1-98/1 | 1-98/1 |
18 SEPTEMBER 1995
Reeds einde 1991 werd op initiatief van Staatssecretaris Vic Anciaux van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, in het kader van zijn bevoegdheid voor wetenschappelijk onderzoek met niet-economische finaliteit, een onderzoek uitgevoerd door het Hoger Instituut voor de Arbeid, sector etnische minderheden, van de K.U. Leuven, in samenwerking met De Foyer, naar het etnisch ondernemerschap in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Het doel van het onderzoek was na te gaan in welke mate etnisch ondernemerschap een positieve invloed uitoefent op de tewerkstelling, de sociale mobiliteit en de integratie van migranten.
Uit het onderzoek bleek dat de bijdrage die etnisch ondernemerschap aan deze factoren van tewerkstelling, sociale mobiliteit en integratie levert, afhankelijk is van een aantal elementen zoals startmotieven, reglementering, structurele factoren, enz. Als startmotief kan de drang naar zelfstandigheid meer beloftevol zijn dan de vlucht voor de werkloosheid.
Extra belemmeringen in de vestiging van etnische ondernemers en in de verplichte bewijzen van beroepsbekwaamheid en handelskennis kunnen een vertraagde en misschien wel een gemiste kans betekenen. Daarentegen kan een positief beleid, zonder overstimulering, het etnisch ondernemen als zichtbare uitdrukking van een culturele samenleving helpen ontwikkelen.
Naar aanleiding van het onderzoek werden ook beleidsaanbevelingen gedaan door de staatssecretaris aan de bevoegde ministers. Het ging hier om aanbevelingen betreffende voorstellen ten aanzien van de handicaps die etnische ondernemers ondervinden bij de uitbouw van hun handelszaak, waaronder de administratieve belemmering die de beroepskaart met zich brengt.
Ook het N.C.M.V. verrichtte terzake onderzoek. Hieruit bleek ook de noodzaak tot een wetswijziging in verband met de beroepskaart voor niet-E.U.-vreemdelingen. Met dit voorstel wens ik aan deze behoefte tegemoet te komen.
De reglementering inzake de beroepskaart berust op de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen.
Vogens artikel 1 van deze wet moet elke vreemdeling die op het grondgebied van het Rijk een zelfstandige activiteit van winstgevende aard uitoefent, houder zijn van een « beroepskaart ». Voor de toepassing van deze wet wordt als een zelfstandige activiteit beschouwd de activiteit die niet onder de toepassing valt van de regeling betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit.
Artikel 2 van de wet geeft aan de Koning de mogelijkheid om bepaalde « categorieën » van vreemdelingen vrij te stellen van deze verplichting. Deze vrijstelling kan verleend worden :
hetzij het wegens de aard van het beroep niet geraden is een beroepskaart te eisen;
hetzij een dergelijke vrijstelling aan België is opgelegd door internationale verdragen of tengevolge van wederkerigheid;
hetzij aan vluchtelingen en staatlozen die vergunning hebben verkregen in België te verblijven of er zich te vestigen.
Zo werden van de verplichting ontheven :
de onderdanen van een E.E.G.-lidstaat;
de vrouwen wier beroepsactiviteit zich beperkt tot hulpverlening aan hun echtgenoot in de uitoefening van zijn beroep;
de beroepssportlui die hun activiteit slechts zestig dagen per kalenderjaar uitoefenen;
de vreemdelingen die in België voor een beperkte periode zakenreizen doen;
de ambulante handelaars;
de muzikanten en artiesten die voor een beperkte periode in België optreden;
de vluchtelingen die vergunning hebben verkregen om zich in België te vestigen of er te verblijven;
de advocaten.
In de voorbereidende werken werd de doelstelling als volgt uiteengezet :
« Het gaat er dus niet om de vreemde inwijking blindelings te beperken. De bedoeling is aan de Regering middelen voor preventief toezicht en controle ter hand te stellen die met doorzicht, methode en nauwkeurigheid georganiseerd, zullen toelaten doeltreffend op te treden, telkens als de inwijking van vreemdelingen in ons land, of hun bedrijvigheid in het land zelve, de meest gewettigde belangen in gevaar zouden kunnen brengen. »
Deze doelstelling werd reeds aangehaald voor het koninklijk besluit van 20 december 1939 dat de beroepskaart in België invoerde. De oorspronkelijke bedoeling ervan was, om tengevolge van de crisis in de jaren '30, de zelfstandige activiteit te beschermen.
Bij de beoordeling van de huidige reglementering inzake de beroepskaart dienen een aantal overwegingen in acht genomen te worden :
1. De louter administratieve verplichting tot het hebben van een beroepskaart vormt voor de vreemdeling-kandidaat-zelfstandige een niet te rechtvaardigen discriminatie ten opzichte van de autochtone zelfstandige.
2. De beroepskaart had en heeft niet als doel de immigratie te beperken.
3. Bedrijfseconomisch is de reglementering niet verantwoord. Tussen de aanvraag en de aflevering van de beroepskaart ligt een wachttermijn van enkele dagen (zelden) tot enkele maanden (meestal) en zelfs enkele jaren. Voor het indienen van zijn aanvraag is de kandidaat-zelfstandige reeds verplicht zijn juiste vestigingsplaats op te geven.
Wanneer de zelfstandige een pand huurt of gekocht heeft, betekent dit een onrendabele investering gedurende meerdere maanden. Deze situatie kan de dikwijls zwakke financiële basis van het jonge bedrijf zwaar hypotekeren en is als dusdanig onaanvaardbaar. In geval de beroepskaart geweigerd wordt, betekent dit een zware financiële aderlating.
4. Alvorens de beroepskaart wordt afgeleverd, gebeurt er een onderzoek van de aanvraag op gemeentelijk niveau. Het is de gemeentepolitie (!) die een advies moet geven over de persoon van de aanvrager en over de commerciële haalbaarheid (!) van de geplande zelfstandige activiteit. Buiten het feit dat het niet aan de overheid toekomt om te oordelen of een commerciële activiteit al dan niet haalbaar is en deze voorwaarde ook in se discriminatoir is, kan men een dergelijke beoordeling, opgemaakt door een politiebeambte, niet ernstig nemen. Het geeft bovendien in de praktijk aanleiding tot machtsmisbruik en subjectieve rapporten.
5. De ontvankelijkheidsvoorwaarden worden bepaald in het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende uitvoering van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten van vreemdelingen. De enige bij de aanvraag te voegen documenten zijn :
een bewijs van goed zedelijk gedrag;
een attest dat vermeldt dat de betrokkene niet is aangetast door een besmettelijke of overdraagbare ziekte en dat zijn gezondheidstoestand hem in staat stelt de activiteit uit te oefenen;
een document waaruit blijkt dat aan de gestelde wettelijke of reglementaire voorwaarden tot uitoefening van de activiteit is voldaan;
bij een aanvraag tot hernieuwing moeten attesten worden bijgevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn fiscale en sociale verplichtingen heeft voldaan.
Buiten deze objectieve ontvankelijkheidsvoorwaarden van een aanvraag, zijn nergens in de wet de criteria bepaald op basis waarvan de beroepskaart al dan niet wordt toegekend.
Het hoofddoel van de beroepskaart, nl. te controleren of de gastmiddenstander voldoet aan de gestelde wettelijke of reglementaire voorwaarden tot het uitoefenen van een handelsactiviteit, is echter volledig voorbijgestreefd. De inschrijving in het handelsregister kan immers niet bekomen worden zonder het voorleggen van deze bewijsstukken. Bovendien werden sinds de invoering van de wetgeving 42 beroepen in het kader van de vestigingswetgeving gereglementeerd. Binnen dezelfde regelgeving werd voor alle kleinhandelsberoepen het distributieattest ingevoerd.
6. Een beroepskaart dient om de vijf jaar hernieuwd te worden. Dit houdt dan ook in dat een hernieuwing geweigerd kan worden of dat de beroepskaart ingetrokken kan worden. De beperking van de duur van een beroepskaart valt niet te rijmen noch met de aard van een zelfstandige activiteit, noch met de finaliteit van investeringen in een zelfstandige activiteit. Het afsluiten van langlopende contracten (handelshuur, exclusieve of selectieve distributieovereenkomsten, afname- of leveringscontracten,...) wordt hierdoor bemoeilijkt en legt een zware hypotheek op de leefbaarheid van de onderneming. De meeste investeringen zijn immers niet na vijf jaar afgeschreven. Deze reglementering vormt dan ook een rem op risicodragende investeringen.
Het argument dat de beroepskaart toelaat om niet-ernstige ondernemingen alsnog te controleren, gaat in de praktijk niet op. Dergelijke ondernemingen staken hun activiteit immers binnen een termijn van vijf jaar.
7. De kostprijs. Bij elke aanvraag, hernieuwing of wijziging dient een fiscale zegel van 2 500 frank gevoegd. Bij de aflevering van de beroepskaart dient nog eens 1 000 frank per jaar betaald. Deze bedragen kunnen nog vermeerderd worden met een eventuele gemeentekas. Op zich vormt dit een discriminatie t.o.v. een E.U.-zelfstandige.
8. Op elke aanvraag tot een beroepskaart worden de eventuele opgelopen veroordelingen vermeld, ook die welke niets te maken hebben met het uitoefenen van een zelfstandige activiteit. Nergens in de wetgeving wordt echter gepreciseerd op basis van welke veroordelingen een beroepskaart kan worden geweigerd. Tevens kan de beroepskaart tengevolge van een veroordeling ingetrokken worden. Dergelijke sancties passen niet in een reglementering inzake de uitoefening van een zelfstandige activiteit.
9. De huidige reglementering die was opgevat als een beschermende maatregel voor de autochtone handel, is zijn doel voorbijgeschoten en werkt zelfs misbruiken in de hand. Gezien de onzekerheid en de lange wachttermijnen, verkiezen vele kandidaatgastmiddenstanders hun toevlucht te zoeken in nepstatuten (v.z.w.'s., c.v.'s, ...).
Het is nodig de beroepskaart af te schaffen voor vreemdelingen met een recht op verblijf voor onbeperkte duur.
Diegenen die een recht op verblijf voor onbeperkte duur definitief hebben verworven zijn de vreemdelingen die :
ingeschreven zijn ofwel in het bevolkingsregister, ofwel in het vreemdelingenregister;
en die in het bezit zijn van ofwel een vestigingsvergunning ofwel een andere titel van verblijf die de inschrijving in het vreemdelingenregister bewijst.
In de praktijk zijn dit de vreemdelingen die hier minimum 5 jaar verblijven of die in het kader van de familiehereniging een definitief recht op verblijf hebben verworven.
Het afschaffen van de beroepskaart voor deze categorie van vreemdelingen vereist een wetswijziging daar de huidige beoordeling van de wet niet toestaat vreemdelingen met een recht op verblijf voor onbeperkte duur vrij te stellen.
| Bert ANCIAUX. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 2 van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen wordt aangevuld met het volgende lid :
« Zulk een vrijstelling wordt eveneens verleend aan de vreemdelingen die minimum 5 jaar in België wonen, een recht op verblijf voor onbeperkte duur hebben verworven, ingeschreven zijn in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister en in het bezit zijn van een vestigingsvergunning of een andere titel van verblijf die de inschrijving in het vreemdelingenregister bewijst. »
| Bert ANCIAUX. Jan LOONES. Christiaan VANDENBROEKE |