1-58/1

1-58/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 1995

13 JULI 1995


Wetsvoorstel tot verlaging van de pensioenleeftijd voor werkende moeders met een beroepsloopbaan (1)

(Ingediend door de heer Vandenbroeke c.s.)


TOELICHTING


Het Pinksterspaarplan zoals uiteengezet in de regeringsverklaring van 23 mei 1986 bevatte onder meer het voornemen ook voor werkende vrouwen de pensioenleeftijd op 65 jaar te brengen. Het hoeft geen betoog dat dit heel wat opschudding heeft veroorzaakt bij de vrouwelijke werkende bevolking. Ook de vrouwenbeweging heeft zich unaniem tegen dit voorstel uitgesproken. Persoonlijk ben ik er ook tegen gekant.

Het is wel juist dat de vrouwen vandaag dezelfde rechten opeisen als de mannen en dat men dan soms ook zou geneigd zijn om hun dezelfde plichten op te leggen. Het kadert aldus in de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Het is de vrouw die de kinderen ter wereld brengt en hen zeker gedurende de eerste levensjaren hoofdzakelijk alleen opvoedt. Dit wordt bepaald door haar geslacht, haar fysiologie en psychologie en niemand kan of wil hiertegen protesteren.

Tal van werkende vrouwen worden genoodzaakt hun loopbaan voor korte of langere tijd c.q. definitief te onderbreken omwille van hun kinderen, zodat ze dikwijls jaren tekortkomen voor een volledig pensioen.

Ze kregen nooit de kans de onkosten, veroorzaakt door het hebben van kinderen, onder meer hun bijdragen aan onthaalmoeders of kinderbewaarplaatsen, fiscaal in rekening te brengen.

Tevens zien we dat personen die in het verleden betrokken werden bij het oorlogsgebeuren als krijgsgevangenen, weerstanders, weggevoerden of dienstweigeraars per erkend jaar een pensioenkrediet van twee jaar kregen toegewezen wegens erkende diensten aan het Vaderland.

Ook de vrouwelijke arbeidskrachten bewijzen een dienst aan het Vaderland door te zorgen voor een evenwicht in onze demografische toestand die reeds zorgwekkend is. Daarom ben ik zo vrij voor te stellen dat iedere vrouwelijke werknemer recht heeft op twee jaar pensioenkrediet per kind met een maximum van zes jaar.

Deze maatregel geldt ook voor stief- en adoptiekinderen op voorwaarde dat ze ten minste gedurende tien jaar door de vrouwelijke werknemer werden grootgebracht beneden de leeftijd van 21 jaar.

Christiaan VANDENBROEKE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

De werkende moeders met een beroepsloopbaan hebben per kind recht op twee jaar pensioenkrediet, met een maximum van zes jaar.

Art. 3

De werkende moeders met een beroepsloopbaan hebben per stief- of adoptiekind dat ten minste tien jaar door hen werd opgevoed beneden de leeftijd van 21 jaar, recht op twee jaar pensioenkrediet, met een maximum van zes jaar.

Art. 4

Ieder kind dat de leeftijd van twee jaar bereikt, wordt voluit meegerekend; indien het vóór die leeftijd overlijdt, worden het aantal maanden dat het kind leefde in aanmerking genomen.

Art. 5

Onder werkende vrouw met een beroepsloopbaan wordt verstaan elke vrouw die een arbeid uitvoert als werkneemster (voltijds of deeltijds), als zelfstandige of als helpster van een zelfstandige op voorwaarde dat ze bijdragen betaalt voor het pensioenfonds.

Art. 6

De uitvoeringsbesluiten van deze wet worden bekendgemaakt binnen drie maanden na de aanneming van deze wet. Zo dit niet het geval is, treedt de wet automatisch in werking.

Christiaan VANDENBROEKE.
Bert ANCIAUX.
Jan LOONES.

(1) Dit wetsvoorstel werd in de Senaat reeds ingediend op 14 januari 1992, onder het nummer 82-1 (B.Z. 1991-1992).