1-303/1 | 1-303/1 |
22 MAART 1996
De aansprakelijkheid van jeugdleiders bij ongevallen mondt vaak uit in gerechtelijke vervolging. In leiderskringen van jeugdverenigingen rijzen ernstige vragen. Bij ouders heerst onzekerheid over de verantwoordelijkheid die op zoon of dochter rust.
De vervolging gebeurt op grond van artikel 418 van het Strafwetboek : « Schuldig aan onopzettelijk doden of aan onopzettelijk toebrengen van letsel is hij die het kwaad veroorzaakt door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen. » Hiernaan zijn drie vereisten gekoppeld.
Absolute voorwaarde voor de aansprakelijkheid is dat een fout wordt begaan.
Een vaste rechtspraak stelt dat elke fout, hoe licht ook, een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in de zin van artikel 418 van het Strafwetboek kan opleveren (zie Cass. 27 september 1985, A.C. 1985-1986, 96 & 16 december 1920, Pas . 1921, I, 65 met noot T.H.). Het Hof van Cassatie heeft nochtans zijn standpunt gewijzigd in het Cassatiearrest van 26 oktober 1990 (Pas . 1991/2, nr. 110, I, 216) dat stipuleert dat de fout van artikel 418 van het Strafwetboek die is van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat niet meer de lichtste fout in aanmerking genomen wordt maar de culpa levis, te weten de handelingen van de goede huisvader, die zijn best doet, maar geen superman is die alles kan.
Absolute voorwaarde is tevens dat de fout de rechtstreekse oorzaak moet zijn van het letsel (Schuind, Traité, I, 390, en Cass., 3 april 1987, Pas. 1987/7 8, nr. 461, I, 920). Dit recente arrest stelt dat de rechter de beklaagde wegens het onopzettelijk toebrengen van verwondingen slechts dan kan veroordelen, wanneer hij met zekerheid kan stellen dat het ongeval zonder het aan de beklaagde ten laste gelegde gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg niet zou gebeurd zijn, zoals het zich in concreto heeft voorgedaan. De voetnoot bij dit arrest verwijst naar de Cassatierechtspraak van 26 april 1978, Pas . 1978, I, 978.
Uit de Cassatierechtspraak blijkt derhalve dat de absolute voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid zijn : een werkelijke fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die zo gekarakteriseerd moet zijn dat die fout een zekere oorzaak is van het ongeval, zelfs in die mate dat zonder de fout het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan.
De criteria voor de burgerlijke aansprakelijkheid zijn onrechtstreeks bepalend voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid. De fout van artikel 418 van het Strafwetboek, is die van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek stelt : « Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden. »
Artikel 1383 van het Burgerlijk Wetboek luidt : « Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt. »
Jeugdleiders zijn in hun optreden nalatig en onvoorzichtig, wanneer zij niet voldoen aan de organisatieplicht en de toezichtsplicht. De organisatieplicht veronderstelt dat de jeugdleider de plicht heeft om zoveel mogelijk gevaren te voorzien en uit te sluiten. Dat betekent dat de leiding, bij de voorbereiding van de activiteit, voldoende aandacht moet hebben voor mogelijke gevaren, en heel concrete voorzorgen moet nemen. De toezichtsplicht veronderstelt dat de jeugdleider er moet voor zorgen dat leden zichzelf niet in gevaar brengen. Deze twee begrippen dienen opgenomen te worden in het Burgerlijk Wetboek om de aansprakelijkheid van jeugdleiders door nalatigheid of onvoorzichtigheid te duiden en ter waardering van hun vrijwillig engagement.
Bij de bepaling van het gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gaat de rechter na of de beklaagde die voorzorgsmaatregelen heeft genomen welke onder dezelfde feitelijke omstandigheden van een normaal, voorzichtig en redelijk mens konden worden verwacht. Idem dito kan dit worden nagegaan voor wat het uitoefenen van de organisatie- en toezichtsplicht betreft.
Artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek regelt de burgerlijke aansprakelijkheid voor de daden van anderen : « Men is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft. »
Hiertoe moeten drie voorwaarden vervuld zijn : er moet een schuldige of een nalatige gedraging zijn, er moet schade zijn ontstaan en men moet een oorzakelijk verband tussen de schuldige gedraging en de ontstane schade kunnen aantonen.
De verantwoordelijkheid in hoofde van de jeugdleiding moet echter tot de juiste proporties worden teruggebracht. De jeugdleiders moeten weliswaar bewust en voorzichtig aan hun plichten voldoen, maar hun vrijwillig engagement dient echter in die zin te worden gewaardeerd dat ze enkel aansprakelijk kunnen gesteld worden voor een zware of opzettelijke fout bij hun toezicht.
Jeugdleiders zijn immers geen supermensen.
| Bert ANCIAUX. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In het Burgerlijk Wetboek wordt een artikel 1383bis ingevoegd luidende :
« Artikel 1383 bis. Personen die onbezoldigd en op vrijwillige basis toezicht uitoefenen op minderjarige kinderen in het kader van verenigingen voor jeugd, zijn in afwijking van artikel 1383 enkel aansprakelijk wanneer de nalatigheid of onvoorzichtigheid het gevolg is van het niet uitoefenen van de organisatie- en toezichtsplicht. De organisatieplicht veronderstelt de plicht om zoveel mogelijk gevaren te voorzien en uit te sluiten. De toezichtsplicht veronderstelt de plicht ervoor te zorgen dat leden zichzelf niet in gevaar brengen. Bij de bepaling van het niet uitoefenen van de organisatie- en toezichtsplicht dient nagegaan te worden of de beklaagde die voorzorgsmaatregelen heeft genomen die onder dezelfde feitelijke omstandigheden van een normaal, voorzichtig en redelijk mens konden worden verwacht. »
Art. 3
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1384bis ingevoegd luidende :
« Artikel 1384 bis. Personen, andere dan de ouders, meesters, zij die anderen aanstellen, onderwijzers en ambachtslieden zoals bepaald in artikel 1384, die onbezoldigd en op vrijwillige basis toezicht uitoefenen op minderjarige kinderen in het kader van verenigingen voor jeugd, zijn in afwijking van artikel 1384 enkel aansprakelijk voor hun opzettelijke of zware fout. »
| Bert ANCIAUX. Chris VANDENBROEKE. |