikel 458 van het Strafwetboek is niet verenigbaar met artikel 58 van de Grondwet volgens hetwelk geen lid van een van beide Kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht.
Indien men het principe van het beroepsgeheim voor parlementsleden zou aanvaarden, betekent dit dat er telkens een wet zou moeten worden gestemd houdende instelling van het beroepsgeheim wanneer er een verzoek om de opheffing van de parlementaire onschendbaarheid wordt behandeld.
Op de vraag of de onthulling van geheime informatie als de uiting van een mening geldt, waarvoor een parlementslid niet kan worden vervolgd, dan wel als de mededeling van een feit, wordt geantwoord dat de scheidingslijn in de praktijk uiterst moeilijk te trekken valt. Algemeen wordt aanvaard dat een parlementslid voor alle verklaringen en geschriften in het raam van de parlementaire werkzaamheden een volstrekte immuniteit geniet, zowel op strafrechtelijk als op burgerrechtelijk gebied en zowel tijdens als na het parlementair mandaat (cf. ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Deurne, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1995, blz. 165).
Op grond van het voorgaande zijn verschillende leden de mening toegedaan dat de naleving van de geheimhoudingsplicht dient te worden afgedwongen op grond van een parlementaire, politieke sanctie, die de betrokken Kamer in haar reglement bepaalt, zoals de verwijdering van het lid uit de commissie (cf. de comités P en I).
De minister betoogt dat een dergelijke formule een vernietigend effect kan hebben zowel op de betrokken instelling als op de politieke carrière van het betrokken parlementslid.
Hij stelt zich op het standpunt dat, zodra iemand bij een gerechtelijk dossier betrokken wordt waarvoor de geheimhoudingsplicht geldt, hij ertoe gehouden is zich aan die regel te conformeren. Indien de schending van deze verplichting niet wordt bestraft, zet dat de deur open voor allerlei misbruiken (bij voorbeeld lekken).
Het is trouwens de vraag of de schending van de geheimhouding door leden van een parlementaire onderzoekscommissie ook niet de nietigheid van een lopend gerechtelijk onderzoek kan meebrengen.
De indiener van het wetsvoorstel antwoordt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in analoge gevallen reeds verschillende vorderingen tot nietigverklaring heeft afgewezen.
Wat België betreft, is hij de mening toegedaan dat de zaak-Transnuklear niet de elementen bevat om deze rechtsvraag te beslechten (cf. supra ).
Een lid oordeelt dat de tijd aangebroken is om van de in ons recht geldende manie af te stappen dat aan elk voorschrift een sanctie moet worden gekoppeld.
Hij geeft toe dat de toepassing van deze opvatting in het onderhavige geval moeilijk ligt omdat de schending van het onderzoeksgeheim door andere personen dan de leden van een onderzoekscommissie wel strafbaar is gesteld.
Hij is er echter meer en meer toe geneigd het geheim van het gerechtelijk onderzoek als een mythe te bestempelen.
Gelet op de evolutie naar grotere openheid, heeft het niet langer zin zich aan dit principe vast te klampen.
Het justitieel apparaat heeft daar trouwens geen belang bij.
De minister repliceert dat, in de mate er op wettelijk vlak naar transparantie wordt gestreefd, het principe van de geheimhouding, dat in welbepaalde gevallen en onder welbepaalde voorwaarden zal blijven gelden, moet worden geaccentueerd.
De vorige spreker verklaart dat in die optiek een grotere verantwoordelijkheid zal rusten op de schouders van degenen die toegang hebben tot een gerechtelijk dossier.
De minister stipt aan dat die verantwoordelijkheid voortvloeit uit zijn voorstel om de schending van de geheimhoudingsplicht te bestraffen overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
Het bij wet opleggen van deze plicht biedt trouwens het voordeel dat de schending ervan een fout uitmaakt die krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek de verplichting tot schadevergoeding meebrengt.
Hij schaart zich echter achter het voorstel om aan deze schending een politieke sanctie te verbinden die elke assemblée die over het recht van onderzoek beschikt, in haar reglement zou bepalen.
Er rijst echter een probleem wanneer stukken uit een gerechtelijk dossier, gedekt door het geheim van het onderzoek, aan de commissie worden medegedeeld en de discretieplicht hieromtrent niet wordt gerespecteerd.
In dergelijk geval stelt de minister voor artikel 458 van het Strafwetboek toch toe te passen, omdat de onderzoekscommissie in dergelijke omstandigheden deelachtig wordt in het geheim van het onderzoek. Voor het overige zou de schending van de discretieplicht kunnen worden gesanctionneerd overeenkomstig het reglement van de betrokken Kamer.
Een lid wijst erop dat de geloofwaardigheid zelf van de parlementaire instelling de inzet van het probleem vormt. Indien men een getuige met gesloten deuren hoort en hem discretie garandeert omdat hij bij voorbeeld informatie meedeelt die ernstige gevolgen kan hebben, en indien de parlementsleden geen sanctie oplopen wegens schending van de geheimhoudingsplicht, dreigt hun geloofwaardigheid daar ernstig onder te lijden.
In dat opzicht is het voorgestelde vijfde lid van artikel 3, volgens hetwelk de commissie de discretieplicht kan opheffen, zeer belangrijk omdat het aan de regeling een aanzienlijke en onontbeerlijke soepelheid verleent. Zo kan het gebeuren dat een onderzoekscommissie op een bepaald tijdstip tot de bevinding komt dat een bepaald gegeven dat als geheim werd beschouwd, dat niet meer hoeft te zijn in het belang van het publiek en van de Belgische Staat.
Het ontbreken in de huidige wetgeving van de discretieplicht heeft ongetwijfeld averechtse gevolgen gehad.
Een aantal gerechten hebben uit deze leemte zelfs argumenten geput, niet alleen om aan bepaalde personen toe te staan niet als getuige te verschijnen, maar zelfs om andere personen te veroordelen die voor een onderzoekscommissie verklaringen hadden afgelegd die als openbaar golden en bijgevolg als lasterlijke aantijgingen konden worden beschouwd.
De volgende spreekster is het ermee eens dat, wanneer aan de overtreding van de discretieplicht door parlementsleden geen sanctie verbonden is, niet alleen de geloofwaardigheid van de commissie maar ook haar doeltreffendheid daaronder kunnen lijden.
Immers, te vrezen valt dat een aantal personen die informatie bezitten, deze niet zullen willen meedelen omdat zij zich aan een risico blootstellen, vooral wanneer die informatie onder het geheim van het onderzoek valt.
De werkzaamheden van de onderzoekscommissies, de verleidingen waaraan de parlementsleden in bepaalde gevallen worden blootgesteld en de niet aflatende vragen vanwege onder meer de pers, bieden een voldoende reden om hen tegen die risico's te beschermen.
De fractie van spreekster staat dus gunstig tegenover een bepaling volgens welke de parlementsleden tot discretie gehouden zijn volgens de formulering en met de strafsanctie van artikel 458 van het Strafwetboek, zonder dat de commissie de discretieplicht kan opheffen.
Daarom wil zij het voorgestelde artikel 3 wijzigen als volgt :
« 1. In het voorgestelde artikel 3 het vierde lid te vervangen als volgt :
« De leden van de commissie en ieder die, in welke hoedanigheid ook, de werkzaamheden ervan bijwoont of eraan deelneemt, mogen de informatie waarvan zij kennis krijgen tijdens de niet-openbare vergaderingen van de commissie of de inlichtingen bedoeld in artikel 4, § 4, van deze wet niet bekend maken, buiten het geval waarin zij opgeroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht de geheimen waarvan zij kennis dragen bekend te maken. »
2. In hetzelfde artikel het vijfde lid te doen vervallen. »
Verantwoording
De indiener van het voorstel dringt er terecht op aan dat het noodzakelijk is de discretie van de werkzaamheden van de onderzoekscommissies te waarborgen « omdat het recht van onderzoek van de Kamers al te vaak op de helling is gezet door sommige leden die het niet zo nauw namen met die verplichting » (d.i. de discretieplicht van de werkzaamheden).
Het gaat dus om de efficiënte werking van de onderzoekscommissies.
Men kan zich evenwel afvragen of de voorgestelde tekst een passend antwoord biedt op het probleem : het instellen van een gewone discretieplicht, zonder verdere sancties, ten laste van de leden van en de deelnemers aan de onderzoekscommissies is nauwelijks meer dan een intentieverklaring.
Het voorstel bepaalt evenwel ook dat de onderzoekscommissies in principe toegang hebben tot informatie die gedekt is door het onderzoeksgeheim. Het heeft eveneens tot doel degenen die kennis hebben van een beroepsgeheim en die opgeroepen worden om voor een onderzoekscommissie getuigenis af te leggen, van vervolging wegens hun verklaringen vrij te stellen.
Het onderzoeksgeheim en het beroepsgeheim vormen een voldoende rechtvaardiging om de leden van en de deelnemers aan de onderzoekscommissies er ook toe te verplichten de geheimen die hun worden toevertrouwd, niet bekend te maken. Het is dan ook raadzaam deze leden en deze deelnemers te onderwerpen aan de sancties van artikel 458 van het Strafwetboek.
De toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek op parlementsleden lijkt in te gaan tegen de rechtsregel van artikel 58 van de Grondwet. De Raad van State was in dit verband evenwel de mening toegedaan dat wat de leden van de Wetgevende Vergaderingen betreft, « erkend moet worden dat de vrijheid van meningsuiting van bijzonder belang is voor verkozen vertegenwoordigers van het volk. Die vrijheid is echter niet absoluut, en kan derhalve aan beperkingen onderworpen worden op voorwaarde dat deze « nodig » zijn in een democratische samenleving. Het komt de Raad van State voor dat de beperking van de vrijheid van meningsuiting, met het oog op het bewaren van het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek, in de respectieve afweging van belangen een verantwoording kan vinden. » (Advies van de Raad van State van 22 augustus 1995 over het voorontwerp van wet houdende uitvoering van artikel 103 van de Grondwet, Gedr. St., Kamer, B.Z. 1995, nr. 61/1, blz. 66).
Ten slotte dient het vijfde lid te vervallen indien ervoor gekozen wordt om artikel 458 van het Strafwetboek toe te passen op de leden van en de deelnemers aan de onderzoekscommissies. Een onderzoekscommissie mag immers niet ingaan tegen een wettelijke verplichting tot geheimhouding.
Een lid is van mening dat de indieners van het wetsvoorstel terecht de uitdrukking « discretie » en niet het woord « geheimhouding » gebruiken. Men mag niet uit het oog verliezen dat krachtens de Grondwet de parlementsleden niet kunnen worden vervolgd inzoverre zij hun door artikel 58 van de Grondwet toegekend recht van « free speech » uitoefenen.
Men kan zich natuurlijk afvragen in welke mate de mening die zij vertolken de schending mag inhouden van een geheim dat door de wet wordt beschermd.
In ieder geval zou het verbod aan een parlementslid om zijn mening te uiten met betrekking tot elementen waarvan hij kennis heeft gekregen tijdens de behandeling van een zaak voor een onderzoekscommissie, strijdig zijn met de Grondwet.
Het lid verwijst voorts naar buitenlandse rechtsstelsels, zoals Frankrijk, waar de samenloop van een parlementair en een gerechtelijk onderzoek niet mogelijk is.
In dat verband stelt André Alen het volgende :
« Al bestaat er in België, in tegenstelling tot andere landen, geen verbod op dergelijke samenloop, toch kan de vermenging van het gerechtelijk en het parlementair onderzoek een miskenning van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces uitmaken. Dit is bij voorbeeld het geval wanneer de vermenging van die aard is dat hierdoor de strafrechter niet meer onafhankelijk en objectief kan oordelen. Aldus bestaat het risico dat een parlementair onderzoek, dat een gerechtelijk onderzoek doorkruist, paradoxaal ertoe leidt dat dit laatste zonder gevolgen blijft » (ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Deurne, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1995, blz. 174-175).
Spreker acht dit laatste argument niet overtuigend. Er zijn weliswaar voorbeelden waaruit men zou kunnen afleiden dat de inertie die in bepaalde gerechtelijke dossiers is vastgesteld, misschien het gevolg is van de publieke en/of politieke belangstelling voor dat onderzoek.
Met betrekking tot het onderscheid gemaakt door de minister tussen de onthulling van elementen uit een gerechtelijk onderzoek en de schending van de discretieplicht met betrekking tot andere inlichtingen, is het lid van oordeel dat het voorstel om in het eerste geval artikel 458 van het Strafwetboek toepasselijk te verklaren, strijdig is met artikel 58 van de Grondwet.
Bovendien loopt men het risico dat, wanneer de schending van de geheimhoudingsplicht in een parallel lopend parlementair onderzoek door een lid van de commissie een schending van artikel 458 van het Strafwetboek uitmaakt, dit de nietigheid van het gerechtelijk onderzoek kan meebrengen.
Het lid verzet zich derhalve tegen de strafbaarstelling van een parlementslid wegens schending van de geheimhoudingsplicht overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek en verkiest een bestraffing op grond van het reglement van de betrokken Kamer. Op grond van zijn ervaring inzake onderzoekscommissies meent hij dat er slechts weinig gevallen zijn van een moedwillige schending van de geheimhoudingsplicht, zelfs als het gedrag van sommigen af en toe een zekere irritatie heeft veroorzaakt bij degenen die zich strikt aan deze plicht hebben gehouden.
De volgende spreker sluit zich met name om praktische redenen bij dit standpunt aan. Het voorbeeld van een persconferentie door een lid van een onderzoekscommissie lijkt enigszins karikaturaal en zou geen opheffing van de onschendbaarheid van de betrokkene vereisen aangezien er ontdekking op heterdaad is.
Het zal veel vaker om indiscrete uitlatingen gaan waarover een onderzoek moet worden ingesteld, terwijl het openbaar maken van informatie uit een bespreking in een onderzoekscommissie, met uitzondering van de verwijzing naar het beroepsgeheim, in de huidige stand van zaken, geen misdrijf oplevert. Spreker is voorstander van een oplossing waarbij elke Kamer een regeling opstelt voor interne sancties, die wellicht veel efficiënter zullen zijn dan strafrechtelijke sancties.
Met betrekking tot het onderscheid tussen discretie en geheimhouding verklaart een lid dat de geheimhouding uiteraard eenvoudiger te controleren is. Het begrip « discretie » valt moeilijker te omschrijven. De inhoud ervan kan in functie van het uitgeoefende beroep namelijk variëren.
Hoewel principieel voorstander van de discretieplicht, heeft spreker toch bedenkingen bij het voorstel om de schending ervan door de betrokken Kamer te laten bestraffen. Wie zal beslissen over het al of niet verwijderen van een lid uit de onderzoekscommissie, op welke basis, welke garantie is er dat die beslissing niet politiek gekleurd zal zijn en bij voorbeeld genomen wordt in termen van meerderheid en oppositie ? Er zou bijgevolg moeten worden bepaald dat het uitgesloten lid zal worden vervangen door iemand van dezelfde fractie.
De rapporteur vestigt er de aandacht op dat Frankrijk en Nederland de geheimhoudingsplicht kennen, hoewel het Franse systeem moeilijk met het onze vergelijkbaar is, vermits er geen parlementair onderzoek mogelijk is met betrekking tot aangelegenheden waarover een gerechtelijk onderzoek loopt. Frankrijk is op dat punt een uitzondering; in de Verenigde Staten, Nederland en Duitsland bestaat een dergelijk verbod niet.
Te noteren valt dat de Nederlandse wet de nakoming van de geheimhoudingsplicht niet sanctioneert.
Spreker deelt het standpunt dat deze verplichting in ons grondwettelijk systeem niet strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd. De beoordeling van de schending van de discretieplicht is trouwens een delicate aangelegenheid waarover betwisting kan ontstaan, die aanleiding kan geven tot een onderzoek. Indien er een strafbaarstelling zou zijn, zouden zij die een onderzoekscommissie in haar werkzaamheden willen hinderen, een klacht kunnen indienen bij het minste vermoeden dat de geheimhouding is geschonden.
Het lid weet voorts uit ervaring dat de ongeloofwaardigheid en de machteloosheid van een onderzoekscommissie deels voortvloeien uit het feit dat er op haar leden geen geheimhoudingsplicht rust waarvan de naleving gewaarborgd is. Dit betekent een zware handicap voor haar werking, des te meer omdat sommige getuigen hun wantrouwen openlijk laten blijken. Spreker pleit dus voor het opnemen van een bepaling in de wettekst luidens welke de schending van de discretieplicht overeenkomstig het reglement van de betrokken Kamer zal worden gesanctioneerd.
Dezelfde spreker heeft bezwaar tegen het feit dat de commissie de discretieplicht kan opheffen : het is gevaarlijk getuigen of deskundigen eerst geheimhouding te beloven om ze daarna volledig of voor bepaalde punten op te heffen. Dit geldt in het bijzonder als men leden van het gerechtelijk apparaat hoort, of als het gaat om een gerechtelijk dossier.
Een lid meent dat de term « discretie » aanleiding kan geven tot verwarring. Hij vraagt de hoofdindiener van het voorstel of hij deze term opzettelijk heeft gekozen in plaats van « geheimhouding » en zo ja, om welke reden.
De indiener van het wetsvoorstel herinnert eraan dat het wetsvoorstel het gevolg is van de werkzaamheden van een gemengde werkgroep van Kamer en Senaat, belast met het onderzoek van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek. Het lid verwijst naar de blz. 12 tot 16 van het verslag van de werkgroep, uitgebracht door de heren Mouton en Landuyt (Gedr. St., Senaat, BZ 1991-1992, nr. 429-1), waaruit blijkt hoe de werkgroep het « beroepsgeheim », zoals bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, heeft geschrapt en vervangen door het begrip « discretieplicht ». Het woord « geheim » werd niet gekozen omdat het naar het beroepsgeheim verwijst. De discretieplicht houdt in dat men de informatie in principe vertrouwelijk houdt, maar dat dit geen absoluut karakter heeft.
Het vorige lid blijft van mening dat het beter is gebruik te maken van de term « geheimhouding » in zijn algemene betekenis aangezien de term « discretie » zeer dubbelzinnig is.
Een ander lid merkt op dat er toch wel beperkingen gesteld zijn op de vrije meningsuiting van de parlementsleden. Zij verwijst in dit verband naar het advies van de Raad van State in de verantwoording van haar voorstel tot wijziging van de tekst (blz. 52-53). Spreekster blijft bevreesd dat sommige personen zullen weigeren te getuigen indien zij onvoldoende waarborgen hebben met betrekking tot de vertrouwelijkheid van de inlichtingen die zij verstrekken. Het onderscheid dat de minister voorstelt tussen de gegevens die gedekt worden door het onderzoeksgeheim en die welke daardoor niet gedekt worden, is volgens haar moeilijk in de praktijk om te zetten. Volgens haar verdient het de voorkeur de geheimhouding te verruimen tot alle besprekingen in de onderzoekscommissie.
Een lid is van mening dat dit laatste voorstel onverenigbaar is met de werkzaamheden van een onderzoekscommissie, omdat het de publikatie van een verslag onmogelijk zou maken. Het is de omgekeerde wereld getuigenis te willen afleggen onder de voorwaarde dat de discretie zal worden verzekerd. In feite en in rechte zijn de opgeroepen personen verplicht om getuigenis af te leggen, behalve in de door de wet bepaalde uitzonderlijke gevallen (nl. wanneer de persoon zelf, de openbare veiligheid of de zedelijkheid in gevaar zouden kunnen worden gebracht).
De indiener van het wetsvoorstel beklemtoont dat dit punt wordt geregeld in het door artikel 4 voorgestelde artikel 8. Volgens deze bepaling hebben o.m. de getuigen ten aanzien van de onderzoekscommissie dezelfde verplichtingen als tegenover de onderzoeksrechter.
Wat de eedaflegging betreft, stelt hij vast dat het voormelde artikel de getuigen, de tolken en de deskundigen beoogt, maar geen gewag maakt van de andere personen die de vergaderingen van een onderzoekscommissie bijwonen (o.m. het administratief personeel van de Senaat). Deze leemte moet worden weggewerkt. Bij schending van de geheimhouding zouden zij uit de commissie moeten worden uitgesloten. Onverminderd mogelijke statutaire sancties, zouden zij ook strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Bovendien handelt artikel 8 nog over een ander punt, te weten de draagwijdte van de verplichting om te getuigen.
De vorige spreker verwijst naar het voorgestelde artikel 3, eerste lid, krachtens hetwelk de commissie wordt samengesteld en beraadslaagt met inachtneming van de regels die de Kamer bepaalt. Men zou in datzelfde artikel een bepaling kunnen invoegen over de verplichtingen van het administratief personeel dat de vergaderingen van een parlementaire onderzoekscommissie bijwoont.
De minister verklaart dat dit wetsvoorstel de onderzoekscommissies bijzonder sterke wapens in handen geeft.
Zij zullen veel verder kunnen gaan dan in het verleden, omdat zij alle in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen mogen nemen. Derhalve dient een geheimhoudingsplicht te worden opgelegd. In geval van schending zou er een onderscheid moeten worden gemaakt tussen de parlementsleden en de andere personen die de werkzaamheden van de commissie bijwonen.
Om die reden stelt hij voor het vierde lid van het voorgestelde artikel 3 te vervangen als volgt :
« De leden van de commissie en zij die in welke hoedanigheid ook de werkzaamheden ervan bijwonen of eraan deelnemen, zijn tot geheimhouding verplicht ten aanzien van alle informatie verstrekt tijdens de niet-openbare vergaderingen van de commissie of afkomstig uit een gerechtelijk dossier.
Schending van de geheimhouding door een lid van de commissie wordt gestraft met de sanctie bepaald in het reglement van de Kamer waartoe het behoort. Dat lid kan worden uitgesloten uit de onderzoekscommissie. De andere personen die de werkzaamheden van de commissie bijwonen of eraan deelnemen, worden gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. »
Het vijfde lid van het voorgestelde artikel 3 zou worden geschrapt.
Er wordt op gewezen dat de leden van de onderzoekscommissie geen eed afleggen met betrekking tot de geheimhouding van de informatie die verstrekt wordt tijdens niet-openbare vergaderingen. Andere personen die aan deze vergaderingen deelnemen of ze bijwonen, zoals tolken, deskundigen, commissiesecretarissen, zijn daartoe wel gehouden.
In aansluiting op de gedachtenwisseling over de vraag of het niet de voorkeur verdient om met betrekking tot de informatie die tijdens niet-openbare zittingen van de commissie is verstrekt, een strikte geheimhouding in te voeren in plaats van de al te vage discretieplicht, dient de heer Desmedt het volgende amendement in (nr. 5) :
« In het voorgestelde artikel 3 het vierde en het vijfde lid vervangen als volgt :
« De commissieleden zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verstrekt tijdens de niet-openbare commissievergaderingen. De commissie kan een passende sanctie opleggen aan ieder lid dat deze verplichting tot geheimhouding niet nakomt.
Ieder die, in welke hoedanigheid ook, de niet-openbare commissievergaderingen bijwoont of eraan deelneemt, is gehouden vooraf onder ede te verklaren het geheime karakter van de debatten te zullen naleven. »
De schending van het geheim karakter van de niet-openbare debatten maakt een inbreuk uit op artikel 458 van het Strafwetboek en wordt dienovereenkomstig bestraft.
Met betrekking tot het amendement van de heer Desmedt verklaart de rapporteur niet gewonnen te zijn voor de invoering van een geheimhoudingsplicht. Zijns inziens geldt de geheimhouding uitsluitend voor informatie die door de rechterlijke macht wordt verstrekt. Het begrip discretie daarentegen is ruimer de geheimhouding zal minder vaak worden geschonden dan de discretie en betreft derhalve eveneens de voor de commissie afgelegde getuigenverklaringen.
Het onderscheid tussen deze twee begrippen zou derhalve duidelijk moeten worden toegelicht.
Voorts acht hij het niet opportuun dat de onderzoekscommissie zelf « een passende sanctie kan opleggen aan ieder lid dat deze verplichting tot geheimhouding niet nakomt ».
De bevoegdheid daartoe zou aan de betrokken Kamer moeten worden verleend die in haar reglement de sancties moet bepalen.
Aldus wordt improvisatie en willekeur uitgesloten.
Hij dient daarom het volgende amendement in (nr. 4) :
« Het vierde lid van het voorgestelde artikel 3 aanvullen als volgt :
« Elke Kamer treft de maatregelen nodig voor het waarborgen van de naleving van de discretieplicht. »
Verantwoording
Een grote meerderheid is van mening dat het naleven van de discretieplicht essentieel is voor de goede werking van een onderzoekscommissie en voor het scheppen van een klimaat van vertrouwen voor de getuigen en deskundigen.
Daarom wordt best voorzien in middelen om de discretieplicht te doen naleven. Deze middelen kunnen evenwel geen strafrechtelijke sancties zijn. Daarom dringt een interne regel zich op in de vorm van een reglement van orde van de Kamer zelf.
Hij verzet zich echter niet tegen de door de minister gesuggereerde formule :
« Iedere schending van de geheimhouding door een lid van de commissie wordt gestraft overeenkomstig het reglement van de Kamer waartoe hij behoort. »
Een lid stemt in met dit laatste voorstel, maar kant zich tegen de opvatting dat het begrip « geheimhouding » een te beperkte draagwijdte heeft. Hij is de mening toegedaan dat het begrip discretie, in tegenstelling tot de geheimhouding, juridisch niet sluitend kan worden gedefinieerd. Het is derhalve onbegonnen werk om uit te maken in welke gevallen er al dan niet van indiscretie gewag kan worden gemaakt.
Een volgende spreker verklaart zich gewonnen voor het behoud van de term discretie. Hij argumenteert dat de geheimhoudingsplicht regelrecht ingaat tegen één van de grondbeginselen van ons staatsbestel, volgens hetwelk de leden van de federale Kamers de Natie vertegenwoordigen (artikel 42 van de Grondwet) en haar derhalve verantwoording verschuldigd zijn.
Indien de leden van een parlementaire onderzoekscommissie de geheimhouding dienen te bewaren inzake « gevoelige aangelegenheden », die door de media op de voet worden gevolgd, dreigt het gevaar dat de negatieve vermoedens en het wantrouwen van de publieke opinie ten opzichte van de werking van bepaalde overheidsdiensten, zich tegen het Parlement zullen keren en inzonderheid tegen de onderzoekscommissie.
Hij verdedigt derhalve het standpunt dat slechts bij wijze van uitzondering kan worden afgeweken van de algemene regel van de openbaarheid en een tijdelijke geheimhouding kan worden opgelegd. Het zou onaanvaardbaar zijn indien de geheimhouding tot stelregel zou worden verheven.
De minister antwoordt dat het voorgestelde artikel 3, derde lid, het principe van de openbaarheid huldigt, maar afwijkingen toestaat. Zo dringt de geheimhouding zich op voor informatie die uit nog niet afgesloten gerechtelijke dossiers is verkregen.
Een lid stelt zich op het standpunt dat informatie uit dergelijke dossiers niet a priori onder de geheimhouding valt.
De minister sluit niet uit dat dergelijke informatie in openbare zitting wordt besproken. De commissie zal zich daarover geval per geval moeten uitspreken.
Het lid acht het wenselijk dat de criteria worden omschreven op grond waarvan tot geheimhouding kan worden besloten.
Voorts vraagt hij zich af of het wel decent is dat een Kamer een parlementslid een sanctie kan opleggen omdat hij ondanks de schending van de geheimhouding de waarheid spreekt. Een dergelijke bepaling is niet bestaanbaar met artikel 58 van de Grondwet en kan om die reden niet worden aangenomen.
Een volgende spreker merkt op dat het vrijwel onmogelijk is de schending van het onderzoeksgeheim door een parlementslid strafrechtelijk, burgerrechtelijk of disciplinair te sanctioneren. Uit de praktijk blijkt dat het laten lekken van informatie uit gerechtelijke dossiers, hetgeen naar aanleiding van het onderzoek van de vraag om opheffing van de parlementaire onschendbaarheid reeds meermaals is voorgekomen, nauwelijks aanleiding geeft tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek.
Een en ander neemt niet weg dat hij, in navolging van de Franse wetgever, voorstander is om de schending van de geheimhouding door leden van een parlementaire onderzoekscommissie te bestraffen overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Er dient wel te worden aangestipt dat parlementaire onderzoekscommissies zich in Frankrijk niet over zaken mogen buigen waarover een gerechtelijk onderzoek loopt.
De indiener van het wetsvoorstel kan niet aanvaarden dat het principe van de transparantie wordt opgeofferd ter wille van louter vormelijke voorschriften.
Indien in het kader van een parlementair onderzoek naar de werking van het gerechtelijk apparaat getuigen met gesloten deuren worden gehoord, rijst de vraag of de geheimhouding in alle stadia van het onderzoek en dan nog in absolute termen moet worden bewaard.
De tijdens niet-openbare commissievergaderingen afgelegde getuigenverklaringen zullen immers tot een beraadslaging leiden waarvan de conclusies normalerwijze in een publiek verslag worden opgenomen. Alsdan komt men voor een dilemma te staan waarbij de beginselen van transparantie en geheimhouding tegen elkaar moeten worden afgewogen.
Spreker huldigt de opvatting dat het principe van de openheid daarbij de voorrang verdient omdat het een wezenskenmerk is van het grondwettelijk vastgesteld onderzoeksrecht van het Parlement, dat vertegenwoordiger is van de Natie.
Er dienen derhalve waarborgen ter vrijwaring van het gerechtelijk onderzoek te worden ingesteld, hetgeen echter niet uitsluit dat een parlementaire commissie feiten onderzoekt die het voorwerp van een gerechtelijk onderzoek uitmaken of dat zij strafbare feiten of aanwijzingen daarvan voor verder gevolg aan het parket overzendt.
Uit de voorgaande gedachtenwisseling is gebleken dat er binnen de commissie geen meerderheid voorhanden is om de schending van de geheimhouding door leden van een onderzoekscommissie strafrechtelijk te sanctioneren.
Op grond van het amendement van de heer Desmedt wordt besloten een duidelijk onderscheid te maken naargelang de geheimhouding wordt geschonden door de commissieleden of door andere personen die de niet-openbare commissievergaderingen hebben bijgewoond.
Wat de commissieleden betreft, dient de heer Vandenberghe c.s. het volgende subamendement (nr. 22) in op het amendement van de heer Desmedt (nr. 5) :
« Het voorgestelde vierde en vijfde lid vervangen als volgt :
« De leden van de Kamer zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verkregen naar aanleiding van de niet-openbare commissievergaderingen. Schending van de geheimhouding wordt gestraft met de sanctie bepaald in het reglement van de Kamer waartoe zij behoren. »
De sanctie zou kunnen neerkomen op een uitsluiting uit de onderzoekscommissie.
Wat de overige personen betreft, zou aan het voorgestelde artikel 8 een eerste lid kunnen worden toegevoegd waarin zou worden bepaald dat de schending van het beroepsgeheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek (cf. infra).
De indiener van het amendement stipt aan dat de woorden « naar aanleiding van de niet-openbare commissievergaderingen » de hypothese dekken waarin de commissie bij voorbeeld op het parket-generaal kennis neemt van bepaalde stukken.
In het verleden werd dit probleem opgelost door te beslissen dat, wanneer een onderzoekscommissie buiten het Parlement vergaderde om kennis te nemen van een gerechtelijk dossier, dit als een zitting van de commissie gold.
De leden van een onderzoekscommissie zijn derhalve eveneens tot geheimhouding verplicht wanneer zij buiten niet-openbare vergaderingen van de commissie kennis nemen van vertrouwelijke stukken die ter beschikking van de commissie zijn gesteld.
De heer Hotyat dient het volgende amendement in (nr. 23) :
« In het voorgestelde artikel 3, het vierde en het vijfde lid vervangen als volgt :
« De leden van de Kamer die informatie hebben bekendgemaakt verkregen naar aanleiding van de niet-openbare commissievergaderingen, worden gestraft overeenkomstig het reglement van de Kamer waartoe zij behoren.
De commissie kan die informatie openbaar maken, tenzij zij zich uitdrukkelijk heeft verbonden dat niet te doen.
Schending van de uitdrukkelijk door de commissie gewaarborgde geheimhouding wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. »
Verantwoording
De voorgestelde tekst voorziet in twee soorten straffen voor de schending van het geheim van de commissievergaderingen achter gesloten deuren :
1. een tuchtstraf voor de schending van het geheim van de besloten vergadering;
2. een strafsanctie die identiek is met die bepaald voor de schending van het beroepsgeheim, wanneer men zich niet houdt aan de geheimhouding die de commissie uitdrukkelijk heeft beloofd te zullen bewaren.
Deze laatste sanctie komt ook voor in een aantal buitenlandse rechtsstelsels, onder andere in Frankrijk.
De absolute bescherming die parlementsleden genieten wanneer zij hun mening uitbrengen in de uitoefening van hun functie (art. 58 van de Grondwet) wordt daarbij niet ter discussie gesteld.
Niet het uitbrengen van een mening is hier bedoeld, maar het onthullen van specifieke informatie die moet worden beschermd, of die de commissie heeft beloofd te zullen beschermen. Het zou kunnen gaan om een onderzoeksdossier, om de naam van een getuige, ...
Aangezien de parlementsleden enige macht hebben over derden, lijkt het normaal dat deze laatsten de waarborg krijgen dat hun rechten worden beschermd.
De Raad van State heeft voor dit standpunt gekozen in zijn advies over het voorontwerp van wet tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de ministers (Gedr. St., Kamer, nr. 61/1 B.Z. 1995).
Verschillende leden herhalen hun verzet tegen dit amendement. Zij achten het onaanvaardbaar en strijdig met artikel 58 van de Grondwet dat een parlementslid op grond van artikel 458 van het Strafwetboek zou worden gestraft voor hetgeen hij in de uitoefening van zijn functie heeft gedaan of gezegd. De immuniteit welke parlementsleden krachtens het voormeld grondwetsartikel genieten, is een van de elementen die borg staat voor de relatief lage corruptiegraad in onze samenleving.
De minister stelt zich op het standpunt dat de schending van de geheimhoudingsplicht door parlementsleden die niet-openbare vergaderingen van een onderzoekscommissie hebben bijgewoond, in navolging van de ons omringende landen (Frankrijk, Duitsland en Italië) moet worden bestraft.
Een lid wenst te weten of iemand die schade heeft geleden doordat bepaalde gegevens uit een gerechtelijk dossier werden vrijgegeven door een lid van een parlementaire onderzoekscommissie, aanspraak kan maken op schadevergoeding. Hoe moet die benadeelde te werk gaan ? Kan hij een vordering bij de burgerlijke rechtbank instellen conform de regels van het Gerechtelijk Wetboek ? Moet de parlementaire onschendbaarheid al dan niet worden opgeheven ?
Er wordt geantwoord dat de parlementaire onschendbaarheid niet hoeft te worden opgeheven als de benadeelde een vordering tot schadevergoeding voor de burgerlijke rechtbank inleidt op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek.
Het bewijs van de fout wordt wel vergemakkelijkt indien de geheimhoudingsplicht in de wet is ingeschreven.
Spreker verklaart dat volgens de ter zake geldende rechtsleer geen burgerlijke rechtsvordering tegen een parlementslid kan worden ingesteld omdat dat parlementslid krachtens artikel 58 van de Grondwet niet ter verantwoording kan worden geroepen voor de meningen die hij verkondigt. Hij geniet op dat vlak volledige onschendbaarheid.
In dit verband heeft J. Velu opgemerkt dat « artikel 58 elke rechtsvervolging of elk onderzoek verbiedt... De immuniteit is bovendien van toepassing op burgerlijke rechtsvorderingen en eventueel op tuchtrechtelijke vorderingen. Men kan dus tegen een parlementslid geen vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek instellen voor schade die voortvloeit uit meningen die dat parlementslid geuit heeft in de uitoefening van zijn functie » (VELU, J., Droit public, Bruxelles, Bruylant, 1986, blz. 497-498).
Mag men besluiten dat de beperking die dit wetsvoorstel invoert op het vlak van de geheimhouding van de besprekingen, een op burgerrechtelijke aansprakelijkheid berustende vordering mogelijk maakt ?
Een lid antwoordt dat dit punt niet duidelijk is. De onschendbaarheid die door artikel 58 van de Grondwet gewaarborgd wordt, is algemeen. Zij betreft de strafvordering zowel als de vervolging voor een burgerlijke rechtbank of een tuchtgerecht.
In zijn advies over het wetsontwerp tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de ministers verklaart de Raad van State evenwel dat die vrijheid van meningsuiting niet absoluut is. Ze kan beperkt worden op voorwaarde dat die beperkingen « nodig » zijn in een democratische samenleving (bijvoorbeeld het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek). Die beperking is meer bepaald ingegeven door het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens.
Op grond hiervan kan volgens de Raad van State worden verantwoord dat het voorgestelde artikel 16 van het voormelde wetsontwerp de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers een geheimhoudingsplicht oplegt waarvan de schending strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. Deze beperking van de vrijheid van meningsuiting vindt haar grondslag in het feit dat de kamerleden aan een onderzoek in strafzaken deelnemen (Advies van de Raad van State over het wetsontwerp tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de ministers, Gedr. St., Kamer, B.Z. 1995, nr. 61/1, blz. 65-66).
De indiener van het wetsvoorstel merkt op dat het kwestieuze advies over de ministeriële verantwoordelijkheid handelt en bijgevolg niet helemaal relevant is voor zijn voorstel.
De situatie waarin parlementsleden deel uitmaken van een onderzoekscommissie is niet te vergelijken met de toestand waarbij de Kamer van volksvertegenwoordigers optreedt als kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van een strafvervolging tegen een minister.
In dit laatste geval heeft de Kamer een bepaalde onderzoeks- of beoordelingsbevoegdheid waarover een parlementaire onderzoekscommissie niet beschikt.
De procedure die voor het onderzoek van de strafrechtelijke ministeriële aansprakelijkheid zou gelden, is niet relevant voor het parlementair onderzoek, omdat het parlementslid in dit laatste geval in een andere hoedanigheid kennis neemt van een zaak, namelijk op grond van artikel 56 van de Grondwet.
Het is niet logisch te stellen dat enerzijds de immuniteit van artikel 58 van de Grondwet een absoluut karakter heeft en anderzijds dat de parlementsleden strafbaar zijn naar aanleiding van feiten gepleegd in het kader van hun parlementair mandaat.
De amendementen van de heren Bourgeois (nr. 4) en Desmedt (nr. 5) worden verworpen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.
Het subamendement van de heer Vandenberghe c.s. (nr. 22) wordt aangenomen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.
Het amendement van de heer Hotyat (nr. 23) wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
2. Beslissing om met gesloten deuren te vergaderen
Met betrekking tot het voorgestelde artikel 3, derde lid, merkt de heer Erdman op dat artikel 93 van de gemeentewet eveneens het beginsel van de openbaarheid van de vergaderingen van de gemeenteraad bevat, tenzij met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden, in het belang van de openbare orde en op grond van ernstige bezwaren tegen de openbaarheid, anders wordt beslist.
In dat verband dient hij het volgende amendement in (nr. 3) :
« Het derde lid van het voorgestelde artikel 3 aanvullen als volgt :
« Wanneer tijdens de openbare zitting blijkt dat de behandeling in besloten vergadering moet worden voortgezet, kan de commissie daartoe onmiddellijk beslissen. »
Verantwoording
De noodzaak kan tijdens de werkzaamheden blijken (cf. artikel 95 van de nieuwe gemeentewet).
Voorts verklaart hij dat, wanneer een onderzoekscommissie besloten heeft iemand met gesloten deuren te horen, niet op deze beslissing mag worden teruggekomen, anders ondergraaft men de aan de betrokkene toegezegde geheimhouding.
Een ander lid merkt op dat, wanneer een onderzoekscommissie beslist iemand op een niet-openbare zitting te horen, de geheimhouding in de eerste plaats de identiteit van de getuige betreft, maar ook de identiteit van degenen die door de getuige worden vernoemd of in opspraak worden gebracht.
Een en ander betekent echter niet dat de commissie van deze verklaringen geen gebruik zou mogen maken. Zij kan derhalve beslissen bepaalde feiten bekend te maken, zonder bronvermelding en zonder dat de identiteit van de bij deze feiten betrokken personen wordt vrijgegeven.
Het enkele feit dat een commissie met gesloten deuren vergadert, mag dus niet in die zin worden geïnterpreteerd dat op alle verklaringen die dan zijn afgelegd, de geheimhouding rust. Dat geldt slechts voor zover de commissie zich ten aanzien van een getuige ertoe verbonden heeft zijn anonimiteit te bewaren.
Een volgende spreker wijst erop dat verschillende redenen een commissie ertoe kunnen overhalen met gesloten deuren te vergaderen.
In de eerste plaats om inlichtingen te verzamelen welke tijdens een openbare zitting niet zouden kunnen worden verkregen. Ten tweede om informatie af te schermen waarvan de onmiddellijke openbaarheid het verloop van het gerechtelijk onderzoek kan schaden, de veiligheid van bepaalde personen in het gedrang brengt, bepaalde verdachten de tijd geeft te vluchten of bewijsmateriaal te hunnen laste te vernietigen enzovoort.
De wet kan echter niet alle mogelijke gevallen bepalen waarin de geheimhouding vereist is.
Het is daarom wenselijk dat de mogelijkheid om in bepaalde gevallen van het beginsel van de openbaarheid af te wijken in de wet wordt ingeschreven en dat, in voorkomend geval, de naleving van de geheimhouding wordt gewaarborgd.
Als besluit stelt spreker dat de onderzoekscommissie als dusdanig in haar verslag niet door de plicht tot geheimhouding is gebonden, maar zelf beslist welke besluiten zij uit de getuigenverklaringen trekt en welke informatie zij al dan niet vrijgeeft. De commissie kan hiervoor geen sanctie oplopen.
Het is evenwel een andere zaak wanneer een commissielid de door de commissie overeengekomen geheimhouding schendt.
Een ander lid stelt dat de geheimhouding in de eerste plaats de identiteit van de getuige kan betreffen en ten tweede de informatie waarvan de commissie oordeelt dat ze niet openbaar mag worden gemaakt.
Met betrekking tot de informatie die tijdens een niet-openbare vergadering wordt verstrekt, geldt het volgende onderscheid. In de eerste plaats zijn er de verklaringen waarvan de commissie de onthulling niet opportuun acht. Ten tweede is er de informatie waarvan de commissie het gewicht niet onmiddellijk kan inschatten.
Op het einde van haar werkzaamheden zal de commissie moeten beslissen welke inlichtingen zij in haar publiek verslag opneemt of niet.
Vraag is welke bescherming er vóór de publikatie van het eindverslag aan de tijdens niet-openbare zittingen ingewonnen informatie moet worden verleend. Hoe zal de aan bepaalde getuigen toegezegde anonimiteit behouden blijven ?
Verschillende leden achten het onlogisch dat, wanneer een onderzoekscommissie besloten heeft met gesloten deuren te vergaderen, zij achteraf toch nog de mogelijkheid zou hebben de dan ingewonnen informatie openbaar te maken. Een dergelijke procedure zal tot oeverloze discussies leiden.
Zij stellen zich op het standpunt dat de beslissing van de commissie om met gesloten deuren zitting te houden, ipso facto de plicht tot geheimhouding meebrengt.
Een ander lid is de mening toegedaan dat er inzake de geheimhouding een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de informatiebron en anderzijds de inhoud van de informatie.
In het eerste geval speelt de geloofwaardigheid van de getuige mee die slechts verklaringen wenst af te leggen als hem geheimhouding wordt gegarandeerd. In een dergelijk geval kunnen noch de commissie, noch haar leden de geheimhouding opheffen en hun bron bekendmaken.
Wat de inhoud betreft, dienen de commissieleden het stilzwijgen te bewaren over tijdens niet-openbare vergaderingen verkregen informatie zolang de commissie zelf geen beslissing heeft genomen over de vraag welke informatie zij al dan niet in haar eindverslag zal publiceren.
De indiener van het wetsvoorstel is van oordeel dat de procedure als volgt dient te verlopen.
Indien de commissie beslist met gesloten deuren te vergaderen, geldt de geheimhouding aanvankelijk voor alles wat er is gezegd. Indien aan een getuige toezeggingen werden gedaan nopens bij voorbeeld de geheimhouding van zijn identiteit, dan dient de commissie haar verbintenis na te komen. Voor het overige apprecieert de commissie soeverein wat zij met de verkregen informatie aanvangt.
Om die reden bepaalt het voorgestelde artikel 3, laatste lid, dat de commissie de discretieplicht kan opheffen. De discretie- of geheimhoudingsplicht is relatief omdat ook het gerechtelijk onderzoek na verloop van tijd openbaar wordt.
De ratio legis van deze bepaling is de onderzoekscommissie de bevoegdheid te verlenen bepaalde getuigen met gesloten deuren te horen. Achteraf kan zij beslissen bepaalde elementen uit deze getuigenissen toch in het verslag op te nemen. De commissie mag echter niet terugkomen op haar beslissing waarbij zij een getuige geheimhouding heeft toegezegd.
Om deze reden stelt hij voor in het voorgestelde artikel 3, laatste lid, te bepalen dat de commissie de discretieplicht kan opheffen tenzij zij ter zake een andere beslissing heeft genomen.
Een onderzoekscommissie die tijdens een niet-openbare zitting een getuige heeft gehoord, kan derhalve de geheimhouding ongedaan maken tenzij zij zich uitdrukkelijk verbonden heeft deze te bewaren.
Volgens een ander lid kan de commissie de geheimhouding slechts in één geval niet herroepen, namelijk wanneer zij een getuige heeft toegezegd zijn identiteit niet te onthullen. De inhoud van zijn getuigenis kan echter wel door de commissie openbaar worden gemaakt.
De vraag wordt gesteld of de naam van een anonieme getuige mag voorkomen in de lijst van alle gehoorde personen, zonder dat in het verslag wordt bepaald welk getuigenis aan hem moet worden toegeschreven, dan wel of de hem toegezegde anonimiteit absoluut is.
Er wordt geantwoord dat dit een feitenkwestie is welke de commissie moet appreciëren.
Een lid verklaart dat de vraag naar de reikwijdte van de geheimhouding moet worden beoordeeld vanuit het oogpunt van het belang dat men aan de tijdens een gesloten zitting verkregen informatie hecht.
Dit kan het geval zijn wanneer aan een getuige de geheimhouding werd gewaarborgd. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat getuigenissen die niet mogen worden onthuld, naar analogie van anonieme getuigenissen in gerechtszaken, het onderzoek hoogstwaarschijnlijk weinig zullen bijbrengen.
Zijns inziens dient in het belang van de transparantie naar het publiek toe te worden vermeden dat de geheimhouding in se als een waarde wordt beschouwd.
De geheimhouding moet dus functioneel worden geïnterpreteerd.
De minister is van oordeel dat de geheimhouding niet alleen ten opzichte van met gesloten deuren gehoorde getuigen geldt, maar ook ten aanzien van stukken uit een gerechtelijk dossier. Indien de commissie zich tegenover justitie ertoe verbonden heeft de geheimhouding te bewaren over stukken waarvan zij inzage verkrijgt, dan kan zij daarvan achteraf in haar verslag geen melding maken.
De commissie sluit zich hierbij aan.
Op grond van de voorgaande gedachtenwisseling, dient de heer Lallemand een hoofdamendement en een subsidiair amendement in (nrs. 8 en 9) :
1. « A. In het tweede lid van het voorgestelde artikel 3, na de woorden « tenzij de Kamer » invoegen de woorden « of de commissie ».
B. Het derde lid van dit artikel vervangen als volgt :
« De commissievergaderingen zijn openbaar.
De commissie kan echter op ieder tijdstip anders beslissen. »
Verantwoording
Het lijkt niet raadzaam om de besloten vergaderingen te beperken tot die waar getuigen of deskundigen worden gehoord.
De voorbereiding van de ondervraging van deskundigen bijvoorbeeld moet achter gesloten deuren kunnen gebeuren, anders kan het onderzoek daar nadeel van ondervinden.
C. In het voorlaatste lid van hetzelfde artikel de woorden « De leden van de commissie » vervangen door de woorden « De leden van de Kamer ... ».
D. Het laatste lid van hetzelfde artikel vervangen als volgt :
« De commissie kan de geheimhoudingsplicht opheffen tenzij zij zich uitdrukkelijk heeft verbonden om de geheimhouding in acht te nemen. »
2. « Het laatste lid van het voorgestelde artikel 3 vervangen als volgt :
« De commissie kan de geheimhoudingsplicht opheffen, met uitzondering van hetgeen zij uitdrukkelijk niet openbaar wil maken. »
Verantwoording
Deze formule is meer beperkend.
Ze geeft wel aan dat de geheimhoudingsplicht niet slaat op een getuigenverklaring in haar geheel, maar bijvoorbeeld alleen op de identiteit van de getuige of op andere omstandigheden of feiten waaromtrent een uitdrukkelijke beslissing is genomen om ze tijdens het verhoor niet openbaar te maken.
Met betrekking tot littera B van het amendement nr. 8 is een lid van mening dat de betrokken Kamer zelf ook de bevoegdheid moet hebben om op ieder tijdstip te beslissen dat de vergaderingen van een onderzoekscommissie met gesloten deuren zullen plaatshebben.
Verschillende leden verzetten zich tegen deze opvatting. De commissie moet zelf kunnen beslissen over het verloop van haar werkzaamheden.
Dit betekent dat de Kamer, die volgens het voorgestelde artikel 3, eerste lid, de regels m.b.t. de samenstelling en de beraadslagingen van de commissie bepaalt, niet kan beslissen dat alle vergaderingen van die commissie geheim zullen zijn.
De commissie sluit zich hierbij aan.
Met betrekking tot littera C wordt opgemerkt dat de geheimhoudingsplicht op alle leden van de betrokken Kamer rust omdat zij in principe allen het recht hebben om de vergaderingen van de onderzoekscommissie bij te wonen.
In de praktijk is het zo dat, wanneer een commissie beslist om met gesloten deuren zitting te houden, uitsluitend de leden van de commissie toegang tot de vergadering hebben.
Om deze reden bepaalt littera A van het amendement dat niet alleen de betrokken Kamer, maar ook de commissie kan beslissen af te wijken van de regel dat ieder lid van de betrokken Kamer de vergaderingen van de commissie mag bijwonen.
Het reglement van de Senaat bevat dienaangaande geen bepaling.
De commissie onderschrijft littera D van het amendement. De onderzoekscommissies kunnen immers niet alleen de naam van de getuige, maar ook een deel of zelfs het geheel van zijn verklaringen geheim houden.
Het wordt niet nodig geacht te preciseren dat de onderzoekscommissie er zich « voorafgaand » uitdrukkelijk toe dient te hebben verbonden de geheimhouding in acht te nemen.
Het amendement van de heer Erdman (nr. 3) wordt verworpen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.
Het amendement van de heer Lallemand (nr. 8) wordt aangenomen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen. Zijn subsidiair amendement (nr. 9) wordt met hetzelfde stemmental verworpen.
Het aldus geamendeerde artikel 2 wordt als artikel 4 aangenomen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.
Art. 4
Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 3. De commissie wordt samengesteld en beraadslaagt met inachtneming van de regels die de Kamer bepaalt.
Ieder lid van de Kamer heeft het recht om het onderzoek van de commissie bij te wonen, tenzij de Kamer of de commissie anders beslist.
De commissievergaderingen zijn openbaar. De commissie kan echter op ieder tijdstip anders beslissen.
De leden van de Kamer zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verkregen naar aanleiding van de niet-openbare commissievergaderingen. Schending van die geheimhouding wordt gestraft met de sanctie bepaald in het reglement van de Kamer waartoe zij behoren.
De commissie kan de geheimhoudingsplicht opheffen tenzij zij zich uitdrukkelijk heeft verbonden om de geheimhouding in acht te nemen. »
Art. 3
Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 4. § 1. De Kamer of de commissie, alsook hun voorzitter voor zover deze daartoe gemachtigd wordt, kunnen alle in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen nemen.
De Kamer of de commissie kan tijdens de loop van een onderzoek de opdracht uitbreiden of beperken.
§ 2. De Kamer of de commissie kan, na advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep, voor het uitvoeren van op voorhand welbepaalde onderzoeksverrichtingen, één of meerdere raadsheren in het hof van beroep of rechters in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, waarin de onderzoeksverrichtingen moeten geschieden, aanstellen.
De aangestelde magistraat kan, wanneer hij van oordeel is dat ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen, buiten zijn ambtsgebied optreden en zijn onderzoek tot heel het Rijk uitbreiden.
§ 3. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een inbeslagneming van materiële goederen of een huiszoeking omvatten, is de in de tweede paragraaf bedoelde aanstelling verplicht.
§ 4. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in criminele, correctionele, politie- en tuchtzaken richt de commissie een schriftelijk verzoek tot het lichten van een afschrift van de onderzoeksverrichtingen en de proceshandelingen die noodwendig geacht worden, tot de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het Militair Hof.
Zo deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent niet te kunnen ingaan op het verzoek, kan de Kamer, de commissie of hun voorzitter hiertegen bezwaar indienen bij een ad hoc-college, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof, met name de voorzitter, het oudste lid magistraat en het oudste lid gewezen parlementslid; dit college houdt zitting met gesloten deuren en hoort de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen, in het bijzonder de eerbiediging van de rechten van verdediging.
§ 5. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in bestuurszaken, richt de commissie een schriftelijk verzoek tot de bevoegde minister of staatssecretaris, die aan dat verzoek onmiddellijk gevolg moet geven. »
Er wordt op gewezen dat de voorzitter van de Kamer of van de commissie de in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen slechts mag nemen voor zover hij daartoe door de Kamer of de commissie is gemachtigd.
Het staat de onderzoekscommissies vrij een reglement van orde op te stellen waarin de voorwaarden worden bepaald waaronder de voorzitter van de commissie de bovenvermelde onderzoeksmaatregelen mag nemen. De commissie kan echter evengoed beslissen geval per geval na te gaan of zij haar voorzitter de in paragraaf 1 bedoelde machtiging wenst te geven.
Wat de schrapping van het tweede lid betreft, wordt verwezen naar de bespreking van artikel 1ter (blz. 45-47).
De minister verklaart dat de voorgestelde regeling te weinig rekening houdt met het beginsel van de scheiding der machten. Ze suggereert immers dat de voorzitter van de commissie een zekere controle uitoefent op de aangestelde magistraat.
Om deze reden stelt hij een andere regeling voor die de eerste voorzitter van het hof van beroep een soort sluisfunctie geeft.
Het voorgestelde artikel 4, § 2, eerste lid, zou derhalve als volgt kunnen worden gewijzigd :
« De Kamer of de commissie kan een verzoek richten tot de eerste voorzitter van het hof van beroep om, voor het uitvoeren van op voorhand welbepaalde onderzoeksverrichtingen, één of meer raadsheren in het hof van beroep of rechters in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de onderzoeksverrichtingen moeten geschieden, aan te stellen.
Voor de uitvoering van deze onderzoeksverrichtingen staat de aangestelde magistraat onder toezicht en leiding van de voorzitter van de commissie. Hij brengt schriftelijk verslag uit aan de eerste voorzitter van het hof van beroep, die dit verslag meedeelt aan de commissie. »
Een lid heeft enige bedenkingen bij het voorstel van de minister om, in tegenstelling tot het wetsvoorstel, niet aan de onderzoekscommissie, maar aan de eerste voorzitter van het hof van beroep de bevoegdheid te verlenen de magistraat aan te stellen die de door de commissie bepaalde onderzoeksverrichtingen moet uitvoeren. Deze magistraat staat hierbij onder toezicht en leiding van de voorzitter van de commissie, maar brengt verslag uit aan de eerste voorzitter van het hof van beroep, die dat verslag meedeelt aan de commissie.
Spreker verduidelijkt zijn oppositie tegen deze procedure aan de hand van de volgende vergelijking.
Magistraten die naar een ministerieel kabinet zijn gedetacheerd, staan voor hun activiteiten op dat kabinet niet onder toezicht en leiding van hun korpsoverste, maar hangen af van de minister.
Interveniënt huldigt de stelling dat de onderzoekscommissies over een magistraat moeten kunnen beschikken met de bevoegdheden van een onderzoeksrechter.
Deze magistraat wordt weliswaar aangesteld door zijn hiërarchische overste, maar staat onder toezicht en leiding van de voorzitter van de commissie. Dit betekent dat hij aan zijn korpsoverste geen verslag mag uitbrengen over de uitvoering van de hem gevraagde onderzoeksverrichtingen. Aldus wordt elke dualiteit voorkomen.
Het is immers perfect mogelijk dat een parlementaire commissie een onderzoek instelt naar de wijze waarop justitie bepaalde problemen behandelt. In een dergelijke hypothese is het ondenkbaar dat de magistraat aan wie de commissie opdraagt bepaalde onderzoeksverrichtingen te stellen, in eerste instantie aan de eerste voorzitter van het hof van beroep verslag zou moeten uitbrengen, zodat deze laatste een toezicht op het onderzoek kan uitoefenen.
De door de minister voorgestelde formule luidt eigenlijk een terugkeer in naar de regeling waarbij een parlementaire commissie haar onderzoek beëindigde wanneer ze geconfronteerd werd met strafbare feiten welke aanleiding gaven tot vervolging.
Dit gaat regelrecht in tegen de ratio legis van het wetsvoorstel dat onder meer in geval van samenloop van een parlementair en een gerechtelijk onderzoek in een arbitrageformule voorziet.
De minister verklaart dat de verplichting voor de magistraat om aan de eerste voorzitter van het hof van beroep verslag uit te brengen over zijn onderzoeksverrichtingen, moet worden begrepen als een waarborg dat de magistraat bij het uitvoeren van zijn opdracht gebonden blijft door alle in dat verband geldende wettelijke bepalingen en er niet toe kan worden gedwongen onregelmatigheden te begaan. Doen er zich op dat vlak problemen voor, dan kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, dank zij het verslag van de magistraat, nog bij de commissie tussenkomen.
De vorige spreker is het met die verantwoording eens, maar blijft zich tegen de voorgestelde verslagprocedure verzetten.
Indien de voorzitter van een onderzoekscommissie een magistraat belast met een opdracht die onwettig is (bijvoorbeeld een telefoontap zonder inachtneming van de wettelijke voorwaarden), dan komt het niet de eerste voorzitter toe hierover te arbitreren, maar dan dient de betrokken magistraat zelf de verantwoordelijkheid te nemen om de opdracht te weigeren uit te voeren.
Spreker sluit zich wel aan bij het voorstel van de minister om in de wettekst een bepaling in te voegen overeenkomstig welke de magistraat bij het uitvoeren van onderzoeksverrichtingen ertoe gehouden is alle wettelijke voorschriften na te leven.
Stelregel is dat de onderzoekscommissie bij haar werkzaamheden door de wet gebonden is. Dit impliceert dat de magistraat die onder toezicht en leiding van de voorzitter van deze commissie werkt, het recht heeft zich tegen de uitvoering van een onderzoeksopdracht te verzetten wanneer die een schending van de wet inhoudt.
Met het oog op de bescherming van alle in het geding zijnde belangen, van de rechten van de verdediging en van de democratie dient er een dam te worden opgeworpen tegen mogelijke misbruiken of deviante toepassingen van de wettelijke regeling inzake onderzoeksverrichtingen.
De commissie sluit zich hierbij aan.
De volgende spreker is het ermee eens dat de magistraat die wordt aangewezen om bepaalde onderzoeksverrichtingen uit te voeren, enkel onder toezicht en het gezag van de voorzitter van de commissie werkt.
Hij ziet niet in waarom die magistraat, in het kader van de opdracht die hij van de onderzoekscommissie heeft gekregen, verslag zou moeten uitbrengen aan de eerste voorzitter van het hof van beroep, die het dan op zijn beurt aan de commissie moet bezorgen.
Die omweg verraadt naar zijn mening enig wantrouwen ten opzichte van de parlementaire onderzoekscommissies. Hij acht het niet wenselijk dat de eerste voorzitter van het hof de regelmatigheid nagaat van de onderzoeksverrichtingen die aan de magistraat-onderzoeker zijn opgedragen.
De minister wijst erop dat de procedure gefaseerd verloopt. Eerst verzoekt de commissie de eerste voorzitter van het hof van beroep een magistraat aan te stellen voor het uitvoeren van op voorhand welbepaalde onderzoeksverrichtingen. Vervolgens voert de aangestelde magistraat de gevraagde onderzoeksverrichtingen uit, waarbij hij onder toezicht en leiding van de commissievoorzitter staat. Indien de magistraat twijfels heeft over de hem gevraagde onderzoeksdaden, kan hij de eerste voorzitter van het hof van beroep hierover raadplegen. De verslagprocedure komt tegemoet aan de noodzaak controle uit te oefenen op de regelmatigheid van de onderzoeksverrichtingen. Tevens maakt het een disciplinair toezicht mogelijk.
Hij is voorts van mening dat de taak die aan de magistraat wordt opgedragen, duidelijk afgebakend moet zijn en schriftelijk moet worden vastgelegd, naar het voorbeeld van de vordering die de procureur des Konings aan de onderzoeksrechter stuurt.
Een lid wenst te weten wat er moet gebeuren als de eerste voorzitter van het hof van beroep om de een of andere reden, bij voorbeeld gebrek aan beschikbare magistraten, niet ingaat op het verzoek van een onderzoekscommissie om een magistraat aan te stellen voor het uitvoeren van de door de commissie bepaalde onderzoeksmaatregelen.
Zowel de commissie als de minister achten dit onaanvaardbaar.
Om die reden wordt beslist in de door de minister voorgestelde tekst van artikel 4, § 2, eerste lid, de woorden « tot de eerste voorzitter van het hof van beroep om ... aan te stellen » te vervangen door de woorden « tot de eerste voorzitter van het hof van beroep die .... aanstelt ». Aldus rust er op de eerste voorzitter een verplichting een magistraat aan te stellen voor het uitvoeren van de door de commissie bepaalde onderzoeksmaatregelen.
Eveneens inzake het door de minister voorgestelde artikel 4, § 2, eerste lid , acht de rapporteur het wenselijk dat de voor de uitvoering van de onderzoeksmaatregelen aangestelde magistraat schriftelijk verslag uitbrengt aan de onderzoekscommissie en niet aan haar voorzitter. Het is daarentegen wel noodzakelijk dat deze laatste het toezicht en de leiding heeft over de onderzoeksmagistraat.
De commissie sluit zich bij deze opvatting aan.
Om deze reden wordt beslist dat de aangestelde magistraat schriftelijk verslag uitbrengt aan de commissie over de resultaten van zijn onderzoek.
De heer Vandenberghe c.s. dient het volgende amendement in (nr. 24 A) :
« Het voorgestelde artikel 4 wijzigen als volgt :
Het eerste lid van § 2 vervangen als volgt :
« § 2. Voor het uitvoeren van onderzoeksverrichtingen die vooraf bepaald moeten worden, kan de Kamer of de commissie een verzoek richten tot de eerste voorzitter van het hof van beroep die een of meer raadsheren in het hof van beroep of een of meer rechters in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de onderzoeksverrichtingen moeten geschieden, aanstelt.
Voor de uitvoering van deze onderzoeksverrichtingen staat de aangestelde magistraat onder leiding van de voorzitter van de commissie. Hij stelt een schriftelijk verslag op waarin de resultaten van zijn onderzoek worden opgetekend. »
Het begrip « onder leiding van de voorzitter van de commissie » impliceert niet dat deze laatste een disciplinair toezicht uitoefent op de aangestelde magistraat.
Het amendement van de heer Vandenberghe c.s. (nr. 24A) wordt aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Een lid wenst te weten om welke reden de aangestelde magistraat slechts buiten zijn ambtsgebied kan optreden en zijn onderzoek tot heel het Rijk kan uitbreiden, « wanneer hij van oordeel is dat ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen ».
Zijns inziens zullen de betrokken magistraten steeds buiten hun ambtsgebied optreden omdat zij van oordeel zullen zijn dat « ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen ».
Zou het daarom niet wenselijk zijn deze voorwaarde te schrappen ?
Aldus wordt voorkomen dat zij aanleiding geeft tot een stereotiepe motivering die weinig om het lijf heeft.
De minister betoont zich hiervan geen voorstander. Hij is de mening toegedaan dat het voorstel van de vorige spreker kan leiden tot een verstoring van de werking van het gerechtelijk apparaat. Hij pleit bijgevolg voor het behoud van de motiveringsplicht. Slechts als de aangestelde magistraat aantoont dat ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen, kan hij buiten zijn ambtsgebied optreden. Slaagt hij daar niet in, dan zal een andere magistraat moeten worden aangesteld die territoriaal bevoegd is om de gevraagde onderzoeksmaatregel uit te voeren.
Spreker vreest dat indien men deze rem niet behoudt, er tussen de magistraten onderling conflicten zullen ontstaan.
Op de vraag wie de motivering van de magistraat zal toetsen en zal bepalen of hij al dan niet rechtmatig buiten zijn ambtsgebied is opgetreden, antwoordt een lid dat de betrokken magistraat in de eerste plaats zelf daarover dient te oordelen. Ten tweede stelt hij zich aan tuchtrechtelijke sancties bloot als blijkt dat hij een fout heeft begaan door buiten zijn ambtsgebied op te treden.
De in het wetsvoorstel opgenomen voorwaarde van de ernstige en dringende omstandigheden is derhalve minder onschuldig dan op het eerste gezicht lijkt.
Met betrekking tot de interpretatie van het begrip « ernstige en dringende omstandigheden » wordt opgemerkt dat de Commissie-Franchimont in haar voorontwerp van wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek (1995) heeft voorgesteld deze voorwaarde uit de artikelen 23 en 62bis van het Wetboek van Strafvordering te schrappen.
Wat artikel 23 betreft, wordt daarvoor de volgende verantwoording gegeven :
Volgens artikel 23 van het Wetboek van Strafvordering kan de procureur des Konings buiten zijn arrondissement alle tot zijn bevoegdheid behorende daden van opsporing of gerechtelijk onderzoek verrichten of gelasten wanneer hij van oordeel is dat ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen. Artikel 62bis van het Wetboek van Strafvordering bepaalt hetzelfde voor de onderzoeksrechter.
Om buiten hun arrondissement te kunnen optreden beschikken de procureur des Konings, respectievelijk de onderzoeksrechter over twee keuzemogelijkheden : ofwel vragen zij de hulp van een ambtgenoot door middel van een rogatoire commissie, ofwel beroepen zij zich op de bijzondere procedure van artikel 23 van het Wetboek van Strafvordering respectievelijk artikel 62bis van het Wetboek van Strafvordering wanneer zij van oordeel zijn dat er ernstige en dringende omstandigheden zijn die vereisen dat zij zelf onmiddellijk buiten hun arrondissement optreden. Deze laatste mogelijkheid (het huidige artikel 62bis) werd ingevoerd door de wet van 27 maart 1969 als alternatief voor de rogatoire commissie die ernstige vertragingen kon veroorzaken aan het onderzoek (4).
In het ontwerp zullen de procureur des Konings en, al naargelang het geval, de onderzoeksrechter buiten hun arrondissement kunnen optreden, zelfs wanneer er geen ernstige en dringende omstandigheden voorhanden zijn. De notie « ernstige en dringende omstandigheden » werd weggelaten omdat er van in het begin al vrij veel twijfel bestond over de interpretatie van dit begrip. Uit het verslag bij de hogervermelde wet van 27 maart 1969 blijkt dat de onderzoeksrechter vrij oordeelt of de omstandigheden al dan niet ernstig of dringend zijn. Doordat het subjectief oordeel van de onderzoeksrechter daaromtrent doorslaggevend is, ontsnapt deze voorwaarde aan de beoordeling van de feitenrechter en wordt de oorspronkelijke beperking grotendeels uitgehold. Deze vaststelling wordt kracht bijgezet door een recent arrest van het Hof van Cassatie van 12 mei 1992 (5). Dit arrest specifieert dat artikel 62bis, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet vereist dat, wanneer hij krachtens deze wetsbepaling buiten zijn arrondissement optreedt, de onderzoeksrechter in de stukken melding moet maken van de ernstige en dringende omstandigheden. Bijgevolg kan de feitenrechter niet langer controleren of de bijzondere voorwaarden, door artikel 62bis van het Wetboek van Strafvordering vereist, in concreto ook aanwezig waren. Door dit arrest wordt de notie « ernstige en dringende omstandigheden » in de praktijk vrijwel geheel uitgehold. Er werd dan ook verkozen deze voorwaarde uit het artikel weg te laten, en de mogelijkheden van de onderzoeksrechter respectievelijk de procureur des Konings te vergroten, wat de efficiëntie en de snelheid van het onderzoek ten goede zal komen. Dit zal vooral nuttig zijn, voor procureurs van geografisch beperkte arrondissementen waar het dikwijls noodzakelijk is in andere arrondissementen op te treden.
De kennisgeving door de rechterlijke overheid die in een ander arrondissement wil optreden, is geen voorwaarde voor de uitvoering van de (beoogde) handeling. De procureur des Konings die overeenkomstig deze bepaling op de hoogte werd gesteld kan zijn collega niet weigeren op te treden. De kennisgeving, die op eender welke wijze kan gebeuren, zelfs mondeling, strekt tot een goede rechtsbedeling.
(cf. Commissie Strafprocesrecht, Voorontwerp van wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, bijgewerkt na raadplegingen (1995), Éd. Collection scientifique de la Faculté de droit de Liège, Maklu uitgevers, 1995, blz. 53-54 en 86-87).
Het heeft derhalve geen zin de voorwaarde van de ernstige en dringende omstandigheden in dit wetsvoorstel te behouden wanneer dezelfde voorwaarde in het hierboven vermelde voorontwerp van wet, dat de minister van Justitie eerlang bij het Parlement zal indienen, wordt weggelaten.
De heer Vandenberghe c.s. dient daartoe het volgende amendement in (nr. 25) :
« In § 2, tweede lid, van het voorgestelde artikel 4 de woorden « wanneer hij van oordeel is dat ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen » doen vervallen. »
Er wordt op gewezen dat, wanneer de aangestelde magistraat de hem opgedragen onderzoeksmaatregelen ook buiten zijn ambtsgebied mag uitvoeren over het gehele grondgebied van het Rijk, hij tweetalig dient te zijn. Dit betekent dat waarschijnlijk alleen magistraten uit het ressort van het Hof van Beroep te Brussel in aanmerking komen voor het uitvoeren van de door een onderzoekscommissie gevraagde onderzoeksdaden.
Een lid preciseert dat, als de eerste voorzitter van het Hof van Beroep van Brussel wordt aangesproken, hij ofwel tweetalige magistraten zal moeten aanstellen, ofwel magistraten van de onderscheiden taalrollen, met dien verstande dat in dergelijke omstandigheden magistraten over het hele grondgebied zullen moeten kunnen optreden. De commissie zelf acht zich trouwens bevoegd voor heel het grondgebied.
Het amendement van de heer Vandenberghe c.s. (nr. 25) wordt aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Een lid oppert de vraag om welke reden een beroep op magistraten moet worden gedaan voor het uitvoeren van onderzoeksverrichtingen, als de door het Parlement gefinancierde enquêtediensten van de Vaste Comités van Toezicht op de politie- en inlichtingendiensten daarvoor kunnen worden ingeschakeld (cf. wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten).
Er wordt opgemerkt dat deze diensten niet dezelfde bevoegdheden hebben als een onderzoeksrechter. Daarenboven zijn hun bevoegdheden doelgebonden, in die zin dat hun onderzoek moet kaderen binnen hun door de wet omschreven opdracht.
Het lid repliceert dat de enquêtediensten wel bepaalde onderzoeksopdrachten kunnen uitvoeren, zoals het horen van getuigen.
Een dergelijke procedure zou veel vlotter verlopen omdat deze enquêtediensten onder het gezag van de Vaste Comités P en I staan die op hun beurt, onder meer, op verzoek van de federale Kamers optreden.
De heer Coveliers dient een amendement in waardoor een onderzoekscommissie voor het uitvoeren van onderzoeksverrichtingen ook op de enquêtediensten van de Vaste Comités P en I een beroep kan doen (nr. 17) :
« Na § 2 van het voorgestelde artikel 4 een nieuwe paragraaf invoegen, luidende :
« § 3. De commissie kan eveneens, overeenkomstig de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, aan de Vaste Comités P en I opdracht geven om de nodige onderzoeken te doen. »
Verantwoording
De artikelen 8 en 32 van de wet van 18 juli 1991 bepalen dat de Vaste Comités P en I optreden ofwel uit eigen beweging ofwel op verzoek van de Kamer, de Senaat, de bevoegde minister of de bevoegde overheid. De Comités kunnen die bevoegdheid overdragen aan de Dienst Enquêtes.
Het is bijgevolg logisch dat een onderzoekscommissie, als bevoegde overheid, haar opdrachten rechtstreeks aan de Vaste Comités kan overmaken.
Spreker stelt dat de opdracht aan de Vaste Comités moet worden gegeven, die zelf hun enquêtediensten belasten met de uitvoering van bepaalde onderzoeken. Anders zou er, wat het Comité P betreft, een samenloop kunnen zijn van gerechtelijke opdrachten en opdrachten gegeven door de Kamers. Het lijkt dus beter dat de voorzitter het verzoek tot de Comités richt.
Vraag is of men niet tegelijkertijd de wet betreffende de Vaste Comités moet wijzigen, aangezien deze wet de manier bepaalt waarop de Comités moeten worden geadieerd.
Het amendement wordt aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
5. Artikel 4, § 3 (artikel 4, § 4 nieuw)
Deze bepaling houdt de verplichting in een magistraat aan te stellen voor welbepaalde delicate onderzoeksmaatregelen.
De minister stelt voor expliciet de telefoontap te vermelden. Artikel 4, § 3, zou dan als volgt luiden :
« Wanneer de onderzoeksmaatregelen een inbeslagneming van materiële goederen, een huiszoeking of het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie of -telecommunicatie omvatten, is de in de tweede paragraaf bedoelde aanstelling verplicht.
De artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering betreffende de inbeslagneming van materiële goederen en het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie zijn van overeenkomstige toepassing op de parlementaire onderzoekscommissie. »
De heer Lallemand dient het volgende amendement in (nr. 10A) :
« A. Paragraaf 3 van het voorgestelde artikel 4 vervangen als volgt :
« § 3. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een beperking inhouden van de bewegingsvrijheid, een inbeslagneming van materiële goederen, een huiszoeking of het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privécommunicatie en -telecommunicatie, is het optreden van de overeenkomstig § 2 aangestelde magistraat verplicht. »
Verantwoording
De aanhouding is niet vermeld [bij voorbeeld de aanhouding van een getuige om voor de commissie te verschijnen (bevel tot medebrenging)].
De minister merkt op dat men een getuige die weigert te verschijnen, ook kan doen dagvaarden in plaats van een bevel tot medebrenging uit te vaardigen. Daagt hij niet op, dan kan aangifte worden gedaan van dit strafbaar feit, dat overeenkomstig de gemeenrechtelijke procedure bestraft kan worden.
Er wordt geantwoord dat die procedure zeer omslachtig is.
De commissie hecht haar goedkeuring aan de formulering van § 3 van het voorgestelde artikel 4, zoals bij amendement voorgesteld door de heer Lallemand.
Een lid heeft bezwaren tegen het door de minister voorgestelde tweede lid van § 3, waarbij bepaalde artikelen van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de parlementaire onderzoekscommissie.
Volgens hem volstaat het te stellen dat de opgesomde artikelen van toepassing zijn.
Er wordt opgemerkt dat krachtens de artikelen 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering zowel de onderzoeksrechter als de procureur des Konings bij een telefoontap betrokken zijn.
Bijgevolg moeten de voormelde artikelen van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de maatregelen gevraagd door de onderzoekscommissie.
Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de bevoegdheden die door de in het voorgestelde artikel 4, § 3, tweede lid, opgesomde artikelen aan de onderzoeksrechter zijn toegekend, in het kader van een parlementair onderzoek zullen worden uitgeoefend door de door de commissie aangestelde magistraat. De functie van het parket zou worden overgenomen door de onderzoekscommissie.
De minister wijst erop dat de procureur des Konings overeenkomstig artikel 90ter , § 5, van het Wetboek van Strafvordering in geval van ontdekking op heterdaad een telefoontap kan bevelen voor de feiten bedoeld in de artikelen 347bis (gijzeling) of 470 (afpersing) van het Strafwetboek. De maatregel moet dan wel binnen 24 uur door de onderzoeksrechter worden bevestigd.
Men kan zich echter moeilijk voorstellen dat een onderzoekscommissie een telefoon zou wensen af te tappen naar aanleiding van de ontdekking op heterdaad van de twee voormelde misdrijven.
De onderzoeksrechter of, in geval van een parlementair onderzoek, de door de commissie aangestelde magistraat is dus steeds verplicht op te treden.
Het volstaat derhalve te bepalen dat de door de commissie aangestelde magistraat de procedures dient toe te passen bedoeld in de artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering.
De heren Erdman en Vandenberghe dienen het volgende amendement in (nr. 26) :
« Paragraaf 3 van het voorgestelde artikel 4 vervangen als volgt :
« § 3. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een beperking inhouden van de bewegingsvrijheid, een inbeslagneming van materiële goederen, een huiszoeking of het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie omvatten, is het optreden van de overeenkomstig § 2 aangestelde magistraat, met toepassing van de artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering, verplicht. »
Een lid stelt voor om het tweede lid van de door de minister voorgestelde tekst te wijzigen als volgt : « De artikelen 35 tot 39 en 90ter tot 90novies van het Wetboek van Strafvordering... worden toegepast door de in het vorige lid bedoelde magistraat. »
Dit betekent dat, wat de telefoontap betreft, de bevoegdheid van de onderzoeksrechter in geval van een parlementair onderzoek zal worden uitgeoefend door de door de commissie aangestelde magistraat.
De commissie stemt hiermee in.
Tot besluit van deze gedachtenwisseling dient de heer Vandenberghe c.s. het volgende amendement in (nr. 24B) :
« Paragraaf 3 aanvullen met een tweede lid, luidende :
« De artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering betreffende de inbeslagneming van materiële goederen en het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie worden toegepast door de in het vorige lid bedoelde magistraat. »
De amendementen van de heer Lallemand (nr. 10A) en van de heer Vandenberghe c.s. (nr. 24B) worden aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Het amendement van de heren Erdman en Vandenberghe (nr. 26) wordt met hetzelfde stemmental verworpen.
6. Artikel 4, § 4, eerste lid (artikel 4, § 5, eerste lid nieuw)
De commissie beslist de voorgestelde bepaling in het Nederlands om taalkundige redenen te herformuleren als volgt :
« § 5. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in criminele, correctionele, politie- en tuchtzaken, richt de commissie tot de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof een schriftelijk verzoek tot het lichten van een door haar onontbeerlijk geacht afschrift van de onderzoeksverrichtingen en de proceshandelingen. »
7. Artikel 4, § 4, tweede lid (artikel 4, § 5, tweede lid nieuw)
Dit artikel voorziet in een bijzondere procedure van beroep tegen de weigering van de procureur-generaal een onderzoekscommissie inzage te verlenen van een gerechtelijk dossier.
De minister stelt voor het geschil tussen de procureur-generaal en de onderzoekscommissie niet aan het ad hoc- college voor te leggen dat samengesteld is uit drie leden van het Arbitragehof, maar aan de kamer van inbeschuldigingstelling.
Het voorgestelde artikel 4, § 4, tweede lid, zou dan als volgt luiden :
« Zo deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent niet te kunnen ingaan op dat verzoek, kan de Kamer, de commissie of hun voorzitter hiertegen bezwaar indienen bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het betrokken hof van beroep; de kamer van inbeschuldigingstelling houdt zitting met gesloten deuren en hoort de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat. Zij beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen, in het bijzonder de eerbiediging van de rechten van de verdediging. »
Een lid merkt op dat in het voorstel van amendement geen rekening wordt gehouden met de weliswaar uitzonderlijke hypothese dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie niet ingaat op het verzoek van een parlementaire onderzoekscommissie om haar afschriften te bezorgen van onderzoeksverrichtingen en proceshandelingen betreffende een strafdossier dat bij het Hof aanhangig is.
De minister is van oordeel dat voor dit geval in een ad hoc- procedure moet worden voorzien, eventueel voor de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel.
De vorige spreker stipt aan dat de door hem gesignaleerde lacune hem sterkt in de overtuiging dat de in het wetsvoorstel bepaalde procedure voor een ad hoc- college, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof, de voorkeur verdient.
Dit hof is immers de aangewezen instantie om conflicten tussen de wetgevende en de rechterlijke macht te beslechten.
Een tweede argument kan worden gehaald uit de contradictie tussen enerzijds het eerste voorontwerp van wet, opgesteld door de Commissie strafprocesrecht (de zogenaamde Commissie-Franchimont), dat de verdachte, de beklaagde en de burgerlijke partij een inzagerecht toekende, en anderzijds het onderhavige voorstel krachtens hetwelk een procureur-generaal bij het hof van beroep een parlementaire onderzoekscommissie de toegang tot een gerechtelijk dossier kan ontzeggen.
Indien het voorontwerp van de Commissie-Franchimont tot wet wordt verheven, waarbij spreker aankondigt zich te zullen verzetten tegen de in het tweede voorontwerp ingevoegde bepaling krachtens welke de inzage van het dossier in bepaalde omstandigheden kan worden geweigerd, dan zal een parallellie met de procedure welke voor de parlementaire onderzoekscommissies geldt, in acht moeten worden genomen [cf. voorontwerp van wet tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, bijgewerkt na raadplegingen (1995), Éd. Collection scientifique de la Faculté de droit de Liège, Maklu uitgevers, 1995, blz. 12-13 en 78-84].
De minister gaat akkoord met deze opmerking.
In de huidige stand van ons recht is een geschil tussen een onderzoekscommissie en een procureur-generaal echter niet uitgesloten en dit om twee redenen.
In de eerste plaats kan de procureur-generaal de mededeling van stukken uit een gerechtelijk dossier om principiële redenen weigeren, omdat hij geen inmenging van een parlementaire onderzoekscommissie duldt in de behandeling van het dossier. In die optiek betreft het een conflict tussen de wetgevende en de rechterlijke macht.
Ten tweede kan de procureur-generaal zijn weigering gronden op juridisch-technische argumenten die het efficiënt verloop van het gerechtelijk onderzoek betreffen (bij voorbeeld, de bescherming van getuigen).
Eventueel kan worden bepaald dat de procureur-generaal zich voor zijn beslissing uitsluitend op argumenten mag beroepen die betrekking hebben op het verloop van het gerechtelijk onderzoek.
In dit laatste geval is de kamer van inbeschuldigingstelling het best geplaatst om de negatieve beslissing van de procureur-generaal op haar gegrondheid te toetsen.
In de eerste plaats laat het zich aanzien dat het, op enkele uitzonderingen na, steeds de procureurs-generaal bij de hoven van beroep zullen zijn die over het verzoek om inzage van een strafdossier zullen moeten beslissen.
Ten tweede is de kamer van inbeschuldigingstelling vanwege haar vertrouwdheid en deskundigheid inzake strafzaken de aangewezen instantie om eventuele geschillen over het inzagerecht tussen een procureur-generaal en een onderzoekscommissie te beslechten.
De minister geeft wel toe dat zijn voorstel lacunair is wanneer een strafdossier bij het Hof van Cassatie hangende is. Het is echter de vraag of het opportuun is een parlementaire commissie met het onderzoek van een dergelijk dossier te belasten (cf. de Agusta-zaak).
De vorige spreker repliceert dat er een precedent is. De onderzoekscommissie van de Kamer van volksvertegenwoordigers betreffende de legeraankopen heeft haar werkzaamheden niet beëindigd omdat een specifiek dossier, te weten de aankoop van Agusta-helikopters, naar het Hof van Cassatie was verwezen.
De minister merkt op dat de onderzoeksopdracht van deze commissie de problematiek van de legeraankopen in hun geheel betrof. Hij zou het te verregaand hebben geacht indien deze commissie bepaalde stukken uit het bij het Hof van Cassatie aanhangig gemaakte dossier had willen raadplegen.
Hij heeft er echter geen bezwaar tegen dat, wanneer een dossier bij het Hof van Cassatie hangende is, niet de kamer van inbeschuldigingstelling, maar het Hof zelf een geschil over de mededeling van stukken beslecht.
De indiener van het wetsvoorstel beaamt de opmerking dat de kamer van inbeschuldigingstelling uiterst beslagen is in het strafprocesrecht.
Men mag de kern van het probleem echter niet uit het oog verliezen.
In wezen behelst het voorgestelde artikel 4, § 4, tweede lid, de regeling van een conflict over de draagwijdte van een grondwettelijk recht, te weten het onderzoeksrecht van de parlementaire assemblées.
Dit geschil komt eigenlijk neer op een bevoegdheidsconflict tussen de wetgevende en de rechterlijke macht. Aan de orde is de vraag welke grenzen er aan het parlementair recht van onderzoek kunnen worden gesteld. Het debat dienaangaande overstijgt een louter « penale » benadering van de problematiek van het inzagerecht.
Derhalve is de kamer van inbeschuldigingstelling niet de geëigende instantie om uitspraak te doen over de constitutionele grenzen van het parlementair enquêterecht. Daarbij komt dat de procureur-generaal bij het hof van beroep, partij in het geschil, toch wel een bijzondere positie inneemt ten opzichte van de kamer van inbeschuldigingstelling.
Voorts is de door de minister gesuggereerde procedure onaanvaardbaar indien een onderzoekscommissie op de weigering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie stuit om een bij het Hof aanhangig gemaakt dossier ter inzage aan de commissie over te leggen.
Spreker vestigt er de aandacht op dat parlementaire onderzoekscommissies in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika zonder meer toegang hebben tot de gerechtelijk dossiers betreffende de zaken die zij behandelen.
Frankrijk vormt hierop een uitzondering omdat er geen parlementair onderzoek in samenloop met een gerechtelijk onderzoek mag worden ingesteld. Het probleem van de mededeling van een strafdossier doet zich hier derhalve niet voor.
De Raad van State heeft in zijn advies van 28 december 1989 trouwens verklaard dat het opleggen van de verplichting aan de procureur-generaal bij het hof van beroep of aan de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof tot afgifte van een expeditie of een afschrift van de onderzoeksverrichtingen en proceshandelingen die de onderzoekscommissie nuttig acht voor het goede verloop van haar opdracht, « niet strijdig is met het beginsel van de scheiding der machten » (cf. Advies van de Raad van State over het wetsvoorstel van mevrouw Onkelinx en de heer Di Rupo tot aanvulling van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, Gedr. St., Kamer, 1988-1989, nr. 675/2, blz. 12).
Dit betekent dat theoretisch bij wet aan het parket de verplichting zou kunnen worden opgelegd de onderzoekscommissie toegang te verlenen tot gerechtelijke dossiers.
In het onderhavige wetsvoorstel wordt deze drastische stap niet gezet. Er werd immers gekozen voor de in artikel 4, § 4, vermelde procedure, welke een waarborg vormt tegen mogelijke ontsporingen en bijgevolg als een belangrijke tegemoetkoming aan de rechterlijke macht moet worden beschouwd.
Een laatste argument tegen de inschakeling van de kamer van inbeschuldigingstelling is dat de positie van deze instantie als onderzoeksgerecht van die aard is dat niet kan worden voldaan aan de in het voorgestelde artikel 4, § 4, tweede lid, gestelde voorwaarden, te weten de definitieve beslechting van het geschil bij gemotiveerde beslissing, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen, in het bijzonder de eerbiediging van de rechten van de verdediging.
Aangezien het Arbitragehof de aangewezen instantie is om constitutionele bevoegdheidsconflicten te beslechten, werd, in navolging van het advies van de gemengde werkgroep belast met het onderzoek van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, in het wetsvoorstel de voorkeur gegeven aan de formule van het ad hoc -college, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof (cf. verslag namens de gemengde werkgroep uitgebracht door de heren Mouton en Landuyt, Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 429-1 en Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 561/1, blz. 24-28).
Aangezien in dit verband niet alleen strafrechtelijke argumenten, maar ook politieke belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen, acht hij de kamer van inbeschuldigingstelling te weinig representatief om een conflict tussen de magistratuur en het Parlement te beslechten.
De minister stelt dat hij de nadruk legt op het probleem van de toegang tot een gerechtelijk dossier. Gelet op de trend waarbij het geheim karakter van het gerechtelijk onderzoek wordt doorbroken, zal op grond van de klassieke principes moeten worden nagegaan welke elementen uit het dossier al dan niet aan de onderzoekscommissie mogen worden meegedeeld. Criteria die daarbij een rol zullen spelen, zijn de belangen van derden, het recht op privacy, de mate waarin de efficiëntie van het lopend onderzoek in het gedrang dreigt te worden gebracht enzovoort.
Dit alles betreft eerder een onderzoek van juridisch-technische argumenten dan een politieke belangenafweging.
Het lid stipt aan dat de kamer van inbeschuldigingstelling het geschil tussen een procureur-generaal en een parlementaire onderzoekscommissie vanuit een specifiek penale invalshoek zal benaderen.
Een parlementaire commissie kan haar recht van onderzoek maar waarmaken wanneer zij een totaalbeeld heeft van de problematiek die zij moet onderzoeken.
Het is de vraag of een kamer van inbeschuldigingstelling bij haar afweging rekening zal houden met de finaliteit van artikel 56 van de Grondwet.
De minister verklaart dat de verantwoording van het voorstel om aan de kamer van inbeschuldigingstelling de bevoegdheid te geven om uitspraak te doen over een geschil tussen de procureur-generaal bij het hof van beroep en een onderzoekscommissie, zou kunnen liggen in de motieven die de procureur-generaal aanvoert om de mededeling van gerechtelijke dossiers aan die commissie te weigeren.
In zijn openingsrede van 1 september 1993 verklaarde de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, J. Velu, het volgende : « inzage van gerechtelijke dossiers zou mijns inziens aan de onderzoekscommissie bij voorbeeld moeten worden geweigerd :
ingeval de aan de gang zijnde opsporings- en onderzoeksverrichtingen daardoor ernstig zouden kunnen worden gehinderd en de uiteindelijke uitslag ervan daardoor in het gedrang zou kunnen komen;
ingeval het recht op eerbiediging van het privé-leven, van het gezinsleven, van de eer of de goede naam van bepaalde mensen door die inzage kan worden gekrenkt, zulks terwijl die rechtskrenking niet nodig blijkt voor 's lands veiligheid, voor de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, voor de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van andermans rechten en vrijheden. » (Overwegingen omtrent de betrekkingen tussen de parlementaire onderzoekscommissies en de rechterlijke macht, R.W., 1993-1994, blz. 209-220 en inzonderheid blz. 215, nr. 28).
Gelet op het feit dat het in de twee bovengenoemde gevallen noodzakelijk is de doelmatigheid van het onderzoek en de inhoud van het gerechtelijk dossier te onderzoeken, lijkt het logisch de kamer van inbeschuldigingstelling als onderzoeksgerecht daarmee te belasten.
Zij zou de weigering om een dossier mee te delen, welke niet genoegzaam door de procureur-generaal is gemotiveerd, kunnen bestraffen. Zo zou de procureur-generaal niet de exclusieve bevoegdheid hebben om te beslissen of een gerechtelijk dossier al dan niet wordt meegedeeld aan een parlementaire onderzoekscommissie.
De indiener van het wetsvoorstel merkt op dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie in zijn mercuriale heeft verklaard dat « de weigering op gegronde redenen moet berusten. Maar wegens de aard zelve van die beslissing is een vermelding van de redenen ervan zeer bezwaarlijk. Want hoe precies die redenen op te geven zonder tegelijk geheimen te onthullen die men juist wil verzwijgen, en dus zonder daarbij inbreuk te plegen op de geheimhouding van het onderzoek die men bedoelt te beschermen ? » (R.W., 1993-1994, blz. 216, nr. 31).
Spreker wijst erop dat, wanneer in deze materie op de procureur-generaal bij het hof van beroep een motiveringsplicht rust, het niet uitgesloten is dat de betrokken onderzoekscommissie zich, na kennisneming van de door hem aangevoerde middelen, neerlegt bij zijn weigering om de commissie inzage van het dossier te verlenen.
Bestrijdt de commissie de beslissing van de procureur-generaal, dan moet zij de zaak aan een voldoende representatief orgaan kunnen voorleggen. In het wetsvoorstel wordt daartoe in de oprichting van een college voorzien, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof.
Spreker verklaart het voorts eens te zijn met het door procureur-generaal Velu opgeworpen argument dat de inzage van het dossier moet worden geweigerd als de efficiëntie van het gerechtelijk onderzoek daardoor in het gedrang zou komen.
Diens tweede argument, te weten de eerbiediging van het recht op privé-leven, van het gezinsleven, van de eer of de goede naam, heeft evenwel een algemeen karakter en kan steeds worden opgeworpen als de naam van een persoon in een strafdossier aan de orde is.
Een lid stipt aan dat procureur-generaal Velu in ondergeschikte orde heeft voorgesteld de beslechting van geschillen over het inzagerecht van parlementaire onderzoekscommissies toe te vertrouwen aan een kamer met de drie hoogste magistraten van het Hof van Cassatie.
In tegenstelling tot de kamer van inbeschuldigingstelling biedt deze instantie het voordeel dat de procureur-generaal bij het hof van beroep, partij in het geschil, zijn weigering voor een hogere jurisdictie zal moeten rechtvaardigen.
Er zou dan wel moeten worden bepaald dat de betrokken procureur-generaal noch bij de beraadslaging noch bij de voorbereiding van de uitspraak van het college, bestaande uit leden van het Hof van Cassatie, mag worden betrokken.
De indiener van het wetsvoorstel verklaart dat hij eveneens overwogen heeft een procedure voor het Hof van Cassatie in te voeren. In navolging van de gemengde werkgroep belast met het onderzoek van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, werd echter de voorkeur gegeven aan de formule van het ad hoc -college, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof.
Bij wijze van compromis stelt een lid voor om de behandeling van het geschil toe te vertrouwen aan een college of een commissie zoals die welke uitspraak doet over de beroepen tegen de beslissingen van de minister van Justitie inzake de vergoeding voor een onwerkzame voorlopige hechtenis. Deze commissie is samengesteld uit de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitter van de Raad van State en de deken van de Nationale Orde van advocaten (cf. art. 28, § 4, van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis).
Als variante kan aan een college worden gedacht met dezelfde samenstelling waarbij de vertegenwoordiger van de balie zou worden vervangen door de voorzitter van het Arbitragehof.
Een van de voordelen van deze formule is dat twee van de drie leden niet tot de rechterlijke macht behoren.
De minister verdedigt zijn voorstel inzake de kamer van inbeschuldigingstelling, maar kan het voorgestelde compromis aanvaarden.
De eerste formule biedt onder meer het voordeel dat de aanwezigheid van de deken van de Nationale Orde van advocaten ervoor garant staat dat de belangen van de partijen (verdachte, beklaagde, beschuldigde, burgerlijke partij, ...) bij de afweging in rekening zullen worden gebracht.
De indiener van het wetsvoorstel handhaaft zijn verzet tegen het voorstel tot inschakeling van de kamer van inbeschuldigingstelling. Hij kan zich wel verzoenen met het compromisvoorstel waarbij een college wordt samengesteld uit de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie en van de Raad van State en de deken van de Nationale Orde van advocaten.
De aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de balie zal wel een spanningsveld creëren tussen enerzijds de rechten van de verdediging en anderzijds het inzagerecht van een parlementaire onderzoekscommissie.
Spreker huldigt de opvatting dat de samenstelling van het college voldoende evenwichtig moet zijn en niet bij voorbaat de indruk mag wekken dat een niet-objectief verantwoorde negatieve beslissing van de procureur-generaal zal worden bevestigd.
Om die reden en bij gebreke van instemming met de in het wetsvoorstel vervatte formule van het college samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof, schaart hij zich achter het voorstel om een college samengesteld uit de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, de Raad van State en het Arbitragehof, kennis te laten nemen van een geschil over het inzagerecht van een onderzoekscommissie.
Op grond van het voorgaande dient de heer Lallemand het volgende amendement in (nr. 10B) :
« B. Het tweede lid van § 4 van hetzelfde artikel vervangen als volgt :
« Zo deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent niet te kunnen ingaan op dit verzoek, kunnen de Kamer, de commissie of hun voorzitters hiertegen in beroep gaan bij een college dat bestaat uit de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van het Arbitragehof en de eerste voorzitter van de Raad van State.
Dit college houdt zitting met gesloten deuren en hoort de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat binnen de kortst mogelijke tijd. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen en, in het bijzonder, met eerbiediging van de rechten van de verdediging. »
Een lid wenst te weten of de gemotiveerde beslissing van het college publiek is. Dit zou een compensatie zijn voor het feit dat het college met gesloten deuren zitting houdt.
De indiener van het amendement antwoordt dat een zitting met gesloten deuren noodzakelijk is omdat het college moet debatteren over de redenen waarom de procureur-generaal weigert een document mede te delen dat uit de aard der zaak vertrouwelijk is en waarvan de verspreiding voor problemen kan zorgen.
Het is juist dat de motivering van de beslissing elementen aan het licht zou kunnen brengen die eigenlijk vertrouwelijk zouden moeten blijven.
De heer Coveliers stelt dat, als men argwaan bij de publieke opinie wil vermijden, de beslissing en haar motivering publiek moeten worden gemaakt. Hij dient een amendement in die zin in (nr. 18) :
« Paragraaf 4, tweede lid, van het voorgestelde artikel 4 aanvullen als volgt :
« Deze beslissing dient openbaar gemaakt te worden. »
Verantwoording
Onze democratie is gediend met een zo groot mogelijke openbaarheid inzake de werking van het Parlement in het algemeen en van elke parlementaire onderzoekscommissie in het bijzonder.
Indien men de beslissingen van het ad-hoc college niet aan de openbare opinie kenbaar maakt, riskeert men een aantal onterechte verdachtmakingen, met alle gevolgen vandien.
Bovendien ressorteert onderhavige vorm van geschillenbeslechting tot het verplicht openbaar rechtspreken.
Indien men de beslissing een openbaar karakter geeft door ze op te nemen in het verslag, is dit slechts een gedeeltelijke oplossing vermits het verslag meestal pas geruime tijd later gepubliceerd wordt.
De indiener van het eerste amendement merkt op dat de beslissing zal worden opgenomen in het verslag van de commissie.
Indien men die beslissing openbaar wil maken zodra ze is uitgesproken, valt te vrezen dat de motivering uiterst summier zal zijn.
Verschillende leden stellen dat, indien de beslissing van de betrokken magistraat publiek is, de « arbitragebeslissing » van het college dat ook moet zijn.
De commissie zal trouwens al een debat hebben gevoerd over de mogelijke weigering van de procureur-generaal.
Het verzoek tot het lichten van een afschrift van bepaalde onderzoeksverrichtingen en proceshandelingen zal eveneens in de commissie zijn besproken, en dit waarschijnlijk in openbare zitting. Waarom zou de beslissing van het college dan geheim moeten blijven ?
Een lid vraagt zich af of het nodig is dat de publieke opinie, tijdens het onderzoek, kennis krijgt van iets wat uiteindelijk maar procedureverwikkelingen zijn en of de drie hoge magistraten waar de tekst op doelt, wel moeten bijeenkomen alleen om de beslissing op een openbare terechtzitting uit te spreken. De motivering zal hoe dan ook bekend zijn bij de commissieleden. Overigens is het doel van een onderzoekscommissie heldere conclusies aan de publieke opinie te bezorgen, zonder dat daarvoor moet worden uitgeweid over alle proceduredetails.
De indiener van het laatste amendement antwoordt dat ook een lid van de commissie over de beslissing moet kunnen discussiëren. Het geheim moet de uitzondering blijven en mag enkel de gegevens betreffen die in het licht van de finaliteit van het onderzoek geheim moeten worden gehouden.
Dat is niet het geval voor de beslissing over de toegang tot bepaalde stukken, die door de vraag van de commissie en de weigering van de magistraat reeds op het publieke forum is beland.
Bovendien zou een niet-publieke beslissing niet beantwoorden aan het vereiste van openheid van de rechtspraak (« Justice must not only be done, but seen to be done »).
De minister verklaart dat twee fundamentele redenen de procureur-generaal ertoe kunnen brengen om het verzoek van de commissie af te wijzen.
De eerste heeft te maken met het feit dat het onderzoek een normaal verloop moet kennen, de tweede met het respecteren van de privacy van sommige getuigen.
Het systeem mag er geenszins toe leiden dat daarover informatie wordt verspreid. Bijgevolg mag de beslissing zelf wel openbaar zijn, maar lijkt het verkieslijk dat zulks niet geldt voor de motivering.
Een lid herinnert eraan dat dit probleem in een conflictsituatie zal rijzen, welke niet beperkt zal blijven tot de kleine groep parlementsleden die in de commissie zitting hebben.
De indiener van het wetsvoorstel stelt dat er in een rechtsstaat geen juridische beslissing bestaat zonder motivering. Zoniet staat men voor een willekeurige beslissing.
De gemotiveerde beslissing heeft juist tot doel degene die de beslissing maatschappelijk moet aanvaarden, door de motivering ervan te overtuigen dat dat de juiste houding is.
Indien de gemotiveerde beslissing niet publiek is, geldt zij als gezagsargument.
De vraag is uiteraard hoe gedetailleerd de motivering moet zijn.
De volgende spreker herinnert eraan dat het college in zijn beslissing rekening zal houden met de « aan de orde gestelde belangen ». De magistraten die er deel van uitmaken, zullen er zeker over waken de motivering van hun beslissing zo te formuleren dat die belangen niet worden geschaad.
Aangezien men het idee heeft losgelaten het betreffende conflict te beschouwen als een bevoegdheidsconflict tussen de wetgevende en de rechterlijke macht, en men een ad hoc -college heeft opgericht om er kennis van te nemen, is het beter om de doorzichtigheid te waarborgen door de beslissing die het conflict beslecht, openbaar te maken.
De indiener van het eerste amendement blijft van mening dat het niet wenselijk is deze beslissing in openbare vergadering te nemen, precies omwille van de doeltreffendheid van de motivering.
Een ander lid onderstreept dat men in een absurde toestand dreigt terecht te komen indien een commissie besluit om met gesloten deuren te werken en zij in conflict raakt met een procureur-generaal over de mededeling van sommige stukken; de beslissing van het ad hoc -college zal dan het enige element van heel de procedure zijn dat openbaar wordt gemaakt.
Op de vraag of de drie magistraten toegang zullen krijgen tot het dossier, antwoordt de indiener van het eerste amendement dat zij dat in elk geval kunnen vragen, maar dat het misschien niet nodig zal zijn dat zij het dossier raadplegen. Alles hangt af van het soort bezwaar dat de procureur-generaal inbrengt.
Een lid kan niet aanvaarden dat de voorzitter van de commissie en de betrokken procureur-generaal in een besloten vergadering door het college worden gehoord en er een debat wordt gevoerd, zonder dat de voltallige commissie daarbij aanwezig is.
Hij pleit voor de invoering van een schriftelijke procedure. De commissie en de bevoegde magistraat kunnen dan een memorie indienen, zonder mogelijkheid van repliek.
Een volgende spreker is van mening dat het betrokken college in elk geval vragen moet kunnen stellen. Schriftelijke antwoorden zijn meestal van die aard dat men in feite geen antwoord krijgt. De uitwisseling van memories zal ook veel meer tijd in beslag nemen voor de behandeling van het dossier.
Een lid vraagt wat er zal gebeuren als de procureur-generaal van oordeel is dat, rekening houdend met bepaalde aspecten van het dossier, de samenstelling van de commissie hem niet toestaat haar hiervan inzage te verlenen en hij dit aan de voorzitter van de commissie meedeelt in aanwezigheid van de drie magistraten.
Voorgesteld wordt een bepaling op te nemen volgens welke het college de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat kan horen.
De heer Vandenberghe c.s. dient daartoe een subamendement (nr. 27) in op het amendement van de heer Lallemand (nr. 10B) :
« In het tweede lid van § 4, voorgesteld door het amendement, de tweede volzin vervangen als volgt :
« Dit college houdt zitting met gesloten deuren en regelt de procedure. Het kan de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat op zeer korte termijn horen. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing uitgesproken in openbare vergadering, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen en, in het bijzonder, met eerbiediging van de rechten van verdediging. »
Met betrekking tot de aan het slot van § 4 van het artikel vermelde eerbiediging van de rechten van de verdediging, wijst de minister erop dat de aan de orde gestelde belangen toch op voet van gelijkheid behandeld dienen te worden. Er bestaat geen reden om in een wettekst sommige belangen te vermelden en andere niet.
Behoren bijgevolg de woorden « en, in het bijzonder, met eerbiediging van de rechten van de verdediging » niet te vervallen ?
Geantwoord wordt dat, ook al zijn die woorden uit wetgevingstechnisch oogpunt niet strikt nodig, ze toch te verantwoorden zijn wegens het debat dat hierover is gevoerd.
De indiener van het wetsvoorstel verwijst naar een « vrije tribune » van professor Alen in De Standaard van 18 januari 1996, waarin hij de stelling verdedigde dat de individuele grondrechten voorrang hebben op de prerogatieven van de wetgevende vergadering. Aangezien het gerechtelijk onderzoek geheim is en de rechten van de verdediging prioritair zijn, mag een parlementaire onderzoekscommissie deze beginselen niet schenden.
Het lid kant zich tegen deze opvatting. Het is immers perfect mogelijk dat de rechten van de verdediging gewaarborgd zijn, zonder dat het geheim van het onderzoek geldt.
Er zijn trouwens verschillende landen in West-Europa waar het geheim van het onderzoek als dusdanig niet tot regel is verheven, en waar de rechten van de verdediging toch worden gerespecteerd. De Europese Commissie voor de Rechten van de mens te Straatsburg heeft trouwens verschillende beslissingen genomen om duidelijk te maken dat het geheim van het onderzoek niet tot de rechten van de verdediging behoort.
Het zou voor de procureur-generaal anders te gemakkelijk zijn om een negatieve beslissing te motiveren door zonder meer naar het geheim van het onderzoek te verwijzen.
Om die reden maakt de eerbiediging van de rechten van de verdediging het voorwerp uit van een bijzondere vermelding.
Een lid stelt voor de tekst te doen luiden als volgt : « in het bijzonder de goede rechtsbedeling en de eerbiediging van de rechten van verdediging. »
De minister antwoordt dat men dan ook nog andere belangen in het artikel moet vermelden, zoals bij voorbeeld het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de doelmatigheid van het strafrechtelijk onderzoek en de transparantie van de democratie.
Een lid vindt het overdreven in de wet de belangen te vermelden waarmee de drie hoge magistraten rekening moeten houden bij het beslechten van het geschil.
Het amendement van de heer Lallemand (nr. 10B) wordt aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Het amendement van de heer Coveliers (nr. 18) wordt met hetzelfde stemmental verworpen.
Het subamendement van de heer Vandenberghe c.s. (nr. 27) wordt aangenomen met 7 tegen 3 stemmen.
8. Artikel 4, § 5 (artikel 4, § 6 nieuw)
Het voorgestelde artikel 4, § 5, bepaalt dat, wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in bestuurszaken, de commissie een schriftelijk verzoek richt tot de bevoegde minister of staatssecretaris, die aan dat verzoek onmiddellijk gevolg moet geven.
De vraag wordt gesteld of deze bepaling niet strijdig is met artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, krachtens welke ieder die een bestuursdocument wenst te raadplegen en er een afschrift van wenst te krijgen, daartoe slechts een aanvraag aan de bevoegde administratieve overheid dient te richten en niet aan de minister onder wie die overheid ressorteert.
Zou het niet wenselijk zijn dat een parlementaire onderzoekscommissie zich ook rechtstreeks tot die overheid kan wenden ?
De indiener van het wetsvoorstel antwoordt dat de voorgestelde bepaling geïnspireerd is op het advies van de Raad van State overeenkomstig hetwelk de Kamer zich niet rechtstreeks tot de administratie wendt, maar via de politiek verantwoordelijke minister.
Er wordt opgemerkt dat de procedure in artikel 4, § 5, te verantwoorden is omdat een onderzoekscommissie die vraagt dat haar alle administratieve documenten worden meegedeeld, onmogelijk gelijkgesteld kan worden met een bestuurde die alleen maar interesse opbrengt voor de dossiers waarbij hij persoonlijk betrokken is.
Welke procedure is van toepassing wanneer een federale parlementaire onderzoekscommissie een vraag om inzage van documenten aan een gemeenschaps- of gewestminister wenst te stellen of, in het omgekeerde geval, een onderzoekscommissie van een Gemeenschaps- of Gewestraad toegang wenst te krijgen tot documenten die bij een federale administratieve overheid berusten.
De indiener van het wetsvoorstel meent dat een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de bevoegdheid voor bepaalde materies al dan niet aan de gemeenschappen en gewesten is overgedragen.
De voorgestelde bepaling specifieert echter niet of het om een federale minister gaat dan wel om een gemeenschaps- of gewestminister.
Volgens een lid moet men rekening houden met de perken die aan de federale Staat zijn gesteld.
Het gaat immers niet aan dat een commissie van een federale assemblée aangelegenheden onderzoekt waarvoor een regionale overheid bevoegd is.
De heer Lallemand dient het volgende amendement in (nr. 10 C) :
« Paragraaf 5 van hetzelfde artikel vervangen als volgt :
« Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in bestuurszaken, richt de commissie een schriftelijk verzoek tot de bevoegde minister of staatssecretaris, die aan dat verzoek onmiddellijk gevolg geeft. »
Op de vraag of de minister kan weigeren in te gaan op het verzoek van de commissie, wordt geantwoord dat wanneer hij zo handelt, hij zijn politieke verantwoordelijkheid op het spel zet.
Er bestaat trouwens geen beroepsgeheim in de uitoefening van de uitvoerende macht.
Een lid stelt dat men uit de bevoegdheidsverdeling impliciet kan afleiden dat een federale onderzoekscommissie geen vragen kan stellen aan gewest- en gemeenschapsministers. Hoe kan men dan toegang krijgen tot gegevens in verband met materies die oorspronkelijk federaal waren, maar die in de loop van een onderzoek aan de gemeenschappen of gewesten zijn overgedragen ? Moet de commissie zich wenden tot de Eerste minister, die dan met de andere regering(en) overleg zal plegen ?
Een ander lid antwoordt dat overeenkomstig de federale logica men de onderzoekscommissie de mogelijkheid moet bieden zich rechtstreeks tot de minister-president van een Gemeenschaps- of Gewestregering te richten. Het is pas wanneer deze geen gevolg geeft aan het verzoek, dat de commissie via de federale Regering kan trachten de inlichtingen te bekomen bij de Gemeenschaps- of Gewestregering.
De commissie zou natuurlijk de betrokken minister als getuige kunnen oproepen.
Een andere methode zou kunnen zijn dat de commissies zich via de voorzitters van de betrokken parlementaire assemblées tot de betrokken Minister-President zouden wenden.
Het amendement van de heer Lallemand (nr. 10C) wordt aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Het aldus gewijzigde artikel 3 wordt als artikel 5 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Art. 5
Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 4. § 1. De Kamer of de commissie, alsook hun voorzitters voor zover die daartoe gemachtigd worden, kunnen alle in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen nemen.
§ 2. Voor het uitvoeren van onderzoeksverrichtingen die vooraf bepaald moeten worden, kan de Kamer of de commissie een verzoek richten tot de eerste voorzitter van het hof van beroep die een of meer raadsheren in het hof van beroep of een of meer rechters in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de onderzoeksverrichtingen moeten geschieden, aanstelt.
Voor de uitvoering van deze onderzoeksverrichtingen staat de aangestelde magistraat onder leiding van de voorzitter van de commissie. Hij stelt een schriftelijk verslag op waarin de resultaten van zijn onderzoek worden opgetekend.
De aangestelde magistraat kan buiten zijn ambtsgebied optreden en zijn onderzoek tot heel het Rijk uitbreiden.
§ 3. De commissie kan eveneens, overeenkomstig de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, aan de Vaste Comités P en I opdracht geven om de nodige onderzoeken te doen.
§ 4. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een beperking inhouden van de bewegingsvrijheid, een inbeslagneming van materiële goederen, een huiszoeking of het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie, is het optreden van de overeenkomstig § 2 aangestelde magistraat verplicht.
De artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering betreffende de inbeslagneming van materiële goederen en het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie worden toegepast door de in het vorige lid bedoelde magistraat.
§ 5. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in criminele, correctionele, politie- en tuchtzaken, richt de commissie tot de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof een schriftelijk verzoek tot het lichten van een door haar onontbeerlijk geacht afschrift van de onderzoeksverrichtingen en de proceshandelingen.
Zo deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent niet te kunnen ingaan op dit verzoek, kunnen de Kamers, de commissie of hun voorzitters hiertegen in beroep gaan bij een college dat bestaat uit de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van het Arbitragehof en de eerste voorzitter van de Raad van State. Dit college houdt zitting met gesloten deuren en regelt de procedure. Het kan de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat op zeer korte termijn horen. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing uitgesproken in openbare vergadering, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen en, in het bijzonder, met eerbiediging van de rechten van verdediging.
§ 6. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in bestuurszaken, richt de commissie een schriftelijk verzoek tot de bevoegde minister of staatssecretaris, die aan dat verzoek onmiddellijk gevolg geeft. »
Art. 4
Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 8. Getuigen tolken en deskundigen hebben tegenover de Kamer, de commissie of de aangestelde magistraat gelijke verplichtingen als tegenover de onderzoeksrechter.
Een ieder kan opgeroepen worden als getuige. De oproeping geschiedt schriftelijk en zo nodig bij dagvaarding.
Vooraleer te worden gehoord, vertonen de getuigen de uitnodiging of de dagvaarding waarbij zij zijn opgeroepen om te getuigen; daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. Alvorens te worden gehoord, doet de getuige opgave van zijn naam, voornaam, beroep, plaats en datum van geboorte en woonplaats.
De getuigen en deskundigen leggen de eed af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
De deskundigen bevestigen hun mondelinge dan wel schriftelijke verslagen met de als volgt gestelde eed : « Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. »
Het proces-verbaal van de getuigenissen wordt getekend, hetzij onmiddellijk, hetzij uiterlijk 10 dagen na beëindiging van het verhoor, door de voorzitter en de getuige, nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en verklaard heeft daarbij te volharden. Er mag niet tussen de regels geschreven worden; doorhalingen en verwijzingen worden door de voorzitter en de getuige goedgekeurd en getekend.
Hij die gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding te voldoen, op straffe van een gevangenisstraf van 8 dagen tot 6 maanden en een geldboete van vijfhonderd tot tienduizend frank.
Onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan iedere getuige inroepen dat hij zich, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren. »
De bepaling inzake de naleving van de geheimhoudingsplicht door andere personen dan de leden van de onderzoekscommissie wordt overgeheveld van het voorgestelde artikel 3 naar het voorgestelde artikel 8, dat handelt over de getuigen, tolken en deskundigen.
De commissie stemt hiermee in.
Een lid stelt voor het achtste lid van het voorgestelde artikel 8 te doen vervallen.
Zij voert aan dat degenen die gebonden zijn door het beroepsgeheim, volgens de vaste rechtsleer en rechtspraak vrij zijn om niet te getuigen voor het gerecht of a fortiori voor een parlementaire onderzoekscommissie. Indien zij getuigen, moeten zij er alleen voor zorgen de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek niet te overtreden. De verwijzing naar dat artikel in het achtste lid van het voorgestelde artikel is dus van generlei nut.
Voorts wordt in dit lid bepaald dat « iedere getuige kan inroepen dat hij zich, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren ». Deze bepaling komt er enerzijds op neer dat de regeling van artikel 458 van het Strafwetboek onnodig bevestigd wordt en anderzijds dat iemand die laakbare feiten heeft begaan, kan weigeren hierover getuigenis af te leggen.
Dat is duidelijk niet de bedoeling van de indiener van het voorstel.
Bijgevolg moet het achtste lid geschrapt worden, in elk geval in zijn huidige versie.
Verschillende leden scharen zich achter dit voorstel. De draagwijdte van het voorgestelde artikel 8, laatste lid, is zo ruim dat de systematische toepassing ervan de werking van de commissie kan blokkeren. Het volstaat het gemene recht toe te passen, hetgeen impliceert dat een getuige zich voor zijn weigering om getuigenis af te leggen, uitsluitend op artikel 458 van het Strafwetboek mag beroepen.
Op grond van het voorgaande dient de heer Lallemand een amendement in, luidende (nr. 11) :
« Het voorgestelde artikel 8 vervangen als volgt :
« Art. 8. Andere personen dan leden van de Kamer die, in welke hoedanigheid ook, de niet-openbare commissievergaderingen bijwonen of eraan deelnemen, zijn gehouden vooraf onder ede te verklaren het geheime karakter van de werkzaamheden te zullen naleven. Schending van die geheimhouding wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek.
Getuigen, tolken en deskundigen hebben tegenover de Kamer, de commissie of de aangestelde magistraat dezelfde verplichtingen als tegenover de onderzoeksrechter.
De oproeping van de getuigen geschiedt schriftelijk en, zo nodig, bij dagvaarding.
Vóór zijn verhoor doet de getuige opgave van zijn naam, voornamen, beroep, plaats en datum van geboorte en woonplaats.
De getuigen en de deskundigen leggen vervolgens de eed af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
De deskundigen bevestigen hun mondelinge dan wel schriftelijke verslagen met de als volgt gestelde eed : « Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. »
Het proces-verbaal van de getuigenissen wordt getekend, hetzij onmiddellijk, hetzij uiterlijk vijftien dagen na de beëindiging van het verhoor, door de voorzitter en de getuige, nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en verklaard heeft te volharden bij zijn verklaringen.
Er mag niet tussen de regels geschreven worden; doorhalingen en verwijzingen worden door de voorzitter en de getuige goedgekeurd en geparafeerd.
Hij die gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding te voldoen, op straffe van gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en geldboete van vijfhonderd frank tot tienduizend frank. »
Verantwoording
Wat betreft het laatste lid van het artikel, zoals dat in het voorstel staat, kan men verwijzen naar het gemene recht.
De indiener van het wetsvoorstel verklaart dat de ratio legis van het voorgestelde artikel 8, laatste lid, verband houdt met de overwegingen van het Transnuklear-arrest van het Hof van Cassatie van 6 mei 1993 (cf. blz. 35).
De persoon die verdachte is in een lopend gerechtelijk onderzoek, mag wanneer hij onder ede wordt gehoord door een parlementaire onderzoekscommissie over dezelfde feiten, het privilege van het vermoeden van onschuld inroepen en dus weigeren getuigenis af te leggen indien dat voor hem belastend zou kunnen zijn. Daarenboven kan een getuige zich ook op het in artikel 458 van het Strafwetboek bedoelde beroepsgeheim beroepen.
De vorige sprekers hebben begrip voor deze verantwoording, maar achten het toepassingsgebied van de voorgestelde bepaling toch te ruim.
Een ander lid merkt op dat de getuige die onder ede weigert een zelfincriminatoire verklaring af te leggen, impliciet een bekentenis aflegt zonder details over hetgeen hem gevraagd wordt te onthullen. Dit kan leiden tot het instellen van een strafvordering waar de betrokkene als verdachte het recht heeft te liegen.
Getuigen zullen zich bijgevolg niet zo frequent op het voorgestelde artikel 8, laatste lid, beroepen omdat dit zou neerkomen op de bekentenis dat zij een misdrijf hebben gepleegd.
De rapporteur is van oordeel dat de in artikel 14, derde lid, g), B.U.P.O. vervatte regel dat niemand kan worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen, niet alleen in strafzaken geldt, maar ook moet kunnen worden ingeroepen voor een parlementaire onderzoekscommissie. Er mag op dit vlak tussen de beide procedures geen contradictie bestaan.
Voorts wenst spreker nadere informatie te verkrijgen over de procedure in de Verenigde Staten van Amerika waarbij een getuige, ondanks het Vijfde Amendement op de Grondwet (6), onder ede toch een zelfincriminatoire verklaring aflegt op voorwaarde dat hij gevrijwaard blijft van strafvervolging.
Verschillende leden zijn van oordeel dat men zich ervoor moet hoeden de in het Angelsaksische common law geldende procedures zonder meer in ons recht over te nemen.
De kern van het probleem is de vraag of een persoon die onder ede voor een parlementaire onderzoekscommissie een vals getuigenis aflegt om zich niet aan een strafvervolging bloot te stellen, al dan niet strafbaar is.
In een strafproces heeft de verdachte krachtens het beginsel van het vermoeden van onschuld niet de plicht de waarheid te spreken als die voor hem belastend zou zijn.
Is dit principe als zodanig toepasselijk op de getuigen voor een parlementaire onderzoekscommissie of dient er in een specifieke regeling te worden voorzien ?
De minister wijst erop dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, J. Velu, het standpunt huldigt dat het recht om niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen zowel in het kader van een parlementair onderzoek geldt als bij een strafrechtelijk onderzoek.
Hij verantwoordt zijn opvatting als volgt :
« Verschillende bepalingen van internationale verdragen inzake rechten van de mens met rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde waarborgen voor een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd « niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen. »
Dat recht is uitdrukkelijk vastgesteld in artikel 14.3. g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (B.U.P.O.). Aangezien het een wezenlijk bestanddeel is van een eerlijk proces, maakt het ook deel uit van het recht op zodanig proces, dat is gehuldigd in de artikelen 14.1. van het verdrag en 6.1. van het Europees Verdrag Rechten van de Mens, zodat het als het ware impliciet is gewaarborgd door de genoemde bepalingen, hetgeen door uw Hof in een arrest van 11 maart 1992 is aangenomen.
Trouwens, artikel 14.3. g), van het verdrag volgens hetwelk « bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging een ieder her recht heeft om niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen » is enkel een bevestiging van een algemeen rechtsbeginsel dat als dusdanig door de Belgische wetgever bij de voorbereiding van de wet van 3 mei 1880 is erkend en geldt zowel in het kader van een parlementair onderzoek als bij een strafrechtelijk onderzoek, te weten dat niemand gedwongen kan worden om verklaringen af te leggen waardoor hij zich zou kunnen blootstellen aan strafvervolging of aan strafrechtelijke veroordeling.
Die opvatting is blijkbaar niet tegengesproken door uw arrest van 6 mei 1993.
Noch uit de voorbereiding van de wet van 3 mei 1880, noch uit artikel 14.3. g), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, noch uit het algemeen rechtsbeginsel dat in die bepaling wordt gehuldigd, noch uit de arresten van uw Hof en van het Hof van Beroep te Antwerpen betreffende de Transnuklear-zaak kan men afleiden dat een persoon die is opgeroepen om als getuige voor een onderzoekscommissie verklaringen af te leggen, mag weigeren te verschijnen of een eed af te leggen omdat hem een misdrijf in verband met de feiten van het onderzoek ten laste wordt gelegd of nog omdat hij strafrechtelijk zou kunnen worden vervolgd indien hij met de waarheid strokende verklaringen aflegt. Niemand mag weigeren te verschijnen of een eed af te leggen, net zoals niemand zulks kan doen op grond dat de feiten waarover hij zou worden gehoord, door het beroepsgeheim zijn gedekt. In beide gevallen is dit om dezelfde reden : de vragen die zullen worden gesteld kunnen door de opgeroepen persoon niet worden voorzien : het is niet uitgesloten dat de vragen of bepaalde vragen waarop moet worden geantwoord, betrekking hebben op feiten waaromtrent tegen de verhoorde geen strafvervolging is of kan worden ingesteld. »
(Cf. Overwegingen omtrent de betrekkingen tussen de parlementaire onderzoekscommissies en de rechterlijke macht, rede uitgesproken door procureur-generaal J. Velu op de plechtige openingszitting van het Hof van Cassatie op 1 september 1993, R.W. , 1993-1994, blz. 209-220 en inzonderheid blz. 213, nrs. 20-21).
De indiener van het wetsvoorstel stipt aan dat dit standpunt tien tot vijftien jaren geleden verre van evident was, maar onder druk van de internationale rechtspraak in onze rechtsorde is doorgedrongen.
In de zaak-Transnuklear heeft de parlementaire onderzoekscommissie geweigerd dit beginsel toe te passen en getuigen ertoe verplicht te antwoorden op de hun gestelde vragen. Deze handelwijze was regelrecht in strijd met artikel 6, tweede lid, E.V.R.M. en artikel 14.3. g) , B.U.P.O., welke rechtstreekse werking hebben binnen de nationale rechtsorde.
Het voorgestelde artikel 8, laatste lid, bevestigt de gelding van deze bepalingen in het kader van het parlementair enquêterecht en dient dus behouden te blijven. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie heeft daar trouwens op aangedrongen (cf. op. cit. , blz. 214, nr. 22).
De heer Vandenberghe c.s. dient een subamendement in (nr. 30) op het amendement van de heer Lallemand (nr. 11), luidende :
« Aan het voorgestelde artikel 8 een lid toevoegen, luidende :
« Onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan iedere getuige aanvoeren dat hij, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zich zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren. »
Verschillende leden scharen zich achter dit amendement.
De rapporteur merkt op dat de onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de Belgische leveringen van wapens of munitie aan landen die in een gewapend conflict verwikkeld zijn of waartegen een embargo geldt (9 april 1987), de effectiviteit van haar onderzoek heeft pogen te vrijwaren door aan wapenhandelaars die voor de commissie in besloten zitting kwamen getuigen, mee te delen dat eventuele zelfincriminatoire verklaringen niet in een proces-verbaal zouden worden geakteerd en niet aan het parket zouden worden meegedeeld.
Spreker voelt veel voor de Amerikaanse regeling waarbij aan getuigen in ruil voor waardevolle informatie immuniteit van strafvervolging wordt toegezegd.
Er wordt aangestipt op dat de procedure waarbij aan iemand strafrechtelijke immuniteit voor een lichter misdrijf wordt gegarandeerd als zijn informatie tot de veroordeling van de dader van een zwaar misdrijf leidt, inherent is aan het Angelsaksische rechtssysteem (plea bargaining) .
De verdediging en de openbare aanklager kunnen namelijk tot een vergelijk komen over de kwalificatie van een strafbaar feit en de daaraan verbonden straf. In dit onderhandelingsproces zal de verdachte een bekentenis afleggen voor een bepaald feit, hoewel er tegen hem vermoedens bestaan dat hij een zwaarder misdrijf heeft begaan. Indien de verdachte en de openbare aanklager een akkoord bereiken, is de rechter daardoor gebonden en kan hij geen zwaardere straf opleggen dan die welke overeengekomen is.
Het kan niet worden ontkend dat een dergelijke procedure bijzonder dienstig is in de strijd tegen de georganiseerde misdaad.
Men moet er zich echter van bewust zijn dat zij niet zomaar in het kader van het onderhavige wetsvoorstel in ons rechtsstelsel kan worden ingevoerd. Daarvoor lopen het continentale en het Angelsaksische rechtssysteem al te zeer uiteen.
De commissie stemt hiermee in.
Een lid blijft voorbehoud maken tegen het voorgestelde artikel 8, laatste lid, dat volgens hem te ruim opgevat is.
In dit verband verwijst hij naar de opmerkingen van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, J. Velu, in zijn niet-gepubliceerde nota betreffende het wetsvoorstel van de heer Arts tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en van artikel 458 van het Strafwetboek (Gedr. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 446-1), waar dit voorstel op teruggaat.
De procureur-generaal merkte op dat het desbetreffende artikel aanleiding gaf tot een aantal moeilijkheden. Het plaatst de getuige die een misdrijf heeft gepleegd of er ten minste sterk van wordt verdacht de wet te hebben overtreden (aangezien zijn oprechtheid naar eigen mening tot strafrechtelijke vervolging zou kunnen leiden) in een gemakkelijker en gunstiger positie dan de getuige die gebonden is door het beroepsgeheim. Is het voldoende dat de getuige deze reden aanvoert om op grond van zijn eigen verklaring vrijgesteld te worden van zijn getuigenis ? En in welke mate kan men vertrouwen schenken aan een getuige die zich beroept op zijn eigen schandelijk gedrag ? »
De indiener van het wetsvoorstel merkt op dat procureur-generaal Velu in zijn mercuriale van 1 september 1993 een duidelijk standpunt heeft ingenomen :
« Om terug te komen op het Belgisch recht, zou ik, bij wijze van samenvatting van mijn uiteenzetting over het getuigenis voor onderzoekscommissies van degenen die zich door hun verklaringen aan strafvervolging blootstellen, onderscheid willen maken tussen twee stadia van de procedure : de procedure voor de onderzoekscommissie en die voor het strafgerecht.
Wat betreft de procedure voor de onderzoekscommissie ben ik van oordeel :
a) dat degenen die door een onderzoekscommissie als getuigen worden opgeroepen, niet mogen weigeren te verschijnen onder het voorwendsel dat zij door hun verklaringen gevaar lopen strafrechtelijk te worden vervolgd;
b) dat degenen die worden opgeroepen om door een onderzoekscommissie als getuigen te worden gehoord, zich evenmin op dezelfde reden mogen beroepen om eedaflegging te weigeren;
c) dat degenen die worden opgeroepen om voor een onderzoekscommissie te getuigen, het recht hebben niet te antwoorden op de hun gestelde vragen, wanneer hun verklaringen later tegen hen zouden kunnen aangewend worden in een strafvervolging, op voorwaarde dat voormeld recht niet van zijn doel wordt afgewend : dat zij echter van dat recht kunnen afzien;
d) dat de voorzitter van de commissie aan diezelfde personen hoort mede te delen dat zij het recht hebben op zodanige vragen niet te antwoorden.
Wat de procedure voor het strafgerecht betreft, meen ik :
a) dat behalve wanneer er vals getuigenis of verleiding van getuigen in het spel is, de voor een onderzoekscommissie afgelegde verklaringen van iemand die gedwongen was om te getuigen, tegen hem niet kunnen worden aangewend dan met schending van de artikelen 6.1. van het Europees Verdrag Rechten van de Mens, 14.1. en 3.g) van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, van het algemeen beginsel neergelegd in artikel 14.3.g) en van het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging;
b) dat miskenning van die bepalingen en beginselen voor het strafgerecht echter niet zonder meer hieruit kan worden afgeleid dat de beklaagde voor een onderzoekscommissie werd gedwongen om, als antwoord op de hem gestelde vragen, verklaringen af te leggen over feiten die te zijnen opzichte misdrijven kunnen opleveren; dat die verklaringen immers niet noodzakelijk rechtstreeks of onrechtstreeks in het kader van een strafproces inzake de beklaagde, tegen hem worden aangewend; dat beklaagde bijgevolg niet zonder meer aan een strafrechtelijke veroordeling kan ontkomen door het feit alleen dat hij tijdens een parlementair onderzoek onder ede is gehoord en er strafbare feiten heeft bekend. »
(Cf. Uitgave van het Belgisch Staatsblad , 1994, nr. 4656, blz. 37-38, nr. 43).
De voorzitter besluit de discussie met de opmerking dat het wenselijker is dat een getuige het recht heeft te zwijgen dan dat hij ertoe kan worden gedwongen te liegen omdat hij verplicht is op de hem gestelde vragen te antwoorden.
Met betrekking tot het amendement van de heer Lallemand en inzonderheid het weglaten van de zin uit het tweede lid « Een ieder kan opgeroepen worden als getuige » preciseert de indiener van het wetsvoorstel dat de oorsprong van die zin ligt in het feit dat bepaalde magistraten van oordeel waren dat zij in geval van gerechtelijk onderzoek niet als getuige konden worden gedagvaard. De bovenvermelde zin moet dus behouden blijven. Eventuele problemen inzake het beroepsgeheim kunnen worden opgelost door de door artikel 8 voorgestelde wijziging van artikel 458 van het Strafwetboek.
De heer Vandenberghe c.s. dient het volgende subamendement (nr. 28) in op het amendement van de heer Lallemand (nr. 11) :
« Het derde lid van het voorgestelde artikel 8 doen aanvangen met de volzin : « Een ieder kan als getuige worden opgeroepen. »
De minister sluit zich aan bij dit amendement. Het gebeurt regelmatig dat magistraten worden verhoord voor rechtscolleges waar zij zeggen wat ze weten en hun onderzoeksverrichtingen komen toelichten.
Het getuigenis voor een onderzoekscommissie wordt gelijkgesteld met het getuigenis voor een rechtscollege. Het probleem wordt dus geregeld in artikel 8 van het voorstel.
Wat het vierde lid van artikel 8 betreft, zoals voorgesteld door het amendement van de heer Lallemand (nr. 11), dienen de heren Vandenberghe en Erdman een subamendement (nr. 29) in luidende :
Het vierde lid van het voorgestelde artikel 8 doen aanvangen met de volgende bepaling :
« Alvorens te worden gehoord, vertonen de getuigen de uitnodiging of de dagvaarding waarbij zij worden opgeroepen om te getuigen; daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. »
De heer Coveliers dient een subamendement in, tot aanvulling van het zevende lid (nr. 19) :
« Het zevende lid van het voorgestelde artikel 8 aanvullen als volgt :
« Indien de getuige weigert zijn getuigenis te tekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal. »
Verantwoording
De weigering om het proces-verbaal te tekenen dient als een ernstige tekortkoming beschouwd te worden. De sanctie moet conform de bepalingen van artikel 77 van het Wetboek van Strafvordering zijn.
Een lid merkt op dat in strafzaken de getuige zijn verklaringen niet ondertekent, tenzij hij gevorderd wordt dit te doen. Het is de eedaflegging die geldt.
De rapporteur onderstreept dat de voorgestelde tekst praktische problemen doet rijzen. Vroeger was het meestal zo dat men het stenografisch verslag naar de getuige stuurde « voor lezing, bemerkingen en ondertekening. »
De door het amendement voorgestelde tekst betekent ofwel dat men het verslag stante pede moet opmaken, voorlezen en laten tekenen, ofwel dat men de getuige voor een tweede maal moet laten komen, om voorlezing te doen van het verslag en het hem te laten ondertekenen. Dit gaat de werkzaamheden bemoeilijken.
De volgende spreker vraagt of men onder de woorden « het proces-verbaal van getuigenissen » moet verstaan de integrale weergave van de verklaringen van de getuige of een bondige samenvatting ervan, zoals dat bij het gerecht gebeurt, wanneer de voorzitter van de rechtbank aan de griffier het getuigenis van de getuige dicteert en vervolgens aan deze laatste vraagt of hij het met die samenvatting eens kan zijn.
Er wordt geantwoord dat de twee mogelijkheden openstaan maar dat de tweede werkwijze heel wat extra werk meebrengt. De commissie moet zelf kunnen bepalen aan welke werkwijze zij de voorkeur geeft.
De minister merkt op dat de strafsanctie voor de niet-verschijnende getuige zeer zwaar is : acht dagen tot zes maanden gevangenisstraf en 500 tot 10 000 frank geldboete. Bij rechtszaken bestaat de straf in een boete van ten hoogste 100 frank (art. 80 Sv.).
Om aan de eerste opmerking van de minister tegemoet te komen, dient de heer Coveliers een amendement in (nr. 16) :
« Het zevende lid van het voorgestelde artikel 8 aanvullen als volgt :
« De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing. »
Verantwoording
Het is logisch dat de bepalingen van boek I van het Strafwetboek, b.v. inzake de rechtvaardigings- en verschoningsgronden, de verzachtende omstandigheden enz., van toepassing zijn op de sanctie, zoals bepaald in het zevende lid van dit artikel.
Het amendement van de heer Lallemand (nr. 11) en de subamendementen van de heer Vandenberghe c.s. (nr. 28), de heren Vandenberghe en Erdman (nr. 29), de heer Coveliers (nr. 19) en de heer Vandenberghe c.s. (nr. 30) worden aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
Het amendement van de heer Coveliers (nr. 16) wordt eveneens aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
Het geamendeerde artikel 4 wordt als artikel 6 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
Art. 6
Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 8. Andere personen dan leden van de Kamer die, in welke hoedanigheid ook, de niet-openbare commissievergaderingen bijwonen of eraan deelnemen, zijn gehouden vooraf onder ede te verklaren het geheime karakter van de werkzaamheden te zullen naleven. Schending van die geheimhouding wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek.
Getuigen, tolken en deskundigen hebben tegenover de Kamer, de commissie of de aangestelde magistraat dezelfde verplichtingen als tegenover de onderzoeksrechter.
Een ieder kan als getuige worden opgeroepen als getuige. De oproeping geschiedt schriftelijk en, zo nodig, bij dagvaarding.
Alvorens te worden gehoord, vertonen de getuigen de uitnodiging of de dagvaarding waarbij zij worden opgeroepen om te getuigen; daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. Vóór zijn verhoor doet de getuige opgave van zijn naam, voornamen, beroep, plaats en datum van geboorte en woonplaats.
De getuigen en de deskundigen leggen vervolgens de eed af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
De deskundigen bevestigen hun mondelinge dan wel schriftelijke verslagen met de als volgt gestelde eed : « Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. »
Het proces-verbaal van de getuigenissen wordt getekend, hetzij onmiddellijk, hetzij uiterlijk vijftien dagen na de beëindiging van het verhoor, door de voorzitter en de getuige, nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en verklaard heeft te volharden bij zijn verklaringen. Er mag niet tussen de regels geschreven worden; doorhalingen en verwijzingen worden door de voorzitter en de getuige goedgekeurd en geparafeerd.
Indien de getuige weigert zijn getuigenis te tekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal.
Hij die gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding te voldoen, op straffe van gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en geldboete van vijfhonderd frank tot tienduizend frank. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing.
Onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan iedere getuige aanvoeren dat hij, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zich zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren. »
Art. 5
Het eerste lid van artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Wanneer een inbreuk wordt vermoed op artikel 9, geeft de voorzitter van de commissie daarvan kennis aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, opdat daaraan gevolg wordt gegeven als naar recht. »
De procureur-generaal bij het hof van beroep aan wie mogelijke inbreuken op artikel 9 worden gemeld, is degene in wiens rechtsgebied het misdrijf is gepleegd. Meestal zal dat dus de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel zijn.
De heer Lallemand dient het volgende amendement in (nr. 12) :
« Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 5. In artikel 10 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. Het eerste lid wordt vervangen als volgt :
« De processen-verbaal waarin wordt vastgesteld dat er aanwijzingen of vermoedens zijn van strafbare feiten, worden gezonden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep opdat daaraan gevolg wordt gegeven als naar recht. »
B. Het tweede lid wordt opgeheven. »
Verantwoording
Het nieuwe eerste lid van artikel 10 overlapt de bepalingen van het tweede lid van het huidige artikel 10.
Hij merkt op dat de verwijzing naar artikel 9 geschrapt is omdat zij alleen doelde op het geval van een valse getuigenis en dus te beperkend was.
Immers, indien getuigenissen andere misdrijven aan het licht brengen (valsheid in geschrifte, oplichting, ...), moet de commissie de daarover handelende processen-verbaal overzenden aan de procureur-generaal.
Dit amendement wordt als artikel 7 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Cf. amendement.
Art. 6
Artikel 12 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 12. De Kamer stelt onverwijld de middelen ter beschikking die de commissie onontbeerlijk acht voor de uitvoering van haar taak. »
Een lid merkt op dat de onderzoekscommissie krachtens het voorgestelde artikel de Kamer als het ware kan dwingen haar de middelen ter beschikking te stellen die zij onontbeerlijk acht voor de uitvoering van haar taak.
Hij acht dit te verregaand en stelt daarom voor het vigerende artikel te behouden.
De indiener van het wetsvoorstel verwijst naar de toelichting bij artikel 6 waaruit blijkt dat onderzoekscommissies tot op heden over te weinig middelen beschikten om hun opdracht naar behoren uit te voeren. Derhalve bepaalt het voorgestelde artikel 12 dat de commissie zelf moet kunnen beslissen welke middelen ze nodig heeft.
Een volgende spreker is van oordeel dat een onderzoekscommissie zelf aan de Kamer moet kunnen voorstellen met welk budget zij haar opdracht zal vervullen. Het is de verantwoordelijkheid van de betrokken Kamer een rem te plaatsen op buitensporige uitgaven.
Op grond van deze gedachtenwisseling stelt de indiener van het wetsvoorstel de volgende tekst voor :
« De Kamer stelt volgens de regelen te bepalen in haar reglement de middelen ter beschikking van de commissie, die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van haar taak. »
De heer Lallemand blijft op het standpunt dat het in eerste instantie aan de bevoegde organen van de betrokken Kamer toekomt, te weten het College van quaestoren en het Bureau, om zich over de vraag om middelen van de commissie uit te spreken.
Hij dient een amendement en een subsidiair amendement in (nrs. 13 en 14) :
1. Het voorgestelde artikel 12 vervangen als volgt :
« Art. 12. Overeenkomstig haar reglement stelt de Kamer onverwijld de middelen ter beschikking van de commissie die onontbeerlijk zijn voor de uitvoering van haar opdracht. »
2. Subsidiair amendement
« De huidige tekst van artikel 12 van de wet onverkort behouden. »
Het eerste amendement wordt aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden. Het tweede, subsidiair amendement wordt met hetzelfde stemmental verworpen.
Het aldus geamendeerde artikel 6 wordt als artikel 8 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
Art. 8
Artikel 12 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
« Art. 12. Overeenkomstig haar reglement stelt de Kamer onverwijld de middelen ter beschikking van de commissie die onontbeerlijk zijn voor de uitvoering van haar opdracht. »
Art. 7
Artikel 13 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
« Van de werkzaamheden van de commissie wordt een verslag opgesteld waarin conclusies worden geformuleerd met het oog op aanbevelingen tot wetswijziging en/of het vaststellen van verantwoordelijkheden. »
De heer Lallemand is van oordeel dat het nieuwe lid aan het eerste lid moet voorafgaan. Daartoe dient hij het volgende amendement in (nr. 15) :
« Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 7. In artikel 13 van dezelfde wet wordt vóór het eerste lid het volgende lid ingevoegd :
« De commissie maakt van haar werkzaamheden een verslag, dat openbaar is. Zij vermeldt haar conclusies en formuleert, in voorkomend geval, opmerkingen over de verantwoordelijkheden die door het onderzoek aan het licht zijn gebracht en voorstellen over een wijziging van de wetgeving. »
Met betrekking tot het publiek karakter van het verslag wordt gesteld dat de onderzoekscommissie soeverein beslist of tijdens niet-openbare vergaderingen verkregen informatie al dan niet wordt vrijgegeven. Wanneer er tot publikatie wordt overgegaan, zal voor die informatie de grootste omzichtigheid in acht moet worden genomen. Het spreekt vanzelf dat, wanneer de onderzoekscommissie een getuige anonimiteit of de geheimhouding van zijn verklaring heeft beloofd, zij haar verbintenis gestand moet doen.
Gevraagd wordt of de tekst niet uitdrukkelijk zou moeten voorzien in de mogelijkheid van een debat in openbare vergadering, zodra het commissieverslag is afgesloten. Blijkt dat afdoende uit de reglementen van de assemblées ?
Een lid antwoordt dat dit punt in het reglement moet worden geregeld.
Een volgende spreker meent dat de vereiste van een debat in openbare vergadering duidelijk voortvloeit uit het feit dat het de betrokken Kamer is die de commissie met het onderzoek belast. Het is echter reeds voorgevallen dat dit debat niet heeft plaatsgehad ingevolge de ontbinding van de Kamers.
Het amendement van de heer Lallemand (nr. 15) wordt als artikel 9 aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.
Cf . amendement.
Luidens artikel 458 van het Strafwetboek worden geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.
Krachtens artikel 8 van het wetsvoorstel worden de woorden « of een parlementaire onderzoekscommissie » ingevoegd tussen de woorden « de wet » en de woorden « hen verplicht die geheimen bekend te maken ».
Dit artikel wijzigt artikel 458 van het Strafwetboek in die zin, dat een parlementaire onderzoekscommissie getuigen zou kunnen verplichten hun beroepsgeheim bekend te maken.
De minister acht dit te verregaand.
Getuigen moeten echter wel de mogelijkheid hebben om vrijwillig hun beroepsgeheimen te onthullen, zo zij dit nodig achten, zonder daarvoor gestraft te worden op grond van artikel 458 van het Strafwetboek. Daarvoor is een aanpassing van dit artikel nodig.
Hij stelt voor artikel 8 te wijzigen als volgt :
« In artikel 458 van het Strafwetboek worden de woorden « of voor een parlementaire onderzoekscommissie » ingevoegd tussen de woorden « ... in rechte ... » en de woorden « ... getuigenis ... »
Hij merkt op dat het voorstel van amendement tot doel heeft de getuigenis voor een onderzoekscommissie gelijk te stellen met een getuigenis voor de rechter.
Degene die als getuige wordt opgeroepen voor een parlementaire onderzoekscommissie, is derhalve gehouden de waarheid te zeggen, maar deze verplichting kan geen afbreuk doen aan zijn beroepsgeheim.
Een lid stelt vast dat de minister het voorstel van de heer Pinoie inzake de wijziging van artikel 458 van het Strafwetboek heeft overgenomen.
Voorts meent hij een contradictie te bespeuren tussen enerzijds het voorgestelde artikel 8, laatste lid, krachtens hetwelk het beroepsgeheim kan worden ingeroepen en anderzijds de door de minister voorgestelde wijziging van artikel 458 van het Strafwetboek waardoor het beroepsgeheim niet geldt in geval van getuigenis voor een parlementaire onderzoekscommissie.
Ter illustratie van de moeilijkheden die kunnen opduiken, verwijst hij naar de hypothese waarin een advocaat voor een onderzoekscommissie wordt opgeroepen om over de door hem behandelde zaak te worden gehoord. Mag de advocaat zich voor de commissie niet meer op zijn beroepsgeheim beroepen ?
Het is duidelijk dat een negatief antwoord zwaar zal doorwegen op de vertrouwensband tussen de advocaat en zijn cliënt.
Een lid schaart zich achter het voorstel van de minister omdat volgens het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe, naast de in de wet omschreven gevallen, ook een parlementaire onderzoekscommissie de in artikel 458 van het Strafwetboek bedoelde personen ertoe zou kunnen verplichten het beroepsgeheim te doorbreken.
Op deze wijze wordt de grondslag zelf van het begrip beroepsgeheim uitgehold.
Gelet op het feit dat ook de Gemeenschaps- en Gewestraden over het onderzoeksrecht beschikken en het aantal parlementaire onderzoekscommissies zal stijgen, kan men zich vragen stellen over de opportuniteit van de bepaling dat advocaten, geneesheren, priesters enzovoort onder bedreiging van strafrechtelijke sancties ertoe zouden kunnen worden gedwongen de hun toevertrouwde geheime informatie vrij te geven.
Mevrouw Delcourt-Pêtre dient een amendement in (nr. 31), dat geïnspireerd is op het wetsvoorstel van de heer Pinoie (cf. Gedr. St., Senaat, B.Z. 1995, nr. 1-31/1) :
« Dit artikel vervangen als volgt :
« In artikel 458 van het Strafwetboek worden tussen de woorden « buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte » en de woorden « getuigenis af te leggen » ingevoegd de woorden « of voor een parlementaire onderzoekscommissie. »
Verantwoording
De tekst van artikel 458 van het Strafwetboek luidt als volgt :
« ... personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft... ».
Volgens de woorden van artikel 8 van het voorstel wordt overwogen aan de uitzonderingen opgenomen in dat artikel toe te voegen de informatie bekendgemaakt bij het verschijnen voor een parlementaire onderzoekscommissie. In dat geval zou deze nieuwe uitzondering in de tekst van artikel 458 beter op haar plaats zijn naast die betreffende de getuigenis in rechte, veel meer dan naast de bepaling waarin de wet degenen die kennis dragen van geheimen verplicht deze geheimen bekend te maken.
De tweede uitzondering beoogt immers bijzondere gevallen waar de wet sommige verklaringen oplegt ten aanzien waarvan het beroepsgeheim niet kan worden ingeroepen : geboorteaangifte (art. 361 van het Strafwetboek), aangifte van sommige besmettelijke ziekten, aangiftes van inkomens in belastingzaken, enz.
Het lijdt geen twijfel dat het verschijnen voor een parlementaire onderzoekscommissie minder lijkt op die bijzondere gevallen dan op de getuigenis, waarbij het degenen die uit hoofde van hun beroep kennis dragen van een geheim, vrij staat om zich op dat beroepsgeheim te beroepen of niet.
Het amendement van mevrouw Delcourt-Pêtre (nr. 31) wordt als artikel 10 aangenomen bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
Cf. amendement.
Artikel 11 van de wet van 3 mei 1880 bepaalt dat de vergoedingen verschuldigd aan de personen wier medewerking bij het onderzoek is gevorderd, worden uitgekeerd overeenkomstig het tarief van gerechtskosten in burgerlijke zaken.
Verschillende leden werpen op dat er eigenlijk geen tarief van gerechtskosten in burgerlijke zaken bestaat. In het wetsontwerp dat de wet van 3 mei 1880 is geworden, werd aanvankelijk voorgesteld het tarief in strafzaken te hanteren. Aangezien de op grond van dit tarief berekende vergoedingen als ontoereikend werden beschouwd, werd beslist het tarief van gerechtskosten in burgerlijke zaken te gebruiken. De voorbereidende werken geven geen uitsluitsel omtrent de vraag op welke personen artikel 11 juist betrekking heeft. Het lijdt geen twijfel dat alleszins de getuigen en de deskundigen worden bedoeld.
Wat de getuigen betreft, geldt het koninklijk besluit van 27 juli 1972 betreffende het getuigengeld in burgerlijke zaken en de inning en teruggave van de voorschotten bedoeld in artikel 953, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Wat de deskundigen betreft, bepaalt artikel 982 van het Gerechtelijk Wetboek dat de staat van ereloon en onkosten van het deskundigenonderzoek wordt opgemaakt met inachtneming van de hoedanigheid van de expert, de moeilijkheid en de duur van de verrichte werkzaamheden en de waarde van het geschil. In tegenstelling tot de procedure in strafzaken (artikel 22bis, M.B. 20 november 1980) zijn er voor experten die in burgerlijke zaken optreden, geen vaste tarieven vastgesteld.
Het valt volgens verschillende leden te vrezen dat gelet op de lage tarieven weinig experts een opdracht van een onderzoekscommissie zullen aanvaarden. De onderzoekscommissie zal derhalve zelf moeten beslissen welke vergoedingen zij uitkeert.
Het is interessant te noteren dat de artikelen 24, § 3, en 48, § 3, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten eveneens bepalen dat de aan deskundigen en tolken verschuldigde vergoedingen worden uitgekeerd overeenkomstig het tarief van gerechtskosten in burgerlijke zaken.
De commissie is van oordeel dat de regeling van de vergoeding van de gerechtskosten in burgerlijke zaken, inzonderheid wat de experten betreft, moet worden herzien. Zij acht het echter niet opportuun dit in het kader van dit wetsvoorstel te doen.
Het wetsvoorstel van de heer Pinoie c.s. vervalt omdat de erin voorgestelde bepalingen betreffende artikel 4 van de wet van 3 mei 1880 en artikel 458 van het Strafwetboek door de commissie zijn aangenomen als amendementen op het basisvoorstel.
Dit verslag werd goedgekeurd bij eenparigheid van de 9 aanwezige leden.
| De Rapporteur,
André BOURGEOIS. |
De Voorzitter,
Roger LALLEMAND. |
(2) Het betreft het wetsvoorstel van senator Arts c.s. (zie I.A. Voorgeschiedenis).
(3) Senator Arts (cf. I.A. Voorgeschiedenis).
(4) Wet van 27 maart 1969, Belgisch Staatsblad van 18 april 1969; Memorie van Toelichting, Gedr. St., Senaat, 1968-1969, nr. 112/2.
(5) Cass. 12 mei 1992, A.C., 1991-1992, blz. 845.
(6) No person ... shall be compelled in any criminal case to be a witness against himself.