1-246/2 | 1-246/2 |
13 MAART 1996
Art. 2
In het 2º, b , van dit artikel de woorden « van kerkelijke instellingen » vervangen door de woorden « van godsdienstige en vrijzinnige instellingen ».
Verantwoording
Er werd reeds in de Kamer gewezen op deze terminologie. De kerkfabrieken werden beschouwd als zijnde openbare instellingen maar quid met andere godsdienstige instellingen. Recente gebeurtenissen hebben het plunderen van synagogen meegebracht. Anderzijds is de voorgestelde terminologie nu in een gelijkstelling tussen erediensten en vrijzinnige instellingen.
Indien dit amendement wordt aanvaard, moeten ook de termen in artikel 14 worden ingevoerd.
Art. 6
In dit artikel de woorden « het Ministerie van Justitie wordt aangesteld » vervangen door de woorden « de minister van Justitie wordt aangewezen ».
Verantwoording
Ook in het wetsontwerp betreffende gerechtelijke samenwerking met de internationale tribunalen (Gedr. St. Senaat nr. 1/247-4, zitting 1995-1996) werd deze correctie doorgevoerd. Toen werd ook onderstreept dat het ministerie alsdusdanig geen autoriteit is en dat vermits er gerechtelijke samenwerking moet worden georganiseerd, dat het de minister van Justitie moet zijn die als centrale autoriteit optreedt.
| Frederik ERDMAN. |
Art. 7
In het tweede lid, 2), van dit artikel, de woorden « de centrale autoriteit van » invoegen voor de woorden « de betrokken Staten ».
Verantwoording
In overeenstemming met artikel 17, waar de contacten langs centrale autoriteiten verlopen, is het vanzelfsprekend dat hier ook de centrale autoriteit moet in kennis worden gesteld.
Art. 9
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 9. Een vordering tot bewarend beslag of beslag tot terugvordering wordt gebracht voor de beslagrechter van de plaats waar een door een andere Staat teruggevorderd cultuurgoed zich bevindt. Bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan overeenkomstig artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek een vordering tot het aanstellen van sekwester aanhangig worden gemaakt. »
Verantwoording
Er is geen minste reden om in deze af te stappen van gekende procedures. De omschrijving van « maatregelen treffen met het oog op het materiële behoud van dat goed en om te voorkomen dat het aan de procedure van teruggave wordt onttrokken » wordt juist bereikt door het beslag. Waarom dan niet gewoon de procedure toepassen die gekend is, een garantie van publiciteit biedt en die dus volgens gekende regels kan verlopen. Daarentegen is het sekwester (tweede zin van voorgesteld artikel 9) geen bevoegdheid van de beslagrechter maar een bevoegdheid van de voorzitter van de eerste aanleg. In die omstandigheden is het dus aangewezen om op die wijze artikel 9 aan te passen.
Art. 12
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 12. Bij het verzoekschrift op tegenspraak bedoeld in artikel 10 worden gevoegd :
a) een document waarin het goed waarop de vordering betrekking heeft, wordt beschreven en waarin wordt verklaard dat dit goed een cultuurgoed is krachtens de wetgeving van de verzoekende staat;
b) een verklaring van de bevoegde overheden van de verzoekende staat waaruit moet blijken dat het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van deze staat is gebracht, in strijd met zijn wetgeving ter zake, of met verordening (E.E.G.) nr. 3911/92 van de Raad, van 9 december 1992, betreffende de uitvoer van cultuurgoederen.
Ingeval deze documenten niet bij de inleiding van de vordering werden gevoegd en behoudens toevoeging van deze stukken binnen de door de rechtbank gestelde termijn, verklaart deze de eis van ambtswege niet toelaatbaar. »
Verantwoording
Men kiest niet voor een nietigheid van het verzoekschrift maar wel voor een niet-toelaatbare vordering in geval de bedoelde stukken niet worden gevoegd. Daarom kan ook de formulering die werd toegepast als sanctie in artikel 41 van de wet op het handelsregister zoals gecoördineerd bij koninklijk besluit van 20 juli 1964 worden gevolgd.
De term « niet ontvankelijk » is voorbijgestreefd : artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek spreekt van « toegelaten », dus het is een « ontoelaatbaarheid » die hier is bedoeld.
Het is duidelijk dat deze ontoelaatbaarheid cumulatief is, in die zin dat de twee voorwaarden moeten vervuld zijn. Anderzijds is het duidelijk dat alinea 1 en alinea 3 van de voorgestelde tekst van artikel 12 dubbel gebruik maken, daar indien een attest wordt voorgebracht dat het cultuurgoed op onrechtmatige wijze is « geëxporteerd » dan kan het uiteraard niet « rechtmatig buiten het grondgebied » gebracht zijn.
Art. 15
Aan dit artikel de volgende wijzigingen aanbrengen :
A. Het eerste lid doen voorafgaan door de woorden « In afwijking van artikel 2280 van het Burgerlijk Wetboek... »
B. In het vierde lid de woorden « de verkrijger » vervangen door de woorden « de bezitter ».
Verantwoording
1. Artikel 2280 van het Burgerlijk Wetboek voorziet een specifieke regeling om de tegenwoordige bezitter van gestolen zaken te vergoeden. Het kan de bedoeling niet zijn van cumulatief de vergoedingen voorzien in artikel 15 met deze van artikel 2280 van het Burgerlijk Wetboek te voorzien.
2. Het is een juiste vertaling : de bedoelde persoon is inderdaad wel een « verkrijger », maar dan is hij in ieder geval op het ogenblik van de vordering « bezitter ».
Art. 18
Dit artikel doen voorafgaan door de woorden :
« Onverminderd de bepalingen van artikel 8 kan de Koning ... »
Verantwoording
Vermits de wet zelf in artikel 8 bepaalde autoriteiten aanwijst om bepaalde opdrachten te vervullen, die ook vallen binnen de in artikel 7 omschreven opdrachten, moet daar naar worden verwezen.
Art. 19
« 25º » vervangen door « 27º ».
Verantwoording
Er is reeds een « 25º » ingevoegd in artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek door artikel 98 van de wet van 20 mei 1994 en er is zelfs een « 26º » ingevoegd bij artikel 13, lid 1, van de wet van 6 augustus 1993.
Art. 19
Dit artikel aanvullen met een tweede lid, luidende :
« In het voorlaatste lid van artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek worden de woorden « en 26º » vervangen door de woorden « , 26º en 27º ».
Verantwoording
Indien in artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek een bevoegdheid ratione loci wordt bepaald voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (bevoegdheid die weliswaar bevestigd wordt in artikel 10 van de voorgestelde tekst) moet toch, om in overeenstemming te blijven ook voorlaatste lid van artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek worden aangepast.
| Frederik ERDMAN. Hugo COVELIERS. Michel FORET. Robert LALLEMAND. Jan LOONES. Charles-Ferdinand NOTHOMB. |
Art. 14
In het tweede lid van dit artikel de woorden « Deze termijn kan in geen geval langer zijn dan dertig jaar vanaf » vervangen door de woorden « De vordering tot teruggave verjaart in elk geval dertig jaar na ».
Verantwoording
Het tweede lid is onduidelijk geformuleerd : het aanwijzend voornaamwoord « deze » wordt gebruikt bij het substantief « termijn », waardoor het tweede lid lijkt te verwijzen naar de termijn van een jaar in het eerste lid. Het gaat hier echter om twee verschillende termijnen. Ter wille van de duidelijkheid moet ook hier de tekst van de richtlijn worden overgenomen aangezien die nauwkeuriger geformuleerd is.
| Michel FORET. Claude DESMEDT. |
Art. 8
In het tweede lid van dit artikel tussen de woorden « zijn zij ertoe gemachtigd » en de woorden « zich toegang te laten verschaffen » de woorden « op de wijze voorgeschreven door de wet » invoegen.
| Roger LALLEMAND. |
Art. 2
Het 2º, b), van dit artikel vervangen als volgt :
« b) of inventarissen van kerkelijke en niet-confessionele levensbeschouwelijke instellingen. »
| Stephan GORIS |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 87 van de Grondwet.
Art. 2
In deze wet wordt verstaan onder :
1º « Staat » : een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap of een Staat van de Europese Vrijhandelsassociatie waarop richtlijn 93/7/E.E.G. van de Raad van 15 maart 1993, betreffende de teruggave van de cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Lid-Staat zijn gebracht, mede van toepassing is;
2º « cultuurgoed » : een goed dat, voordat of nadat het buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is gebracht, erkend is als nationaal, artistiek, historisch of archeologisch bezit in de zin van artikel 36 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of van artikel 13 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. De erkenning moet hebben plaatsgehad overeenkomstig de wetgeving of de administratieve procedures van de verzoekende Staat.
Het goed moet behoren tot een van de in de bijlage van deze wet vermelde caegorieën of, indien het niet tot een van deze categorieën behoort, integrerend deel uitmaken van :
a) openbare collecties die vermeld staan in de inventarissen van de musea, de archieven of de vaste collecties van bibliotheken;
b) de inventarissen van de godsdienstige instellingen of de verenigingen die morele dienstverlening volgens een niet-confessionele levensbeschouwing aanbieden;
3º « openbare collecties » : collecties die overeenkomstig de wetgeving van een Staat als openbaar zijn erkend en die het eigendom zijn van deze Staat, van een lokale of regionale overheid in deze Staat of van een instelling gelegen op zijn grondgebied. Deze instelling moet het eigendom zijn van of in grote mate gefinancierd worden door deze Staat of een lokale of regionale overheid;
4º « teruggave » : de daadwerkelijke terugkeer van het cultuurgoed op het grondgebied van de verzoekende Staat;
5º « bezitter » : degene die een cultuurgoed feitelijk houdt voor zichzelf of in wiens naam het goed door een ander wordt gehouden;
6º « houder » : degene die een cultuurgoed feitelijk houdt voor een ander;
7º « verzoekende Staat » : de Staat waarvan het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied is gebracht.
Art. 3
Een cultuurgoed is op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Staat gebracht :
1º wanneer het buiten het grondgebied van deze Staat is gebracht in strijd met zijn wetgeving betreffende de bescherming van het nationaal bezit of in strijd met de verordering (E.E.G.) nr. 3911/92 van de Raad, van 9 december 1992, betreffende de uitvoer van cultuurgoederen.
2º wanneer het niet teruggezonden wordt na het verstrijken van de termijn van een rechtmatige tijdelijke zending naar een ander land of wanneer een van de andere voorwaarden die aan die tijdelijke zending verbonden waren, niet in acht genomen wordt.
Art. 4
De minister van Justitie is de bevoegde centrale autoriteit om samen te werken met de centrale autoriteiten van de andere Staten en het overleg tussen de bevoegde autoriteiten van deze Staten te bevorderen.
Deze autoriteiten hebben onder meer tot taak :
1) op verzoek van de verzoekende Staat een nader bepaald cultuurgoed dat op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van deze Staat is gebracht, op te sporen en de identiteit van de bezitter of de houder ervan vast te stellen. Dit verzoek moet vergezeld gaan van alle nodige informatie om deze opsporing en vaststelling te vergemakkelijken, met name over de plaats waar het goed zich feitelijk of vermoedelijk bevindt;
2) bij ontdekking op hun grondgebied van cultuurgoederen waarvoor er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat die goederen op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een andere Staat zijn gebracht, de centrale autoriteit van de betrokken Staten hiervan in kennis te stellen;
3) de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat gedurende een termijn van twee maanden na de in punt 2) bedoelde kennisgeving, de gelegenheid te geven na te trekken of het betrokken goed een cultuurgoed vormt. Doen zij dit niet binnen de gestelde termijn, dan zijn de punten 4) en 5) niet langer van toepassing;
4) in samenwerking met de verzoekende Staat de nodige maatregelen te treffen voor het materiële behoud van het cultuurgoed;
5) te voorkomen, door de passende maatregelen, dat het cultuurgoed aan de procedure van teruggave wordt onttrokken;
6) met betrekking tot de teruggave als tussenpersoon te fungeren tussen de bezitter of de houder en de verzoekende Staat. Te dien einde kunnen de bevoegde autoriteiten, onverminderd de met toepassing van artikel 7 ingestelde vordering tot teruggave, een arbitrageprocedure vergemakkelijken overeenkomstig de wet, op voorwaarde dat de verzoekende Staat en de bezitter of de houder daarmee uitdrukkelijk akkoord gaan.
Art. 5
De politiediensten bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt sporen de cultuurgoederen op die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Staat zijn gebracht, alsook de identiteit van de bezitter of houder ervan, indien de goederen zich op het Belgisch grondgebied bevinden.
Om het in artikel 4, tweede lid, 3), bedoelde onderzoek mogelijk te maken, zijn zij gemachtigd om zich op de wijze voorgeschreven door de wet, toegang te laten verschaffen tot de plaatsen waar de gevorderde goederen zich zouden kunnen bevinden.
Art. 6
De beslagrechter van de plaats waar een door een Staat gevorderd cultuurgoed zich bevindt, kan alle nodige maatregelen treffen met het oog op het materiële behoud van dat goed en om te voorkomen dat het aan de procedure van teruggave wordt onttrokken. Te dien einde kan hij de bezitter of de houder van dat goed verbieden het te verplaatsen of erover te beschikken en een bewaarder aanstellen gedurende het verloop van deze procedure.
Art. 7
§ 1. Wanneer een cultuurgoed dat op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Staat is gebracht, zich in België bevindt, kan die Staat een vordering tot teruggave instellen tegen degene die het goed in handen heeft.
De vordering is niet ontvankelijk indien het, op het ogenblik dat zij wordt ingesteld, niet meer langer onrechtmatig is om het goed buiten het grondgebied van de verzoekende Staat te brengen.
§ 2. De vordering wordt bij een verzoekschrift op tegenspraak ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Om ontvankelijk te zijn moeten bij het verzoekschrift worden gevoegd :
1º een document waarin het goed waarop de vordering betrekking heeft, wordt beschreven en waarin wordt verklaard dat dit goed een cultuurgoed is krachtens de wetgeving van de verzoekende Staat;
2º een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat waaruit moet blijken dat het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van deze Staat is gebracht in strijd met zijn wetgeving ter zake of met verordering (E.E.G.) nr. 3911/92 van de Raad, van 9 december 1992, betreffende de uitvoer van cultuurgoederen.
Behalve de vermeldingen genoemd in artikel 1034ter, 1º, 4º, 5º en 6º van het Gerechtelijk Wetboek bevat het verzoekschrift, op straffe van nietigheid :
1º de opgave van de verzoekende Staat en de naam, de voornaam en de hoedanigheid van de persoon die deze Staat vertegenwoordigt;
2º de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen.
Art. 8
Onder voorbehoud van de verjaring moet de teruggave van het gevorderde cultuurgoed door de rechtbank worden gelast indien bewezen wordt dat de vordering betrekking heeft op een cultuurgoed dat op onrechtmatige wijze, ten vroegste op 1 januari 1993, buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is gebracht.
De eigendom van het cultuurgoed wordt, na de teruggave ervan, bepaald door het recht van de verzoekende Staat.
Art. 9
De vordering tot teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Staat zijn gebracht, verjaart één jaar na de datum waarop de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder van dat goed ter kennis van de verzoekende Staat zijn gekomen.
Indien het goed deel uitmaakt van een openbare collectie of van een inventaris van een godsdienstige instelling of een vereniging die morele dienstverlening volgens een niet-confessionele levensbeschouwing aanbiedt, zoals bedoeld in artikel 2, 2º, b), en indien het is onderworpen aan een speciale bescherming krachtens de wetgeving van de verzoekende Staat, verjaart de vordering tot teruggave evenwel na 75 jaar, tenzij de vordering op grond van dezelfde wetgeving niet vatbaar is voor verjaring en behoudens de toepassing van een bilaterale overeenkomst tussen de betrokken Staten waarbij een termijn van meer dan 75 jaar is vastgesteld.
Art. 10
Wanneer de rechtbank de teruggave van het cultuurgoed aan de verzoekende Staat gelast, kent zij aan de bezitter een billijke vergoeding toe, op voorwaarde dat de bezitter bij de verwerving met de nodige zorgvuldigheid heeft gehandeld.
Goede trouw wordt steeds vermoed en degene die zich op kwade trouw beroept, moet die bewijzen.
Het is voldoende dat de goede trouw aanwezig was op het ogenblik van de verkrijging.
In geval van schenking of erfopvolging mag de rechtspositie van de bezitter niet gunstiger zijn dan die van degene van wie hij het goed uit dien hoofde heeft verkregen.
De vergoeding wordt door de verzoekende Staat bij de teruggave uitgekeerd.
Art. 11
De kosten die voortvloeien uit de uitvoering van de rechterlijke beslissing waarbij de teruggave van het cultuurgoed wordt gelast, alsook de kosten in verband met de nodige maatregelen die overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6 werden getroffen voor het materiële behoud van het cultuurgoed, komen ten laste van de verzoekende Staat.
De verzoekende Staat kan van de personen die verantwoordelijk zijn voor het op onrechtmatige wijze buiten zijn grondgebied brengen van het cultuurgoed, de terugbetaling vorderen van de vergoeding en van de te zijnen laste gelegde kosten.
Art. 12
Wanneer de minister van Justitie door de centrale autoriteit van de verzoekende Staat in kennis wordt gesteld van het instellen van een vordering tot teruggave, licht hij onverwijld de centrale autoriteit van de overige Staten in.
Art. 13
Onverminderd de bepalingen van artikel 5 kan de Koning de autoriteiten aanwijzen die bevoegd zijn om de in artikel 4 omschreven opdrachten te vervullen.
Art. 14
In artikel 569 van het Gerechtelijk Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) Het eerste lid wordt aangevuld met een 27º, luidende : « 27º van de vorderingen tot teruggave van cultuurgoederen ingesteld op grond van artikel 7 van de wet van ... betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van bepaalde buitenlandse Staten zijn gebracht ».
B) In het tweede lid worden de woorden « en 26º » vervangen door de woorden « , 26º en 27º ».
| Roger LALLEMAND. Frederik ERDMAN. Hugo VANDENBERGHE. |
(Subamendement op het amendement nr. 13 van de heer Lallemand c.s.)
Art. 14
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 9 vervangen als volgt :
« De vordering verjaart in elk geval dertig jaar na de datum waarop het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is gebracht. De vordering verjaart evenwel na vijfenzeventig jaar of is onverjaarbaar indien de wetgeving van de verzoekende Staat daarin voorziet, voor de goederen die deel uitmaken van openbare collecties en voor de in artikel 2, 2º, b), bedoelde goederen wanneer deze in de verzoekende Staat aan een speciale bescherming onderworpen zijn.
Een bilaterale overeenkomst met de verzoekende Staat kan een verjaringstermijn van meer dan 75 jaar vaststellen. »
(Subamendement op het amendement nr. 13 van de heer Lallemand c.s.)
Art. 17
Het voorgestelde artikel 12 vervangen als volgt :
« Art. 12. Wanneer de minister van Justitie door de centrale autoriteit van de verzoekende Staat in kennis wordt gesteld van het instellen van een vordering tot teruggave, licht hij onverwijld de centrale autoriteit van de overige Staten in. »
| Frederik ERDMAN. |