1-270/2

1-270/2

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

16 JULI 1996


Wetsvoorstel tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het personeel van de griffies en parketten


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 2

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ Onverminderd de artikelen opgesomd in deze wet worden in het Gerechtelijk Wetboek de hiernavermelde benamingen vervangen als volgt :

­ «griffier-hoofd van de griffie» door «hoofdgriffier»;

­ «klerk-griffier» door «adjunct-griffier»;

­ «eerstaanwezend klerk-griffier» door «eerstaanwezend adjunct-griffier »;

­ «secretaris» door «hoofdsecretaris»;

­ «adjunct-secretaris» door « secretaris »;

­ «klerk-secretaris» door «adjunct-secretaris»

­ «eerstaanwezend klerk-secretaris» door «eerstaanwezend adjunct-secretaris».

De Koning wordt gemachtigd deze benamingen eveneens te vervangen in de bijzondere wetten en besluiten. »

Nr. 2 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 3

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 3 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 7

Dit artikel vervangen als volgt :

«Art. 7. ­ Artikel 161 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

«Art. 161. - Bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.

In geval in voormelde rechtbanken meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal griffiers-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden.»

Nr. 4 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 8

Dit artikel vervangen als volgt :

«Art. 8. ­ Artikel 162 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

«Art. 162. ­ De voorzitter van een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan vijfhonderdduizend inwoners telt, kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier.»

Nr. 5 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 10

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 10. ­ Artikel 164 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 164. ­ Bij het hof van beroep en het arbeidshof kunnen één tot drie griffiers-hoofden van dienst worden aangewezen die, onder het gezag van de hoofdgriffier, deelnemen aan de leiding van de griffie.

In geval in voormelde hoven meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal griffiers-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden. »

Nr. 6 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 11

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 11. ­ Artikel 165 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 165. ­ De eerste voorzitter kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. »

Nr. 7 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 13

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 13. ­ Artikel 168 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 168. ­ De eerste voorzitter kan een kabinetssecretaris kiezen uit de griffiers of het griffiepersoneel op advies van de hoofdgriffier. »

Nr. 8 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 14

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 14. ­ Artikel 169 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 169. ­ De adjunct-griffiers die ten minste twaalf jaar dienst hebben in de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van cassatie, worden door de Koning tot eerstaanwezend adjunct-griffier benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen.

De dienstjaren uitgeoefend in een griffie, een parket of een secretariaat van het parket in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »

Nr. 9 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 18

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 18 ­ Artikel 173 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 173. ­ Tot de taken van de griffier behoren :

­ hij stelt de griffie voor het publiek toegankelijk;

­ hij voert de boekhouding van de griffie;

­ hij verlijdt de akten waarmee hij belast is;

­ hij bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht, waarbij hij is aangesteld;

­ hij levert daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;

­ hij bewaart de rechtsdocumentatie inzake wetgeving, rechtspraak en rechtsleer ten behoeve van de rechters;

­ hij maakt de tabellen, registers, repertoria, statistieken en andere documenten op, waarmee hij bij wet of besluit belast is;

­ hij staat in voor de bewaring van de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd.

De griffier verleent bijstand aan de rechter :

­ hij bereidt de taken van de rechter voor;

­ hij is aanwezig op de terechtzitting;

­ hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken;

­ hij geeft akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan;

­ hij stelt de dossiers van de rechtspleging in staat en ziet, in het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de reglementering terzake.

De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van dit artikel. »

Nr. 10 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 20

Dit artikel vervangen als volgt :

«Art. 20. ­ In artikel 177 van hetzelfde Wetboek worden de woorden «op advies van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank en van de griffier-hoofd van de griffie» geschrapt.»

Nr. 11 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 21

Dit artikel vervangen als volgt :

«Art. 21. ­ Artikel 181 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

«Art. 181. ­ De opstellers, beambten en boden die ten minste twaalf jaar dienst hebben in de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van cassatie, worden door de minister van Justitie, respectievelijk, tot eerstaanwezend opsteller, eerstaanwezend beambte en eerstaanwezend bode benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding «zeer goed» hebben verkregen.

De dienstjaren uitgeoefend in een griffie of een secretariaat van het parket in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking.»

Nr. 12 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 22

Dit artikel vervangen als volgt :

«Art. 22. ­ Artikel 182 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

«Art. 182. ­ Aan ieder parket is er een secretariaat verbonden, onder de leiding van een hoofdsecretaris.

De hoofdsecretaris wordt door de Koning benoemd.

De hoofdsecretaris van het parket is belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder leiding en toezicht van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. Hij verdeelt de administratieve taken onder de leden en het personeel van het secretariaat.

De hoofdsecretaris kan worden bijgestaan door een of meer secretarissen en door adjunct-secretarissen, die de Koning benoemt. Hun aantal wordt door de Koning bepaald naar de behoeften van de dienst.

De secretaris staat de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die hem door het hoofd van het parket worden aangeduid, alsook degene die eigen aan zijn functie zijn. Hij verleent bijstand aan de magistraten voor documentatie- en opzoekingswerk, het in staat stellen van de dossiers en alle andere aspecten van diens taak die niet uitdrukkelijk aan magistraten zijn voorbehouden. Hij bewaart de registers, het archief en de documenten van het parket.

De procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur bij een rechtbank waarvan het rechtsgebied meer dan 500 000 inwoners telt, kunnen een kabinetssecretaris kiezen uit de leden of het personeel van het secretariaat, op advies van de hoofdsecretaris.

Bij een parket kunnen één tot drie secretarissen-hoofden van dienst worden aangewezen, die onder het gezag van de hoofdsecretaris, deelnemen aan de leiding van het secretariaat. In geval in een parket meer dan honderd personeelsleden met volledige betrekking werkzaam zijn, kan het aantal secretarissen-hoofden van dienst worden opgetrokken met één eenheid per dertig bijkomende personeelsleden.

De Koning bepaalt hun aantal en wijst hen voor drie jaar aan uit de secretarissen, op de voordracht van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, en van de hoofdsecretaris van het parket.

Die aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd; na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd.»

Nr. 13 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 23

Dit artikel vervangen als volgt :

«Art. 23. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 182bis ingevoegd, luidende :

« Art. 182bis. ­ Adjunct-secretarissen die ten minste twaalf jaar dienst hebben worden door de Koning tot eerstaanwezend adjunct-secretaris benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen.

De dienstjaren uitgeoefend in een parket, een parketsecretariaat of een griffie in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »

Nr. 14 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 24

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 24. ­ Artikel 183 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 183. ­ Aan een parketsecretariaat kunnen vertalers, opstellers, beambten en boden verbonden worden, die de minister van Justitie benoemt. Het aantal vertalers, opstellers en beambten wordt bepaald door de Koning, het aantal boden door de minister van Justitie of, naar gelang van het geval, door de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft. »

Nr. 15 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 25

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 25. ­ Artikel 184 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 184. ­ Vertalers, opstellers, beambten en boden die ten minste twaalf jaar dienst hebben in een parketsecretariaat worden door de minister van Justitie, respectievelijk, tot eerstaanwezend vertaler, eerstaanwezend opsteller, eerstaanwezend beambte en eerstaanwezend bode benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen.

De dienstjaren uitgeoefend in een parketsecretariaat of een griffie in een gelijkwaardige of een lagere graad komen in aanmerking. »

Nr. 16 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 27

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 27. ­ Artikel 261 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 261. ­ De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij de rechtbank op voordracht van de voorzitter van de rechtbank en van de hoofdgriffier.

De griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van het Hof van cassatie, van een hof van beroep of van een arbeidshof worden door de Koning benoemd uit de griffiers bij het hof, op voordracht van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier.

Zij worden aangewezen voor drie jaar. Deze aanwijzing kan telkens voor drie jaar worden vernieuwd : na negen jaar ambtsvervulling worden zij vast benoemd. »

Nr. 17 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 28

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 28. ­ In artikel 262 van hetzelfde Wetboek wordt het woord « klerken-griffiers » vervangen door het woord « adjunct-griffiers » en worden de woorden « of de griffier-hoofd van de griffie » geschrapt. »

Nr. 18 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 29

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 29. ­ Artikel 263 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 263. ­ § 1. Om tot hoofdgriffier van het vredegerecht of van de politierechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier ofwel ten minste tien jaar het ambt van adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank.

§ 2. Om tot griffier bij een vredegerecht of een politierechtbank te worden benoemd, moet men :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn ;

2º hetzij licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend, hetzij houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank. »

Nr. 19 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 30

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 20 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 31

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 31. ­ Artikel 264 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 264. ­ Om tot hoofdgriffier van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste tien jaar het ambt van griffier of adjunct-griffier hebben uitgeoefend bij een hof, een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank of een rechtbank van koophandel, ofwel hoofdgriffier zijn van een vredegerecht of van een politierechtbank. »

Nr. 21 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 32

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 32. ­ Artikel 265 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 265. ­ Om tot griffier bij een rechtbank van eerste aanleg, bij een arbeidsrechtbank of bij een rechtbank van koophandel te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste adjunct-griffier zijn bij een hof, een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank ofwel ten minste vijf jaar het ambt van opsteller of van beambte hebben uitgeoefend bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank. »

Nr. 22 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 33

Dit artikel vervangen als volgt :

Art. 33. ­ Artikel 266 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 266. ­ Om tot hoofdgriffier van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof van beroep of een arbeidshof hebben uitgeoefend ofwel hoofdgriffier zijn van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank of van een rechtbank van koophandel. »

Nr. 23 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 34

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 34. ­ Artikel 267 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 267. ­ Om tot griffier bij een hof van beroep of bij een arbeidshof benoemd te worden, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van griffier bij een rechtbank, een vredegerecht of een politierechtbank hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij een hof. »

Nr. 24 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 35

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 35. ­ Artikel 268 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 268. ­ Om tot hoofdgriffer van het Hof van cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend. »

Nr. 25 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 36

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 36. ­ Artikel 269 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 269. ­ Om tot griffier bij het Hof van cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte, bij de griffie van een hof hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van griffier bij een hof hebben uitgeoefend ofwel van adjunct-griffier bij het Hof van cassatie of van attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van cassatie. »

Nr. 26 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 37

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 37. ­ Artikel 269bis van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 269bis. Om tot adjunct-griffier bij het hof, bij de rechtbank, bij het vredegerecht of bij de politierechtbank te worden benoemd, moet de kandidaat:

1º volle eenentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn;

b) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 1 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier;

c) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-griffier en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een parketsecretariaat.

De benoeming tot adjunct-griffier van een persoon die aan de onder het eerste lid, 2º, a) of b), bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoet, die voordien niet ten minste één jaar een ambt ten minste gelijk aan dat van beambte in een griffie of een parketsecretariaat heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.

Tijdens dat jaar kan de Koning op advies, naar gelang van het geval, van de eerste voorzitter, van de voorzitter, van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank, dat aan de minister van Justitie rechtstreeks wordt overgezonden door de hoofdgriffier die er het zijne aan toevoegt, aan het voorlopig uitgeoefend ambt een einde maken.

Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-griffier. »

Nr. 27 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 38

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 38. ­ Artikel 270 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 270. ­ Om tot opsteller bij de griffie van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof van cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen;

2º vast benoemd zijn en gedurende ten minste twee jaren het ambt van beambte hebben uitgeoefend in een griffie of een parketsecretariaat;

3º geslaagd zijn voor een examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het examen vrijgesteld. »

Nr. 28 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 39

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 39. ­ In artikel 271 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, worden de 2º, 3º en 4º vervangen door de volgende bepaling :

« 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het vergelijkend examen vrijgesteld. »

2º het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Tijdens dat jaar kunnen de ministers die de arbeid en de justitie in hun bevoegdheid hebben, wat de arbeidshoven en arbeidsrechtbanken betreft, en de minister van Justitie wat het Hof van cassatie en de andere hoven en rechtbanken betreft, op het advies van de hoofdgriffier die het rechtstreeks aan de bevoegde minister overzendt, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken. »

Nr. 29 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 41

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 41. ­ Artikel 274 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 274. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn :

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste tien jaar het ambt van secretaris of adjunct-secretaris bij het parket of het auditoraat hebben uitgeoefend. »

Nr. 30 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 42

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 42. ­ Artikel 275 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 275. ­ Om tot secretaris bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur benoemd te worden, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel adjunct-secretaris zijn bij een parket of auditoraat, ofwel ten minste vijf jaar het ambt van vertaler, opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een secretariaat van het parket of van het auditoraat. »

Nr. 31 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 43

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 43. ­ Artikel 276 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 276. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket van een hof hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. »

Nr. 32 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 44

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 44. ­ Artikel 277 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 277. ­ Om tot secretaris bij het parket van een hof van beroep of van een arbeidshof te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het parket, hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste vijf jaar ofwel het ambt van secretaris bij een parket of auditoraat hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket van een hof. »

Nr. 33 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 45

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 45. ­ Artikel 278 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 278. ­ Om tot hoofdsecretaris van het parket van het Hof van cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfendertig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste vijf jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het secretariaat van het parket van een hof hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel vijf jaar het ambt van secretaris bij het Hof van cassatie hebben uitgeoefend, ofwel hoofdsecretaris zijn van het parket van een hof. »

Nr. 34 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 46

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 46. ­ Artikel 279 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 279. ­ Om tot secretaris bij het parket van het Hof van cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle vijfentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn en ten minste één jaar een ambt, ten minste gelijk aan dat van beambte bij het secretariaat van het parket van een hof hebben uitgeoefend;

b) of houder zijn van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ofwel ten minste vijf jaar het ambt van secretaris bij het parket van een hof hebben uitgeoefend, ofwel van adjunct-secretaris bij het parket van het Hof van cassatie. »

Nr. 35 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 47

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 47. ­ Artikel 280 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 280. ­ Om tot adjunct-secretaris bij het parket te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle eenentwintig jaar oud zijn;

2º a) licentiaat in de rechten zijn;

b) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 1 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris;

c) of houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen, alsmede van het getuigschrift van kandidaat-secretaris en daarenboven ten minste drie jaar het ambt van opsteller of beambte hebben uitgeoefend bij een griffie of een secretariaat van het parket.

De benoeming tot adjunct-secretaris van een persoon die aan de onder het eerste lid, 2º, a) of b) bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoet, die voordien niet ten minste één jaar een ambt ten minste gelijk aan dat van beambte in een griffie of een secretariaat van het parket heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambstvervulling.

Tijdens dat jaar kan de Koning op advies, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, dat aan de Minister van Justitie rechtstreeks wordt overgezonden door de hoofdsecretaris die er het zijne aan toevoegt, aan het voorlopig uitgeoefend ambt een einde maken.

Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde adjunct-secretaris. »

Nr. 36 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 48

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 48. ­ Artikel 282 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 282. Om tot opsteller bij het secretariaat van een parket te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau 2 bij de Rijksbesturen;

2º vast benoemd zijn en gedurende ten minste twee jaren het ambt van beambte hebben uitgeoefend in een griffie of een secretariaat van het parket;

3º geslaagd zijn voor een examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de Minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder 1º en 2º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het examen vrijgesteld. »

Nr. 37 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 49

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 49. ­ In artikel 283 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, worden de 2º, 3º en 4º vervangen door de volgende bepaling :

« 2º geslaagd zijn voor een vergelijkend examen ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de Minister van Justitie. Licentiaten in de rechten en houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier of kandidaat-secretaris zijn van het vergelijkend examen vrijgesteld. »

2º het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :

« De benoeming van een beambte wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.

Tijdens dat jaar kan de Minister van Justitie, op het advies van de hoofdsecretaris die het hem rechtstreeks overzendt, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken. »

Nr. 38 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 51

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 51. ­ In artikel 287 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, worden de woorden « twee maanden » vervangen door de woorden « één maand »;

2º er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidend als volgt :

« Deze bepaling is eveneens van toepassing op de ambten bedoeld in de hoofdstukken VII, VIIbis, VIII en IX van deze titel, alsook op deze ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. »

Nr. 39 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 53

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 53. ­ In artikel 301 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « griffiers-hoofden van de griffie » worden geschrapt en het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;

2º er wordt een nieuw lid toegevoegd luidend als volgt :

« Deze bepaling is eveneens van toepassing op de bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten en op de leden van de parketsecretariaten. »

Nr. 40 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 55

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 55. ­ In artikel 305 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, worden de woorden « griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers » vervangen door het woord « hoofdgriffiers »;

2º in het vierde lid, wordt het woord « griffiers » vervangen door het woord « hoofdgriffiers ».

Nr. 41 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 56

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 56. ­ In artikel 310 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « waarop de leden van het hof en de leden van de griffie in de onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;

2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;

3º het artikel wordt aangevuld als volgt :

« Leden van het secretariaat van het parket :

De hoofdsecretaris;

De secretaris-hoofd van dienst;

De secretarissen, naar orde van hun benoeming;

De adjunct-secretarissen, naar dezelfde orde. »

Nr. 42 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 57

Dit artikel doen vervallen.

Nr. 43 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 58

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 58. ­ In artikel 311 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º de woorden « waarop de leden van het hof, de leden assessoren en de leden van de griffie in de onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;

2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;

3º het artikel wordt aangevuld als volgt :

« Leden van het parketsecretariaat :

De hoofdsecretaris;

De secretarissen-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming;

De secretarissen, naar dezelfde orde;

De adjunct-secretarissen, naar dezelfde orde. »

Nr. 44 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 59

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 59. ­ 1º de woorden « waarop de leden van de rechtbank, de leden assessoren en de leden van de griffie in onderstaande volgorde worden ingeschreven » worden vervangen door de woorden « vastgesteld als volgt »;

2º het woord « klerken-griffiers » wordt vervangen door het woord « adjunct-griffiers »;

3º het artikel wordt aangevuld als volgt :

« Leden van het secretariaat van het parket :

De hoofdsecretaris;

De secretarissen-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming;

De secretarissen, naar dezelfde orde;

De adjunct-secretarissen, naar dezelfde orde. »

Nr. 45 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 59bis (nieuw)

Een artikel 59bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 59bis. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 312bis ingevoegd, luidende :

« Art. 312bis. ­ In de vredegerechten, wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :

De vrederechter;

De plaatsvervangende vrederechters, naar orde van hun benoeming;

De hoofdgriffier;

De griffier;

De adjunct-griffiers, naar orde van hun benoeming. »

Nr. 46 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 59ter (nieuw)

Een artikel 59ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 59ter. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 312ter ingevoegd, luidende :

« Art. 312ter. ­ In de politierechtbanken, wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :

De rechters, naar orde van hun benoeming;

De plaatsvervangende rechters, naar dezelfde orde;

De hoofdgriffier;

De griffiers-hoofden van dienst, naar orde van hun benoeming;

De griffiers, naar dezelfde orde;

De adjunct-griffiers, naar dezelfde orde. »

Nr. 47 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 61

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 61. ­ Artikel 328 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen :

« Art. 328. ­ Bij verhindering wordt de hoofdgriffier in de hoven, de rechtbanken en de politierechtbanken vervangen door de griffier-hoofd van dienst of de griffier die hij aanwijst; in de vredegerechten wordt de hoofdgriffier vervangen door de griffier of de adjunct-griffier die hij aanwijst.

Wanneer de hoofdgriffier van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing zelf te doen wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de vrederechter of de rechter in de politierechtbank.

Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal aan adjunct-griffiers van een bepaalde griffie opdracht geven om hun ambt in een andere griffie te vervullen voor maximum zes maanden.

De adjunct-griffiers aan wie opdracht is gegeven, kunnen als griffier aan de griffie worden toegevoegd.

In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig.

Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kan de hoofdgriffier een opsteller of een beambte, die geslaagd is in de examens van kandidaat-griffier, opdracht geven tijdelijk het ambt van griffier uit te oefenen, dit voor een bepaalde en beperkte tijd en mits opgave van de reden van de opdracht. »

Nr. 48 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 62

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 62. ­ Artikel 329 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

«Art. 329. ­ Wanneer de hoofdgriffier, de griffiers en de adjunct-griffiers verhinderd zijn of zelfs wanneer er gevaar mocht bij zijn te wachten tot een griffier tegenwoordig is, kan de rechter zich als griffier een opsteller of een beambte van de griffie toevoegen. »

Nr. 49 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 62bis

Een artikel 62bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 62bis. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 329bis ingevoegd, luidende :

« Art. 329bis. ­ Bij verhindering wordt de hoofdsecretaris van het parket vervangen door de secretaris-hoofd van dienst of de secretaris die hij aanwijst. Wanneer hij zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing zelf te doen wordt in zijn vervanging voorzien, al naargelang van het geval, door de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur.

Een nieuwe eedaflegging is overbodig. »

Nr. 50 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 63

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 63. ­ Artikel 330 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 330. ­ Onverminderd de toepassing van de artikelen 328 en 329, kan de Minister van Justitie aan griffiers, adjunct-griffiers, opstellers, beambten en boden bij een hof, een rechtbank of een krijgsraad opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun griffie, in een andere burgerlijke of militaire griffie, in ministeriële departementen of kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.

Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten in ministeriële departementen of kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten.

De hoofdgriffiers, griffiers, adjunct-griffiers, opstellers, beambten en boden aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Zij ontvangen evenwel de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt, indien deze hoger zijn. »

Nr. 51 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 64

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 64. ­ In artikel 331, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de twee laatste zinnen vervangen door de volgende bepalingen :

« de hoofdgriffiers, zonder vergunning van de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter van het gerecht waaraan zij verbonden zijn;

de griffiers-hoofden van dienst, griffiers en adjunct-griffiers, zonder vergunning van de hoofdgriffier van het gerecht waaraan zij verbonden zijn. »

Nr. 52 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 65

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 65. ­ In artikel 354 van hetzelfde Wetboek worden de leden 1 en 2 vervangen door de volgende leden :

« De Koning regelt de eedaflegging van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsmede van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van cassatie. Hij regelt eveneens de afwezigheid, het verlof en de vakantie van voornoemd personeel, alsmede van de hoofdsecretarissen, de secretarissen, de adjunct-secretarissen, de bemiddelingsadviseurs en -assistenten.

De Koning kan voor de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid van de griffiers, van de secretarissen, van de bemiddelingsadviseurs en assistenten, van het personeel van de griffies en van de secretariaten van de parketten, alsmede van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van cassatie, de regeling toepasselijk maken geldend voor het Rijkspersoneel. »

Nr. 53 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 66

Dit artikel vervangen als volgt :

« Art. 66. ­ In de artikelen 366, 367ter, 369, 370, 372, 373, 373ter, 374, 375, 403, 415 en 416 van hetzelfde Wetboek worden de vermelde titels telkens gewijzigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van deze wet. »

Nr. 54 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 67

In artikel 381 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « de griffier» en « de secretaris » telkens vervangen door de woorden « de hoofdgriffier » respectievelijk « de hoofdsecretaris ».

Nr. 55 VAN DE REGERING

Art. 3bis (nieuw)

Een artikel 3bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3bis. ­ Artikel 89 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 89. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van de rechtbank van koophandel, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de eerste voorzitter van het hof van beroep of, wanneer het gaat om de arbeidsrechtbank, van de eerste voorzitter van het arbeidshof, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de rechters en, in voorkomend geval, de rechters in sociale zaken of de rechters in handelszaken die hij aanwijst. »

Nr. 56 VAN DE REGERING

Art. 3ter (nieuw)

Een artikel 3ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 3ter. ­ Artikel 107 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 107. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, naar gelang van het geval, hetzij ambtshalve, na het advies van de procureur-generaal en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, hetzij op verzoek van de procureur-generaal en na het advies van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de raadsheren en, in voorkomend geval, de raadsheren in sociale zaken die hij aanwijst. »

Nr. 57 VAN DE REGERING

Art. 19bis (nieuw)

Een artikel 19bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 19bis. ­ In deel II, boek I, van hetzelfde Wetboek, wordt een titel IIIbis ingevoegd, luidende :

« Titel IIIbis. Bemiddelingsadviseurs
en -assistenten

Art. 176bis. Aan ieder parket bij het hof van beroep zijn een of meer bemiddelingsadviseurs verbonden, die de Koning benoemt. De Koning bepaalt hun aantal naar de behoeften van de dienst. Zij staan onder leiding en toezicht van de procureur-generaal of van de magistraat die hij daartoe aanstelt.

Bij het uitwerken van een strafrechtelijk beleid voor de bemiddeling in strafzaken staat de bemiddelingsadviseur de procureur-generaal bij. Hij wordt ingeschakeld voor de evaluatie, de coördinatie en het toezicht op de toepassing van de bemiddeling in strafzaken over de verscheidene parketten van het ambtsgebied van de procureur-generaal. Hij staat de bemiddelingsassistenten bij met betrekking tot de algemene en bijzondere vragen gesteld bij de uitvoering van hun taken.

Art. 176ter. Aan ieder parket van de procureur des Konings zijn een of meer bemiddelingsassistenten verbonden, die de minister van Justitie benoemt. De Koning bepaalt hun aantal naar de behoeften van de dienst. Zij staan onder leiding en toezicht van de procureur des Konings of van de magistraat die hij daartoe aanstelt.

Bij het uitwerken van de bemiddeling in strafzaken staat de bemiddelingsassistent de procureur des Konings bij. Hij wordt ingeschakeld in de verschillende fasen van de bemiddeling in strafzaken en meer bepaald de concrete uitwerking ervan. Hij voert zijn opdracht uit in nauwe samenwerking met en onder het toezicht van de procureur des Konings.

Art. 176quater. Bemiddelingsassistenten die ten minste achttien jaar graadanciënniteit tellen worden door de minister van Justitie tot eerstaanwezend bemiddelingsassistent benoemd, voor zover zij bij hun beoordeling, bedoeld in artikel 287ter, de vermelding « zeer goed » hebben verkregen. »

Nr. 58 VAN DE REGERING

Art. 20bis (nieuw)

Een artikel 20bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 20bis. ­ In artikel 178 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op advies van de voorzitter en van de hoofdgriffier » geschrapt. »

Nr. 59 VAN DE REGERING

Art. 20ter (nieuw)

Een artikel 20ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 20ter. ­ In artikel 179 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « op advies van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier » geschrapt. »

Nr. 60 VAN DE REGERING

Art. 20quater (nieuw)

Een artikel 20quater (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 20quater. ­ In artikel 180 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « Deze wint vooraf het advies in van de eerste voorzitter en van de hoofdgriffier » geschrapt. »

Nr. 61 VAN DE REGERING

Art. 37bis (nieuw)

Een artikel 37bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 37bis. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 269ter ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 269ter. ­ De Koning richt het examen in met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-griffier bedoeld in de artikelen 263, 264, 265, 266, 267, 269 en 269bis. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder artikel 269bis, eerste lid, 2º, b) of c) bepaalde benoemingsvoorwaarden inzake diploma en anciënniteit voldoen. »

Nr. 62 VAN DE REGERING

Art. 39ter (nieuw)

Een artikel 39ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 39ter. ­ In deel II, boek I, titel VI, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk VIIbis ingevoegd, luidend :

« Hoofdstuk VIIbis. ­ Bemiddelingsadviseurs
en -assistenten

Art. 272bis. ­ Om tot bemiddelingsadviseur bij het parket van het hof van beroep te worden benoemd moet de kandidaat :

1º hetzij houder zijn van een diploma van licentiaat in de criminologie, de psychologie of de pedagogie afgeleverd door een universiteit, hetzij vast benoemd zijn en gedurende ten minste drie jaar het ambt van bemiddelingsassistent hebben uitgeoefend bij het parket van de procureur des Konings :

2º geslaagd zijn voor een door de Koning ingericht examen, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder 1º bepaalde benoemingsvoorwaarden voldoen.

De benoeming tot bemiddelingsadviseur van een persoon die voordien niet ten minste één jaar het ambt van bemiddelingsassistent bij het parket van de procureur des Konings heeft uitgeoefend, wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.

Tijdens dat jaar kan de Koning op advies van de procureur-generaal aan het voorlopig uitgeoefend ambt een einde maken.

Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde bemiddelingsadviseur.

Artikel 272ter. ­ Om tot bemiddelingsassitent bij het parket van de procureur des Konings te worden benoemd, moet de kandidaat :

1º volle eenentwintig jaar oud zijn;

2º houder zijn van een diploma van maatschappelijk assistent of van sociale verpleegkunde, uitgereikt door een door de Gemeenschappen ingerichte, ingestelde, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of door een van overheidswege samengestelde examencommissie.

3º geslaagd zijn voor een door de Koning ingericht vergelijkend examen, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. Aan dat vergelijkend examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder 2º bepaalde benoemingsvoorwaarde voldoen.

De benoeming van een bemiddelingsassistent wordt eerst vast na één jaar ambtsvervulling.

Tijdens dat jaar kan de minister van Justitie, op het advies van de procureur des Konings, aan het voorlopig uitgeoefende ambt een einde maken.

Het door de Koning vastgesteld statuut is van toepassing op de voorlopig benoemde bemiddelingsassistent. »

Nr. 63 VAN DE REGERING

Art. 47bis (nieuw)

Een artikel 47bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 47bis. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 280bis ingevoegd, luidende :

« Art. 280bis. ­ De Koning richt het examen in met het oog op de afgifte van het getuigschrift van kandidaat-secretaris bedoeld in de artikelen 274, 275, 276, 277, 278, 279 en 280. Aan dat examen kan alleen worden deelgenomen door personen die, op het tijdstip van de afsluiting der inschrijvingen, aan de onder artikel 280, eerste lid, 2º, b) of c) bepaalde benoemingsvoorwaarden inzake diploma en anciënniteit voldoen. »

Nr. 64 VAN DE REGERING

Art. 50bis (nieuw)

Een artikel 50bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 50bis. ­ Artikel 285, derde lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Het in het tweede lid, 3º, bedoelde examen is vergelijkend en wordt ingericht door de Koning, voor een examencommissie die wordt ingesteld door de minister van Justitie. »

Nr. 65 VAN DE REGERING

Art. 50ter (nieuw)

Een artikel 50ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 50ter. ­ In deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk X, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 285bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 285bis. ­ De geslaagden van een vergelijkend wervingsexamen als bedoeld in artikelen 185, eerste lid, 271, 272, 272ter, 281, 283, 284, en 285, behouden het voordeel van hun goede uitslag gedurende drie jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het vergelijkend examen.

De minister van Justitie kan niettemin de geldigheidsduur van de wervingsreserves voor een maximum duur van twee periodes van één jaar verlengen.

Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende wervingsexamens, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van het vergelijkend examen waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten. »

Nr. 66 VAN DE REGERING

Art. 50quater (nieuw)

Een artikel 50quater (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 50quater. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 286bis ingevoegd, luidende :

« Art. 286bis. ­ Bij het in competitie stellen van een vacante betrekking van attaché, als bedoeld in artikel 136, van bemiddelingsassistent, vertaler, beambte, bode, alsook van een graad ingesteld overeenkomstig artikel 185, eerste lid, worden telkens op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen :

1º de kandidatuur van de best gerangschikte laureaat van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen;

2º de kandidatuur van de laureaten van het desbetreffend vergelijkend examen, die minder gunstig zijn gerangschikt doch op grond van een arbeidsovereenkomst reeds deze functies vervullen op de plaats waar de betrekking is open gevallen op voorwaarde dat ze op het ogenblik van de bekendmaking van de vacature reeds één jaar in dienst zijn en een beoordeling met vermelding « zeer goed » hebben gekregen als bedoeld in artikel 287ter;

3º de kandidatuur van hen die reeds werden benoemd tot een zelfde ambt in een andere griffie, parket of parketsecretariaat;

4º de kandidatuur van de personen die in toepassing van de bepalingen van dit Wetboek zijn vrijgesteld van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen. »

Nr. 67 VAN DE REGERING

Art. 51bis (nieuw)

Een artikel 51bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 51bis. ­ In deel II, boek I, titel VI, hoofdstuk X, van hetzelfde Wetboek worden de artikelen 287bis, 287ter en 287quater ingevoegd, luidende :

« Art. 287bis, § 1. ­ Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 1, 264, 266 en 268, wint de minister van Justitie het advies in van de magistraat-korpsoverste van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt hem rechtstreeks dat advies over en voegt, naar gelang van het geval, dit van de procureur des Konings, van de arbeidsauditeur of van de procureur-generaal er aan toe.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 272bis, 272ter, 274, 276 en 278, wint de minister van Justitie het advies in, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings, de arbeidsauditeur of de procureur-generaal waar de benoeming dient te geschieden, die het hem rechtstreeks overzendt.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 2, 265, 267, 269 en 269bis en onverminderd de bepalingen van artikel 262, wint de minister van Justitie, voor alle kandidaturen, het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks aan de minister over en voegt er het advies van de magistraat-korpsoverste van het desbetreffend gerecht aan toe.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 275, 277, 279 en 280 en onverminderd de bepalingen van het artikel 273, wint de minister van Justitie, voor alle kandidaturen, het advies in van de hoofdsecretaris van het parket waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks aan de minister over en voegt er het advies, naar gelang van het geval, van de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur aan toe.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 270 tot 272, winnen de minister van Justitie en, voor wat betreft de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken, de minister die de arbeid in zijn bevoegdheid heeft, het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden die het hem rechtstreeks overzendt.

Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 281 tot 284, wint de minister van Justitie het advies in van de hoofdsecretaris van het parket waar de benoeming dient te geschieden die het hem rechtstreeks overzendt.

§ 2. Het advies is gemotiveerd. Het belicht de vorming, de ervaring, de kwaliteiten van de kandidaat en zijn bekwaamheid om het vacante ambt uit te oefenen; het wordt, in voorkomend geval, gestaafd door de notities en de eindkwoteringen opgenomen in diens beoordelingsstaat.

§ 3. De eindconclusies van het advies worden ter kennis gebracht van de betrokken kandidaat door de procureur-generaal, de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris van het parket die, overeenkomstig § 1, de adviezen aan de bevoegde minister overzendt. De betrokkene beschikt over een termijn van tien dagen om kennis te nemen van het volledig advies.

Oordeelt de betrokken kandidaat dat daartoe ernstige redenen voorhanden zijn, dan kan hij, binnen dezelfde termijn, een schriftelijk verzoek om het advies te wijzigen indienen, gericht aan de bevoegde raad van beroep. Hiervan wordt hem ontvangstbewijs afgeleverd.

De kandidaat doet, per zelfde post, een afschrift van zijn verzoek aan de magistraat, hoofdgriffier of hoofdsecretaris, die belast is met het overzenden van het advies aan de minister van Justitie, toekomen. Het adviesdossier wordt aan de raad van beroep binnen de achtenveertig uren na ontvangst van dit afschrift medegedeeld.

§ 4. De adviezen worden medegedeeld aan de minister van Justitie of aan de minister die de arbeid in zijn bevoegdheid heeft binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het verzoek om advies of, indien de betrokken kandidaat gebruik heeft gemaakt van de in het tweede lid van § 3 bedoelde mogelijkheid, binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de bevoegde raad van beroep.

Art. 287ter. § 1. Om de twee jaar wordt een beoordelingsstaat opgemaakt van alle personeelsleden die een graad bekleden, bedoeld in hoofdstukken VI, VII, VIIbis, VIII en IX van deze titel, alsook die ingesteld door de Koning, overeenkomstig artikel 185, eerste lid.

Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel.

In de beoordelingsstaat drukt de dienstoverste zijn opvatting uit omtrent de waarde en de houding van het personeelslid, met behulp van beschrijvende formules overeenkomstig de aangebrachte aanduidingen. De beoordeling wordt uitgedrukt door middel van een van de volgende vermeldingen : « zeer goed », « goed » of « onvoldoende ». De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen.

Onder « dienstoverste », wordt verstaan :

1º voor de hoofdgriffiers, de hoofdsecretarissen en de attachés, als bedoeld in artikel 136, naar gelang van het geval, de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur;

2º voor de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, respectievelijk, de procureur-generaal en de procureur des Konings;

3º voor de leden van de griffies, de leden van de parketsecretariaten, het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, alsook voor de personeelsleden die een graad bekleden ingesteld door de Koning, overeenkomstig artikel 185, eerste lid, naar gelang van het geval, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris.

De dienstoverste kan zijn bevoegdheden overdragen volgens nadere regels gesteld door de Koning.

§ 2. Wat de hoofdgriffiers en de attachés, als bedoeld in artikel 136, betreft, maakt, naar gelang van het geval, de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur een voorlopige beoordeling op, en legt deze voor aan de magistraat-korpsoverste van de desbetreffende rechtsmacht, die deze viseert, en er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toevoegt. De procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, maakt een definitieve beoordeling op.

Wat de leden van de griffies betreft, maakt de hoofdgriffier een voorlopige beoordeling op, die hij aan de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur voorlegt. Deze magistraat viseert de beoordeling en voegt er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toe. Hij nodigt de magistraat-korpsoverste van de rechtsmacht, waar het lid van de griffie zijn ambt vervult, uit hetzelfde te doen en zendt daarna de beoordelingsstaat en, in voorkomend geval, de adviezen terug aan de hoofdgriffier die de definitieve beoordeling opmaakt.

Wat de leden van de parketsecretariaten betreft, maakt de hoofdsecretaris een voorlopige beoordeling op, die hij aan de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur voorlegt. Deze magistraat viseert de beoordeling en voegt er in voorkomend geval een bijkomend advies aan toe. De hoofdsecretaris maakt daarna een definitieve beoordeling op.

§ 3. De definitieve beoordelingsstaat wordt door de dienstoverste ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid.

De betrokkene beschikt over een termijn van tien dagen om een bezwaarschrift in te dienen bij de bevoegde raad van beroep en te vragen gehoord te worden. Hij stuurt per zelfde post een afschrift van zijn bezwaarschrift naar de dienstoverste die de beoordelingsstaat opgemaakt heeft. Deze zendt de beoordelingsstaat, eventueel met een bijkomende schriftelijke verantwoording van de onmiddellijke oversten, aan de raad van beroep over binnen de achtenveertig uren na ontvangst van dit afschrift.

De raad van beroep deelt het advies mee aan de betrokken dienstoverste en stelt bij aangetekende brief het betrokken personeelslid ervan in kennis binnen een termijn van veertig dagen te rekenen van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.

Dat advies is definitief en wordt toegevoegd aan de beoordelingsstaat.

§ 4. De beoordelingsstaat wordt voor de eerste maal opgemaakt tussen de negende en de twaalfde maand effectieve dienst.

De beoordeling slaat terug op de voorbije periode sinds de indiensttreding of de vorige beoordelingsstaat.

Het personeelslid kan een nieuwe beoordeling aanvragen, ten vroegste één jaar na de opmaak van de vorige beoordeling.

De beoordelingsstaat wordt bijgehouden door de dienstoverste in een vertrouwelijk dossier op naam van elk personeelslid afzonderlijk. De dienstoverste brengt de definitieve toegekende vermelding rechtstreeks ter kennis van de minister van Justitie.

§ 5. De beoordeling van een personeelslid dat de vermelding « onvoldoende » heeft verkregen, brengt gedurende een jaar, op geldelijk vlak, het verlies van de uitwerking van de eerstvolgende tussenverhoging met zich mee, die volgt na de toekenning van de vermelding, en dit onverminderd de tuchtrechtelijke gevolgen.

Art. 287quater. ­ § 1. Er wordt een nationale raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen tegen de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, alsook tegen de beoordelingsstaten, ingesteld door de attachés, als bedoeld in artikel 136, door de bemiddelingsadviseurs, door de hoofdgriffiers en door de hoofdsecretarissen.

Deze raad is gevestigd in Brussel.

In het rechtsgebied van ieder hof van beroep wordt een raad van beroep opgericht die kennis neemt van de beroepen tegen de adviezen uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure, alsook tegen de beoordelingsstaten, ingesteld door leden van de griffies, door leden van de parketsecretariaten, door bemiddelingsassistenten, door het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten en door personeelsleden die een graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid.

Deze raad wordt gevestigd op de zetel van het hof van beroep.

In deze raden zijn er zoveel afdelingen als er taalstelsels zijn voor de personeelsleden die kunnen vragen om door de raden te worden gehoord.

Het taalstelsel van de verzoeker bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.

§ 2. De nationale raad van beroep is, per afdeling, samengesteld uit :

1º een magistraat van een hof;

2º twee magistraten van het parket van een hof;

3º twee hoofdgriffiers;

4º twee hoofdsecretarissen;

5º twee bemiddelingsadviseurs;

6º een attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van cassatie.

§ 3. De raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep is, per afdeling, samengesteld uit :

1º een magistraat van de zetel;

2º twee magistraten van het parket;

3º twee griffiers;

4º twee secretarissen;

5º een bemiddelingsadviseur en een bemiddelingsassistent.

§ 4. De leden van de nationale raad van beroep worden aangewezen, wat de magistraten van de zetel betreft, door de eerste voorzitter van het Hof van cassatie, en wat de andere leden betreft, door de procureur-generaal bij het Hof van cassatie. De leden van de raad van beroep van het rechtsgebied van het hof van beroep worden aangewezen, wat de magistraten van de zetel betreft, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof van beroep, de eerste voorzitter van het arbeidshof of de eerste voorzitter van het militair gerechtshof, en wat de andere leden betreft, naar gelang van het geval, door de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het militair gerechtshof. Deze aanwijzingen gebeuren volgens criteria vastgesteld door de Koning.

De Koning zorgt ervoor dat al de ambten van deze titel vertegenwoordigd zijn binnen de leden of hun plaatsvervangers.

Voor elk lid kunnen tot zes plaatsvervangers aangewezen worden.

Minstens een griffier of een secretaris, werkend of plaatsvervangend lid, dient lid te zijn van een militair gerecht.

De leden van de raden van beroep worden, met hun instemming, aangewezen voor de duur van twee jaar. De eerste maal, bij de installatie van de raden van beroep, worden de magistraten niettemin aangewezen voor de duur van drie jaar.

§ 5. Ingeval van onbeschikbaarheid van één of meer leden wordt de plaats van het afwezig lid ingenomen door de eerstvolgende daartoe aangewezen plaatsvervanger.

De raad van beroep kan slechts geldig beraadslagen indien de leden, of hun plaatsvervangers, die aangewezen zijn in functie van de hoedanigheid van de verzoeker, aanwezig zijn. Per zitting moeten minimum vier leden aanwezig zijn. Minstens de helft onder hen moet magistraat zijn. De Koning bepaalt binnen de leden van de raden welke onder hen zetelen in functie van de categorie van personeel waartoe de verzoeker behoort.

Elke raad van beroep wordt voorgezeten door de magistraat van de zetel, of bij gebreke, door de magistraat van het parket met de hoogste rang. De voorzitter heeft een beslissende stem.

De raad van beroep hoort de verzoeker persoonlijk en desgewenst ook de opstellers van het betwiste advies of de betwiste beoordelingsstaat en onderzoekt het dossier en de motieven van de betrokkene. De verzoeker mag zich bij het verhoor laten bijstaan door een advocaat of een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie.

De Koning stelt nadere regels voor de werking van de raden van beroep. »

Nr. 68 VAN DE REGERING

Art. 52bis (nieuw)

Een artikel 52bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 52bis. ­ In deel II, boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk Ibis ingevoegd, luidende :

« Hoofdstuk Ibis. Eedaflegging van de bemiddelingsadviseurs, van de bemiddelingsassistenten en van de secretarissen

Art. 291bis. ­ De bemiddelingsadviseurs en -assistenten, leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, respectievelijk, van de procureur-generaal en van de procureur des Konings, bij hun eerste benoeming.

De hoofdsecretarissen, secretarissen en adjunct-secretarissen bij de parketten leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings, of van de arbeidsauditeur.

De eed moet worden afgelegd binnen een maand na de kennisgeving van de benoeming; anders mag deze als niet-bestaande worden beschouwd. »

Nr. 69 VAN DE REGERING

Art. 63bis (nieuw)

Een artikel 63bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 63bis. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 330bis ingevoegd, luidend :

« Art. 330bis. ­ Onverminderd de toepassing van artikel 329bis, kan de minister van Justitie aan de hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten, vertalers, opstellers, beambten en boden bij het parket, opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun parket, in een ander burgerlijk of militair parket, in ministeriële departementen of kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.

De hoofdsecretarissen, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten, vertalers, opstellers, beambten en boden aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Zij ontvangen evenwel de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt, indien deze hoger zijn. »

Nr. 70 VAN DE REGERING

Art. 64bis (nieuw)

Een artikel 64bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 64bis. ­ In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 331bis ingevoegd, luidende :

« Art. 331bis. ­ De hoofdsecretarissen, secretarissen-hoofden van dienst, secretarissen, adjunct-secretarissen, bemiddelingsadviseurs en -assistenten mogen niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt.

De hoofdsecretarissen, de bemiddelingsadviseurs en -assistenten mogen niet langer dan drie dagen afwezig zijn, zonder vergunning, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. »

Nr. 71 VAN DE REGERING

Art. 64ter (nieuw)

Een artikel 64ter (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 64ter. ­ Artikel 353bis van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepalingen :

« Art. 353bis. ­ De regels inzake onverenigbaarheid bepaald in artikel 293 zijn van toepassing op de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, op de leden van het parketsecretariaat, op het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten, op de attachés bij de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van cassatie alsook op de personeelsleden die een bijzondere graad bekleden ingesteld door de Koning overeenkomstig artikel 185, eerste lid. »

Nr. 72 VAN DE REGERING

Art. 66bis (nieuw)

Een artikel 66bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 66bis. ­ Hoofdstuk V van titel III van boek I van deel II van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Hoofdstuk V. ­ Bepaling geldend voor de bemiddelingsadviseurs en -assistenten, voor het personeel van de griffies en de parketsecretarissen en voor de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van cassatie.

Art. 380. ­ De Koning bepaalt de wedden van de vertalers, eerstaanwezend vertalers, opstellers, eerstaanwezend opstellers, beambten eerstaanwezend beambten, boden, eerstaanwezend boden van de griffies en de parketsecretariaten, van de attachés in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van cassatie, alsook die van de bemiddelingsadviseurs, bemiddelingsassistenten en eerstaanwezend bemiddelingsassistenten. »

Nr. 73 VAN DE REGERING

Art. 67bis (nieuw)

Een artikel 67bis (nieuw) invoegen, luidende :

« Art. 67bis. ­ Artikel 512, § 1, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende leden :

« De voormelde kandidaturen moeten op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van één maand na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.

De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst zes maanden vóór het ontstaan van de vacature.

Geen benoeming kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het tweede lid is verlopen. »

Nr. 74 VAN DE REGERING

Art. 69 tot 75 (nieuw)

Artikelen 69 tot 74 (nieuw) invoegen, luidende :

Overgangsbepalingen

« Art. 69. ­ De persoon die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet het ambt uitoefent van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris, adjunct-secretaris, opsteller of beambte kan, overeenkomstig de benoemingsvoorwaarden zoals gesteld in het Gerechtelijk Wetboek voor de inwerkingtreding van deze wet, tot het ambt van hoofdgriffier, griffier, adjunct-griffier, hoofdsecretaris, secretaris of adjunct-secretaris worden benoemd, indien hij op dat ogenblik aan al de voormelde benoemingsvoorwaarden voldoet, met uitzondering van deze wat de dienstanciënniteit betreft.

Art. 70

Onverminderd het bepaalde in artikel 286bis van het Gerechtelijk Wetboek, worden bij het in competitie stellen van een van de vacante betrekkingen vermeld in dit artikel, telkens op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen :

1º de kandidatuur van de laureaat van het desbetreffend wervingsexamen, dat georganiseerd is voor of nog in uitvoering is op de datum van inwerkingtreding van deze wet;

2º de kandidatuur van de laureaten van het eerstvolgend na de inwerkingtreding van deze wet georganiseerd desbetreffend vergelijkend examen, die minder gunstig zijn gerangschikt doch op grond van een arbeidsovereenkomst reeds deze functies vervullen op de plaats waar de betrekking is open gevallen, op voorwaarde dat ze op het ogenblik van de bekendmaking van de vacature reeds één jaar in dienst zijn.

Art. 71

De laureaten van het wervingsexamen voor de graad van opsteller, dat georganiseerd is voor of nog in uitvoering is op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht de benoemingsvoorwaarden vermeld in de artikelen 270 en 282 van het Gerechtelijk Wetboek te vervullen.

In afwijking van de in de artikelen 270, 1º, en 282, 1º, van hetzelfde Wetboek gestelde benoemingsvoorwaarde, behoudt de beambte die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet minstens twee jaar graadanciënniteit heeft, gedurende zes jaar vanaf voormelde datum, het recht om deel te nemen aan het examen bedoeld in voormeld artikel.

Art. 72

De laureaten van het wervingsexamen voor de graad van bemiddelingsadviseur, dat georganiseerd is voor of nog in uitvoering is op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht de benoemingsvoorwaarden vermeld in artikel 272bis, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek te vervullen.

Art. 73

Om in aanmerking te blijven komen voor het bepaalde in de artikelen 91, 1º, 92 en 93, moeten de laureaten, bij een ter post aangetekend schrijven ten laatste drie maanden na de bekendmaking van het bericht tot inrichting van het tweede na de inwerkingtreding van deze wet georganiseerd desbetreffend examen, aan de minister van Justitie te kennen hebben gegeven te willen blijven genieten van de onbeperkte geldigheidsduur van hun goede uitslag. Daartoe zal de minister van Justitie, ten laatste samen met voormeld bericht, een bijzondere oproep in het Belgisch Staatsblad bekend maken.

Art. 74

De houders van het getuigschrift van kandidaat-griffier en van kandidaat-secretaris, dat uitgereikt werd op basis van een examen dat georganiseerd is voor of nog in uitvoering is op de datum van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht houder te zijn van het getuigschrift zoals bedoeld in de artikelen 269bis en 280 van het Gerechtelijk Wetboek.

Inwerkingtreding

Art. 75

Deze wet treedt in werking de eerste dag van de derde maand volgend op die gedurende welke ze in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 15, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 28, 29, 30, 31, 51, 65 en 89 waarvan de Koning de datum van inwerkingtreding bepaalt en uiterlijk één jaar na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Verantwoording

Het amendement dat door de Regering wordt ingediend heeft tot doel de tekst van de wetsvoorstellen aan te passen ingevolge de besprekingen welke hebben plaatsgevonden in de Commissie van Justitie van de Senaat.

Er wordt vertrokken van de elementen aangereikt tijdens de hoorzitting met de verscheidene vakorganisaties en vertegenwoordigers van de betrokken beroepsorganisatie. Verder wordt rekening gehouden met de oriëntatiebespreking aan de hand van de vragenlijst opgesteld door de Regering.

De amendementen zijn tenslotte eveneens gebaseerd op de opmerkingen van de leden van de werkgroep afgevaardigd door de procureurs-generaal en op de opmerkingen van het Hof van cassatie.

Enkele belangrijke basisopties ondersteunen de voorstellen.

1. Parket

Enkel de magistraten van het openbaar ministerie vormen de leden van het parket. De secretarissen maken daarvan geen deel uit.

2. Integratiebemiddeling

In het wetboek wordt de notie bemiddeling in strafzaken ingevoerd. Dit was nog niet het geval sedert de invoering van de bemiddeling in strafzaken in het Wetboek van strafvordering. De techniek werd ingevoerd bij koninklijk besluit van 17 november 1994 maar dient eigenlijk in het Gerechtelijk Wetboek te worden opgenomen.

De bemiddelingsadviseurs komen te staan onder de procureur-generaal en de bemiddelingsassistenten onder de procureur des Konings.

Ze leggen de eed af in handen van een magistraat.

Ze maken als zodanig geen rechtstreeks deel uit van het secretariaat en staan dus onder de leiding van de procureur.

3. Griffie

Men heeft de leden van de griffie : de griffiers. Men heeft het personeel van de griffie : opstellers en beambten.

4. Herwaardering van de secretarissen. Het secretariaat (vraag 27).

Men heeft de leden van het secretariaat : de secretarissen. Men heeft het personeel van het secretariaat : vertalers, opstellers, beambten en verder personeel ingesteld in toepassing van artikel 185, eerste lid : maatschappelijk assistenten onthaal, bibliothecarissen, gebouwenbeheerders, industrieel ingenieur, ...

De leden van het secretariaat worden voortaan wel opgenomen in een reeks bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek : dit houdt in dat heel wat teksten vanuit allerlei koninklijke besluiten worden geïntegreerd in het Wetboek. Ook worden de secretarissen nu vermeld voor de rangorde.

Voor de secretarissen is in overleg met de Procureurs-generaal vermeld dat ze onder de leiding en het toezicht staan van de procureur des Konings.

5. Examens

Vergelijkende examens :

­ alle aanwervingsgraden van het personeel van griffies en parketten;

­ de attachés van het Hof van cassatie;

­ de bemiddelingsassistenten.

Bevorderingsexamens :

­ de bemiddelingsadviseurs;

­ de opstellers van het griffie- en parketpersoneel.

Selectietest :

­ voor alle tewerkstelling volgens arbeidsovereenkomst.

De examens worden georganiseerd door de minister van Justitie. Hij kan een beroep doen op het V.W.S. (te regelen in een protocol). De selectietest wordt georganiseerd door de minister van Justitie of door een andere staatsinstelling.

6. Adviesprocedure (art. 287bis van het Gerechtelijk Wetboek)

De adviesprocedure is georganiseerd volgens het systeem van een centrale dossierbeheerder.

Dit is

­ de P.G./P.d.K./Aud voor bemiddelingsadviseur, bemiddelinsassistent, hoofdsecretaris;

­ de magistraat-korpsoverste voor hoofdgriffier;

­ de hoofdgriffier voor de leden van de griffie en het griffiepersoneel;

­ de hoofdsecretaris voor de leden van het secretariaat en het secretariaatspersoneel.

De adviezen worden rechtstreeks door de dossierbeheerder aan de minister overgezonden.

De dossierbeheerder zal zelf de voorgeschreven bijkomende adviezen inwinnen en ze mee verzenden aan de minister.

Er wordt voorzien in een aantal termijnen. De adviezen worden medegedeeld aan de betrokkenen. Bovendien is er voorzien in een beroepsprocedure. Het is duidelijk dat voor alle dossiers het advies moet ingewonnen worden over alle kandidaten, ongeacht of ze voorgedragen zijn of niet.

7. Beoordeling (art. 287ter van het Gerechtelijk Wetboek)

De beoordeling is gebaseerd op het systeem van toepassing voor ambtenarenzaken. Het wordt om de twee jaren toegepast door de dienstoverste,

dit is

­ de P.G./P.d.K./Aud voor de hoofdgriffier, hoofdsecretaris, attachés;

­ de P.G./P.d.K. voor de bemiddelingsadviseur, -assistent;

­ de hoofdgriffier : leden van de griffier en het griffiepersoneel;

­ de hoofdsecretaris voor de leden van de secretariaten en het secretariaatspersoneel.

Ook hier geldt het principe van de dossierbeheerder en wint deze desnoods nog een aantal wettelijk voorgeschreven informaties in alvorens zijn beoordeling aan de betrokkene te betekenen.

Er wordt voorzien in een aantal termijnen en de beoordeling wordt aan de betrokkenen medegedeeld. Bovendien is ook hier in een beroepsprocedure voorzien.

8. Beroepsprocedure (art. 287quater van het Gerechtelijk Wetboek)

De beroepskamers zijn bevoegd voor de adviesprocedure inzake benoeming en voor de beoordeling.

De nationale raad behandelt de beroepen voor de attachés, de bemiddelingsadviseurs, hoofdgriffiers, en hoofdsecretarissen.

De raden van beroep per ressort van hof van beroep behandelen de beroepen voor de leden van de griffies, de secretariaten, de bemiddelingsassistenten, het personeel van de griffies en de secretariaten.

Nationale Raad (10 leden) : 1 zetelmagistraat, 2 parketmagistraten, 2 hoofdgriffiers, 2 hoofdsecretarissen, 2 bemiddelingsadviseurs, 1 attaché.

Regionale Raad (9 leden) : 1 zetelmagistraat, 2 parketmagistraten, 2 griffiers, 2 secretarissen, 1 bemiddelingsadviseur, 1 bemiddelingsassistent.

9. Benoeming adjunct-griffier (art. 269bis van het Gerechtelijk Wetboek) en -secretaris. (art. 280 van het Gerechtelijk Wetboek)

Nieuw is hier dat wordt rekening gehouden met een universitair diploma anders dan dat van licentiaat in de rechten. Deze laatsten blijven vrijgesteld. De andere universitairen moeten weliswaar het examen van kandidaat slagen maar kunnen worden benoemd na één jaar of onmiddellijk als ze één jaar ambtservaring hebben. De niet-universitairen moeten drie jaar ambtservaring in een griffie of secretariaat hebben alvorens te kunnen deelnemen aan het kandidaatsexamen. Fundamenteel is ook dat ze één jaar op proef worden benoemd (tenzij dat ze reeds in dienst waren).

10. Gelijkschakeling van de kandidaturen (art. 286bis van het Gerechtelijk Wetboek)

Voor de vacatures van attaché, bemiddelingsassistent, vertaler, beambte, de graden voorzien overeenkomstig artikel 185, lid 1, worden de volgende kandidaturen op gelijkwaardige wijze in aanmerking genomen :

­ de best gerangschikte van het desbetreffend vergelijkend wervingsexamen;

­ de contractuele ter plaatse die minder gunstig is gerangschikt, minstens één jaar de functie vervult en zeer goed is beoordeeld;

­ de kandidaat door mutatie;

­ de kandidaat vrijgesteld van wervingsexamen bij overgangsmaatregel (art. 69);

­ de laureaat van een vroeger brevetexamen;

­ de laureaat van een eerstvolgend nieuw georganiseerd vergelijkend examen, minder gunstig gerangschikt, maar contractuele ter plaatse, minstens een jaar de functie vervullend.

11. Overgangsregelingen (art. 69 e.v.)

De oude benoemingsvoorwaarden blijven gelden voor de titularissen in vast verband benoemd (art. 69).

Er zijn de regels met betrekking tot de laureaten-contractuelen ter plaatse (art. 70 - zie hoger).

De laureaten van de oude brevetexamens opsteller worden geacht de nieuwe voorwaarden te vervullen (art. 71).

Idem voor de bemiddelingsadviseurs (art. 72).

De laureaten van de oude examens voor kandidaat-griffier, kandidaat-secretaris worden geacht aan de nieuwe benoemingsvoorwaarden te voldoen. Ze kunnen worden benoemd mits één jaar proef (art. 74).

Nr. 75 VAN DE HEER DESMEDT

(Subamendement op amendement nr. 26 van de heer Vandenberghe)

Art. 37

In het eerste lid van het voorgestelde artikel 269bis , de woorden « bij het hof, bij de rechtbank, bij het vredegerecht of bij de politierechtbank » vervangen door de woorden « bij een rechtscollege ».

Nr. 76 VAN DE HEER DESMEDT

(Subamendement op amendement nr. 27 van de heer Vandenberghe)

Art. 38

In het eerste lid van het voorgestelde artikel 270, de woorden « van een vredegerecht, van een politierechtbank, van een rechtbank van eerste aanleg, van een arbeidsrechtbank, van een rechtbank van koophandel, van een hof van beroep, van een arbeidshof, of van het Hof van Cassatie » vervangen door de woorden « van een rechtscollege ».

Nr. 77 VAN DE HEREN LALLEMAND EN ERDMAN

(Subamendement op amendement nr. 62 van de Regering)

Art. 39ter

In dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :

« A. Het eerste lid, 1º, van artikel 272bis vervangen als volgt :

1º a) houder zijn van een diploma van licentiaat in de rechten, in de criminologie, in de psychologie of in de pedagogie afgeleverd door een universiteit of van een door de Koning gelijkgesteld universitair diploma van licentiaat;

b) of vast benoemd zijn en gedurende ten minste drie jaar het ambt van bemiddelingsassistent hebben uitgeoefend bij het parket van de procureur des Konings;

B. Het 2º van artikel 272ter, eerste lid, aanvullen met de woorden « of van een diploma dat door de Koning gelijkgesteld is. »

Nr. 78 VAN DE HEREN DESMEDT EN GORIS

(Subamendement op amendement nr. 62 van de Regering)

Art. 39ter (nieuw)

A) Aan de voorwaarden in het voorgestelde artikel 272bis toevoegen :

« houder zijn van een diploma van licentiaat in de rechten. »

B) Aan de voorwaarden in het voorgestelde artikel 272ter toevoegen :

« houder zijn van een diploma van licentiaat in de rechten of van licentiaat in de criminologie, de psychologie of de pedagogie, uitgereikt door een universiteit. »

Nr. 79 VAN DE REGERING

(Subamendement op amendement nr. 1 van de heer Vandenberghe)

Art. 2

Na het eerste lid van het voorgestelde artikel 2 een nieuw lid invoegen, luidende :

« Het bepaalde van de eerste lid is niet van toepassing op de artikelen 259bis, 466, 467, 469, 469bis, 473, 475, 477, 482, 489, 505, 506, 508, 531, 531bis, 531ter, 531quinquies, 539, 540, 542, 545 en 553. »

Nr. 80 VAN DE HEER VANDENBERGHE

(Subamendement op amendement nr. 74 van de Regering)

De overgangsbepalingen doen aanvangen met een nieuw artikel 68bis , luidende :

« Art. 68bis. ­ De griffiers-hoofden van dienst, de klerken-griffiers, de secretarissen, de adjunct-secretarissen-hoofden van dienst, de adjunct-secretarissen en de klerken-secretarissen in dienst voeren, met ingang van de dag waarop deze wet in werking treedt, respectievelijk de titel van « hoofdgriffier », van « adjunct-griffier », van « hoofdsecretaris », van « secretaris-hoofd van dienst », van « secretaris » en van « adjunct-secretaris ».

Verantwoording

Het is aangewezen te bevestigen dat de personeelsleden die titularis zijn van een graad van welke de benaming werd gewijzigd overeenkomstig artikel 2 van het wetsontwerp, de titel van de aldus nieuw ingerichte graad voeren. Het is nuttig er hier op te wijzen dat ze bovendien verder blijven genieten van hun wedde die zal verbonden zijn aan de nieuwe graad.

Nr. 81 VAN DE REGERING

(Subamendement op haar eigen amendement nr. 74)

Art. 71 (nieuw)

Het voorgestelde artikel 71 vervangen als volgt :

« Art. 71. ­ De geslaagden van het wervingsexamen voor de graad van opsteller, dat georganiseerd is voor of nog in uitvoering is op datum van inwerkingtreding van de artikelen 44 en 58 van deze wet, worden geacht de benoemingsvoorwaarden vermeld in de artikelen 270 en 282 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet, te vervullen.

In afwijking van de artikelen 270 en 282 bedoeld in het vorig lid, behoudt de beambte die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de artikelen 44 en 58 van deze wet, niet in het bezit is van het vereiste diploma of getuigschrift maar minstens twee jaar graadanciënniteit heeft, gedurende zes jaar, het recht om deel te nemen aan het examen bedoeld in voormelde artikelen 270 en 282. »

Nr. 82 VAN DE REGERING

(Subamendement op haar eigen amendement nr. 74)

Art. 75 (nieuw)

In het voorgestelde artikel 75 de woorden « 51, 65 en 89 » vervangen door de woorden « 47, 64, 65, 66 en 89. »

Nr. 83 VAN DE HEER VANDENBERGHE

Art. 60

Dit artikel doen vervallen.