1-259/2 | 1-259/2 |
19 JUNI 1996
Artikel 1
In het eerste lid van dit artikel tussen de woorden « tien Belgische blauwhelmen » en de woorden « zijn vermoord » de woorden « en Belgische burgers » invoegen.
Art. 2
In dit artikel de woorden « negen leden » vervangen door de woorden « elf leden. ».
Verantwoording en nieuwe toelichting
Er zijn vier nieuwe gegevens die deze amendementen rechtvaardigen :
de werkzaamheden van de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden;
een nationale petitie;
het proces-Marchal;
nieuwe feiten.
1) De werkzaamheden van de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Senaat
Om de verwerping van de motie-Destexhe, Devolder en Dardenne te rechtvaardigen, verklaarde de heer Mahoux, de enige spreker van de meerderheid, in de plenaire vergadering het volgende :
« Iedereen wil de waarheid kennen over deze zaak. Daartoe bestaan verschillende middelen (...). De betrokken ministers zijn door de Commissie en haar voorzitter aangezocht. Ik veronderstel dat dit in de huidige stand van zaken gebeurd is aangezien wij in werkelijkheid sinds de maand december voorgesteld hebben generaal Dallaire aan te schrijven om hem op te roepen in de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden.
Wij hebben de betrokken ministers verzocht de stukken te bezorgen die zij in hun bezit zouden hebben en die de Commissie inzicht kunnen verschaffen. Het gaat er dus om de waarheid zelfverzekerd en waardig tegemoet te treden.
Ik denk dat dit de wens is van de Commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden en eveneens, zo veronderstel ik, van een zeer ruime meerderheid van de Senaat. » (vertaling van de Parlementaire Handelingen ).
De week nadien sloten verschillende parlementsleden van de meerderheid (Hostekint,...) en van de oppositie (Verhofstadt, Dardenne, Anciaux,...) zich aan bij deze opmerking of gingen er verder op in. Bijgevolg zond de voorzitter van de Commissie, de heer Vautmans, op eenparig verzoek van de Commissie brieven naar de ministers van Landsverdediging en van Buitenlandse Zaken waarin alle bestuursdocumenten betreffende deze periode werden opgevraagd om ze aan de Commissie voor onderzoek te kunnen voorleggen.
Twee maanden later heeft de Commissie geen enkel document of antwoord ontvangen.
2) Een nationale petitie
Er is aan de Eerste minister, Jean-Luc Dehaene, een petitie bezorgd, ondertekend door 200 000 burgers. Daarin wordt de oprichting gevraagd van een parlementaire onderzoekscommissie « over de moord op de paracommando's en over de volkenmoord, de misdaden tegen de menselijkheid en de oorlogsmisdaden gepleegd in Ruanda ».
Nu steeds meer gesproken wordt over het gebrek aan vertrouwen in de politieke klasse en over de kloof tussen de burgers en hun verkozenen, zou ons Parlement er verkeerd aan doen dit verzoekschrift, dat uitgaat van een aanzienlijk aantal burgers, te negeren.
3) Het proces van kolonel Marchal
Het proces-Marchal is afgelopen. Jean-Luc Dehaene had dit proces aangehaald om zijn weigering te rechtvaardigen om een parlementaire onderzoekscommissie in te stellen. Enerzijds heeft dit proces nooit het volle licht willen werpen op de tragedie maar was het alleen de bedoeling een man, kolonel Marchal, te vonnissen in het kader van een zeer beperkte en zeer precieze beschuldiging (het feit dat hij Belgische soldaten en geen Bengalese gestuurd heeft om de eerste minister van Ruanda te escorteren). Anderzijds heeft het proces meer vragen opgeroepen dan het antwoorden heeft gegeven.
Enkele voorbeelden :
Waarom zijn de wapens en de munitie die kolonel Marchal herhaaldelijk gevraagd heeft, niet naar Kigali verzonden ? Waarom heeft hij geen enkel antwoord ontvangen op zijn verzoeken ?
Er waren verschillende Belgische inlichtingendiensten in Ruanda. Welke informatie hebben zij doorgezonden ? Hoe is die informatie verwerkt ?
De ambassadeur van België in Ruanda op het ogenblik van de feiten is niet ondervraagd over zijn rol, zijn stappen en zijn optreden in de cruciale periode tussen 11 januari en 18 januari, de periode waarin een informant die nauw bij de voorbereiding van de volkenmoord betrokken is, generaal Dallaire een beschrijving geeft van de plannen ter voorbereiding van de volkenmoord en van het dreigende gevaar van de aanslagen tegen Belgische soldaten.
Er is de fax die generaal Dallaire op 11 januari 1994 naar New York verzendt, in verband met de informant die « has been ordered to register all Tutsi in Kigali. He suspects it is for their extermination... in 20 minutes his personnel could kill up to 1 000 Tutsi ».
Anderzijds meldt dezelfde fax dat tegen de Belgische soldaten aanslagen worden voorbereid : « Belgian troops were to be provoked and if Belgian soldiers resorted to force a number of them were to be killed and thus guarantee Belgian withdrawal from Rwanda. »
4) Nieuwe feiten
Op basis van de beschikbare gegevens, waarvan sommige van zeer recente datum zijn, is het mogelijk de opeenvolging van de feiten vast te stellen :
In de nacht van 10 op 11 januari stuurt Dallaire de fax d.d. 11 januari naar New York waarin hij toestemming vraagt om de wapens in de ochtend van 12 januari in beslag te nemen.
Op 11 januari antwoordt New York hem deze operatie niet uit te voeren en contact op te nemen met de President en de ambassadeurs van België, Frankrijk en de Verenigde Staten.
Op 12 januari ontmoeten generaal Dallaire en Booh Booh (de afgevaardigde van Boutros Ghali) achtereenvolgens :
1. de ambassadeurs van België, Frankrijk en de Verenigde Staten (om 10 uur)
Booh Booh stuurt het verslag van deze ontmoeting naar New York :
« They expressed serious concern about the alleged activities and indicated that they would consult with their capitals for instructions and would act accordingly. »
2. President Habyarimana (om 11 u 30)
« The president appeared alarmed by the tone of our demarche. He denied knowledge of alleged activities of the militia and promised to investigate. »
3. de leiding van de M.R.N.D. (de voormalige eenheidspartij van de president) om 16 uur
« They accused infiltrators and bandits, some wearing M.R.N.D. party insignia, to have been the culprits. We urge them to investigate the allegations. »
Het rapport van de heer Booh Booh eindigt op de volgende wijze :
« The initial feedback that we have received indicates that both the president and officials of his political party were bewildered by the specificity of the information at our disposal. The president of M.R.N.D. seemed unnerved and is reported to have subsequently ordered and accelerated distribution of weapons » ... it may force them to decide on alternative ways to jeopardizing the Peace Process ... We will continue to co-ordinate our strategies with the ambassadors of Belgium, France and U.S.A. » .
Op 13 januari :
Booh Booh brengt te New York verslag uit van de verschillende gesprekken die hij de dag ervoor gevoerd heeft;
een Senegalese V.N.-officier vergezelt de informant om na te gaan of de informatie over de geheime bergplaatsen van wapens juist is. De informant toont een wapendepot op de zetel van de M.R.N.D., de partij van de president.
Op 14 januari :
op verzoek van generaal Dallaire ontmoet Marchal de Belgische ambassadeur om voor de informant in België politiek asiel te vragen;
de ambassadeurs van België, de Verenigde Staten en Frankrijk (in feite de zaakgelastigde) ontmoeten president Habyarimana;
nog op 14 januari heeft Habyarimana een telefoongesprek met de secretaris-generaal van de V.N., Boutros Boutros-Ghali.
Op 18 januari meldt de informant dat het uitdelen van de overblijvende wapens versneld is (waarschijnlijk ten gevolge van de contacten die Dallaire en Booh Booh gehad hebben met de president en de leiding van de M.R.N.D. ?).
Vanaf die datum zijn de contacten met de informant verbroken.
Andere rapporten van Booh Booh en van Dallaire tonen hoe alarmerend de toestand is.
Zo schrijft Booh Booh op 2 februari 1995 naar New York in verband met president Habyarimana :
« As of date, he has not reported to us his findings nor any action he may have taken in this regard. »
en in verband met de opdracht van de M.I.N.U.A.R. :
« Each day of delay in authorizing a deterrent arms recovery operation will result in an ever deteriorating security situation and may, if the arms continued to be distributed, result in an inability of U.N.A.M.I.R. to carry out its mandate in all aspects. »
Dit verloop van de feiten toont duidelijk aan dat de inlichtingen van de informant door de V.N.-afgevaardigden en de betrokken ambassades zeer ernstig werden genomen. Booh Booh, Dallaire en Marchal waren vastbesloten om een preventieve actie te ondernemen maar zij hebben hiervoor niet het licht op groen gekregen.
Logischerwijze kan men hieruit ook afleiden dat de aanstokers van de volkenmoord ongeveer vanaf 15 januari weten dat de V.N. en de voornaamste betrokken hoofdsteden kennis hebben van hun uitroeiingsplan. Het is dan ook niet te verwonderen dat zij dubbel zo voorzichtig worden.
Andere elementen die pleiten voor een onderzoekscommissie
1) De Belgische samenwerking in Ruanda
Volgens A.B.O.S.-rapporten stond Ruanda als eerste op de lijst van de begunstigde landen van de Belgische samenwerking. Er waren honderden ontwikkelingshelpers werkzaam.
Sinds 1990, het jaar waarin de politieke crisis in Ruanda een aanvang nam, heeft dit land meer dan 7 miljard frank ontwikkelingshulp ontvangen.
1990 : 1 529 miljoen frank;
1991 : 1 927 miljoen frank;
1992 : 1 466 miljoen frank;
1993 : 1 267 miljoen frank;
1994 : 969 miljoen frank (tot april, de maand waarin de volkenmoord aanvangt).
Belangrijke figuren van het regime dat deze ontwikkelingsgelden gekregen heeft, zijn beschuldigd als aanstokers van deze volkenmoord. Sommigen zitten in de gevangenis.
Het is duidelijk dat een dergelijke hulpstroom voor een land waar de eerste als dusdanig door de V.N. erkende volkenmoord sinds 1945 is gepleegd, a posteriori enkele gewettigde vragen doet rijzen en in het bijzonder de vraag of de financiering door de Belgische ontwikkelingssamenwerking rechtstreeks of zijdelings een regime of figuren van een regime heeft kunnen versterken die, zoals gebleken is, tot een volkenmoord in staat zijn geweest.
Tal van landen (de Verenigde Staten, Zwitserland, Nederland, ...) die veel minder dan België betrokken zijn in de geschiedenis van Ruanda, hebben een antwoord op deze vraag gezocht.
Zwitserland in het bijzonder heeft besloten een onderzoek in te stellen en in het Zwitserse parlement werden talrijke debatten hieraan gewijd. In het kader van dit onderzoek zijn een honderdtal personen verhoord.
Ik voeg hierbij het mandaat van de Zwitserse studiegroep, dat aantoont dat een land dat er minder bij betrokken is dan het onze, de moed heeft gehad om zijn beleid ter discussie te stellen.
2) Het standpunt van de heer Wilfried Martens
Gewezen Eerste minister Wilfried Martens, die tevens voorzitter is van de grootste Europese partij, de Europese Volkspartij, heeft zich herhaaldelijk uitgesproken voor het instellen van deze commissie, die naar zijn mening het enig middel is om de volledige waarheid aan het licht te brengen.
« Ik ben ervan overtuigd dat de families van de slachtoffers geen rust zullen kennen indien niet gezocht wordt naar de waarheid. En om de waarheid te zoeken was het meest geschikte middel niet een proces maar een onderzoekscommissie. »
En hij voegt er verder aan toe : « Ik ben eenmaal door een onderzoekscommissie verhoord in verband met de aankoop van jeeps. Ik meen dat het hier aangehaalde probleem tenminste evenveel aandacht verdient. » (uit La Libre Belgique , vertaling)
De Kamer heeft onlangs besloten een onderzoekscommissie in te stellen over het probleem van de sekten. Verdienen de moord op 10 commando's en de volkenmoord op honderdduizenden personen niet een soortgelijke behandeling ?
Besluit
Een onderzoekscommissie heeft tot doel de hoofdrolspelers van de gebeurtenissen te verhoren en niet a priori beschuldigingen uit te spreken tegen wie dan ook. Door de huidige blokkering blijft een klimaat heersen van gerechtvaardigd wantrouwen in verband met de werkelijke verantwoordelijkheden. De volkenmoord in Ruanda zal een van de grootste tragedies van de 20e eeuw blijven. Deze slachtingen, zoals de moord op de paracommando's en de al te vaak vergeten moord op een tiental Belgische burgers, hebben in de opinie diepe sporen nagelaten.
Men moet zoeken naar de waarheid.
| Alain DESTEXHE. |