1-274/1 | 1-274/1 |
29 FEBRUARI 1996
Dat het archiefbeheer, met zijn voorgeschiedenis die teruggaat tot de Franse revolutie en meer bepaald tot de decreetgeving van 5 brumaire van het jaar V (24 oktober 1791), in België afgekondigd op 6 november 1796 door het Directoire, aan een grondige herziening toe is, zit als vanzelf vervat in het Sint-Michielsakkoord.
Vanuit de federale logica is het een irreëel gegeven dat het archiefbeheer, ongenuanceerd zoals het tot op heden gebeurde en dit niettegenstaande tal van andersluidende voorstellen, nog langer tot de tien federale wetenschappelijke instellingen gerekend wordt.
Gewesten en gemeenschappen hebben per definitie hun eigenheid, dus ook hun eigen geschiedenis en hun eigen archivalia. Het zijn tijdsdocumenten, historisch gegroeid, die uit de gemeenschappen en gewesten voortkomen en hun verleden onthullen.
De regionale omschrijvingen liegen er niet om, ook al krijgen ze in het historisch jargon van het ancien régime en dus voorafgaand aan de Franse revolutie, een hoogst eigen betiteling mee. Regionale omschrijvingen, in de aard van het Brugse Vrije, het Land van Rijen, de Oudburg (= regio Gent) of de Kasselrij Oudenaarde, hadden ook toen al hun specifieke betekenis. Ook toen al zaten ze geïntegreerd in een groter provinciaal geheel dat, afhankelijk van de aard van de dossierbehandeling, ressorteerde onder de Staten van Vlaanderen, de Raad van Vlaanderen, de Staten van Brabant, enz. Ook toen al was er sprake van een federale en centrale bovenbouw, vervat als die zat in instellingen van het type Geheime Raad, Financieraad, Raad van State naast het bestaan van enkele centrale controlerende junta's.
In de Franse tijd, nagevolgd onder het Hollandse bewind en overgenomen bij de Belgische onafhankelijkheid, werd dit geheel eerder naar naam, dan naar inhoud aangepast. Complementair aan de centrale instellingen met hun centraal georiënteerde archivalia, bestonden de provinciale omschrijvingen met hun verdere onderverdelingen in arrondissementen (in plaats van kasselrijen) en kantons en gemeenten.
In essentie gold het enkel een naamswijziging voor een identieke, gemoderniseerde institutionele realiteit, zoals ze van oudsher bestond en tot op vandaag van kracht is.
Vanuit de federale opbouw van België, zoals vastgelegd in de Grondwet, kan de organisatie en het beheer van het archiefwezen daarin perfect ingepast worden. Archivalia laten zich als vanzelf, zowel voor het verre verleden, voor de hedendaagse periode, als naar de toekomst toe, in een uitsplitsing over gewesten en gemeenschappen onderverdelen. In essentie gaat het immers om een onderverdeling naar regionale dan wel centrale criteria, met een navenante inhoudsbepaling wat lokale (gemeentelijke of bovengemeentelijke omschrijving, cf. intercommunales), regionale (kantons, kasselrijen, arrondissementen), provinciale (departementale in de Franse tijd) en centrale fondsen of bestanden betreft. Ook thematisch bekeken, dit zowel wat juridische, demografische, kerkelijke, politieke, sociaal-economische of andere bronnentypes betreft, blijven deze criteria gehandhaafd.
Als vanzelf en conform de federale logica, gaat het om een heel eenduidige vijfvoudige structuur inzake het beheer en de organisatie van het archiefwezen, namelijk om :
Vlaanderen,
Wallonië,
Duitstalige regio/gemeenschap,
Brabant : Vlaams/Waals-Brabant,
Centraal niveau.
Alleen voor de regionaal gebonden archivalia met betrekking tot Brabant dient zich een nuancering aan, in die zin dat het historisch gegroeide archiefbestand zoals het vóór de splitsing tot stand kwam het best gegroepeerd blijft. Naar de toekomst toe vervalt deze overweging, zodat alle nieuwe aanwinsten compleet conform het regionaal criterium kunnen onderverdeeld worden. Brabantse archiefbestanden, daterend van vóór 1993, kunnen probleemloos hun bestemming in het A.R.A. behouden waar ze, net als alle bestanden met een centrale herkomst (Financieraad, Kanselarij, Rekenhof, enz.) bewaard worden en/of ter consultatie voorliggen onder de dienst van de « rijksarchivaris ». Daarnaast, gegeven het autonoom beheer van het archiefwezen, neemt zowel in Vlaanderen als in Wallonië (inclusief de Duitstalige gemeenschap) een gemeenschapsarchivaris de algemene leiding waar. Hoe en in welke mate deze gemeenschapsarchivaris hierbij in zijn functie door lokale en/of regionale functionarissen wordt bijgestaan, is een autonome beslissing die aan de gemeenschappen toekomt. Zij bepalen voortaan zowel de omvang als de kwalificaties die vereist zijn om tot een efficiënte organisatie en beheer van hun archiefwezen te komen. Het maakt het met andere woorden mogelijk, indien dit gewenst wordt, om net als in de buurlanden tot een gevoelige verhoging van het kader over te gaan, in plaats van de ondermaatse bestaffing, zoals hiertoe federaal werd opgelegd, nog langer aan te houden. Meteen schept het de mogelijkheid om, conform de geplande financiële injecties in wetenschapsbeleid en wetenschappelijk onderzoek, tot verscheidene vacatures in het archiefbeleid in Vlaanderen over te gaan.
Spiegelt men zich hierbij aan de gehanteerde normen zoals ze onder meer in Nederland en Duitsland bij archiefbeheer gebruikelijk zijn, dan leidt dit tot het creëren van een honderdtal jobs waarvan twee derde van universitair niveau.
| Chris VANDENBROEKE. |
De Senaat vraagt de federale overheid :
de herziening van de archiefwet van 24 juni 1955 conform de in de toelichting aangehaalde criteria te laten verlopen;
het archiefwezen uit het geheel van de federale wetenschappelijke instellingen te halen;
het beheer en de organisatie van hun archiefwezen autonoom aan de gemeenschappen toe te wijzen.
| Chris VANDENBROEKE. |