1-356/3

1-356/3

Belgische Senaat

ZITTING 1996-1997

17 OKTOBER 1996


Wetsontwerp betreffende de huisarbeid


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVR. MERCHIERS


I. ALGEMENE BESPREKING

De minister van Tewerkstelling en Arbeid verklaart dat het thuiswerk tot nu toe niet gereglementeerd is. Er bestaat nochtans een band van ondergeschiktheid van de werknemer tegenover de werkgever, wat maakt dat een aantal wettelijke bepalingen op hem van toepassing zijn.

Dit wetsvoorstel is er vooral op gericht het thuiswerk op te nemen in het toepassingsgebied van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, door een specifieke titel in te voegen. Deze titel bevat alle bepalingen eigen aan het thuiswerk.

Wat de arbeidsduur betreft worden geen wijzigingen aangebracht. De bestaande situatie wordt behouden, zij het dat de mogelijkheid tot verdere ontwikkelingen wordt ingebouwd. Er dient op gewezen dat dit wetsontwerp in overeenstemming is met de internationale instrumenten die in deze materie ter beschikking zijn, met name de Overeenkomst van de Internationale Arbeidsorganisatie, goedgekeurd op haar conferentie van juni 1996.

Volgens een commissielid zal het thuiswerk toenemen. Het Parlement zal zich gedwongen zien terug te komen op dit vraagstuk, vooral ook omdat dit wetsontwerp geen antwoord geeft op de vraag hoe zal worden gecontroleerd of de sociale wetgeving zal worden nageleefd in het kader van een arbeidsovereenkomst voor thuiswerk. Spreker is de mening toegedaan dat de toepassing van de sociale wetgeving in België niet overal op gelijke wijze geschiedt. In Wallonië gaan de controleurs bijzonder strikt tewerk; men moet zich echter afvragen of dezelfde strenge normen worden gehanteerd in het noorden van het land, en dan vooral wanneer er sprake is van concurrentie op een bepaalde markt tussen ondernemingen uit het noorden en het zuiden.

Het thuiswerk leent zich bij uitstek tot een lakse toepassing van de sociale wetgeving, daar het moeilijk te controleren valt.

De minister wijst erop dat het probleem van de controle van het thuiswerk niet nieuw is; deze vorm van arbeid bestaat al langer en men kan niet volhouden dat hij zich pas nu ontwikkelt. Wel tonen studies aan dat er een snelle groei zal plaatsvinden. Het wetsontwerp loopt vooruit op die eventuele groei en biedt de werknemers een zekere veiligheid. Momenteel is hun juridische situatie nog erg onzeker en kunnen er misbruiken voorkomen.

Om het probleem van de inspectie op de toepassing van de sociale wetgeving op te vangen, is in het ontwerp een bepaling opgenomen die de arbeidsinspecteur de mogelijkheid biedt om zich toegang te verschaffen tot elke plek waar werknemers aan het werk zijn, op voorwaarde dat hij de toestemming heeft van de politierechtbank.

Een ander commissielid herinnert eraan dat de commissie reeds tijdens de vorige zittingsperiode een eerste bespreking heeft gewijd aan het thuiswerk op basis van het wetsvoorstel van de heer Dighneef c.s. Dit wetsvoorstel kwam er naar aanleiding van een advies van de Nationale Arbeidsraad (N.A.R.).

Spreekster meent dat de Nationale Arbeidsraad geen advies heeft gegeven over de tekst van het ontwerp. Bovendien is de tekst minder gunstig dan het voormelde wetsvoorstel, voornamelijk wat betreft de bepalingen inzake werkloosheid (thuiswerkers zullen om economische redenen geen werkloosheidsuitkeringen krijgen) en de arbeidsduur. (Voor thuiswerk wordt de arbeidsduur berekend op een basis van zeven dagen op zeven).

De minister merkt op dat de Nationale Arbeidsraad een eensluidend advies heeft gegeven over het wetsvoorstel van de heer Dighneef c.s. Het is op dit advies dat het huidige wetsontwerp gebaseerd is. Het wetsontwerp wijkt enkel af van het advies waar dit enigszins dubbelzinnig was. De dubbelzinnigheid van het advies is trouwens aangekaart tijdens de bespreking in de Kamer van volksvertegenwoordigers, met name wat betreft de arbeidsduur en de zondagsrust. De sociale partners stonden erop dat de thuiswerkers niet verplicht mochten worden om langer te werken dan de normale wekelijkse arbeidsduur, maar dat anderzijds de wetgeving betreffende de arbeidsduur niet zonder meer kon worden toegepast. Er werd uiteindelijk geopteerd voor een alternatieve oplossing, die de sociale partners een grote bewegingsruimte laat.

Bovendien is het moeilijk de werkgever strafrechtelijk te vervolgen wanneer hij niet aanwezig is op de arbeidsplaats. Daarom ook is de huidige situatie behouden. Gezien de bepalingen betreffende de verplichte zondagsrust niet gelden voor de thuiswerkers, moet voor de berekening van het minimumloon uitgegaan worden van een zevende en niet van een zesde, wat de werknemer zou hebben benadeeld.

Een derde spreker meent dat de rechtszekerheid van de werknemer moet samenvallen met de rechtszekerheid van de werkgever en dat naar een juist evenwicht gezocht moet worden. Bij deze specifieke vorm van werk is een behoedzame aanpak noodzakelijk en het eigenlijke doel mag niet uit het oog worden verloren.

Een ander lid acht wettelijk ingrijpen eveneens belangrijk aangezien er moeilijkheden rijzen als men de bestaande wetgeving op de arbeidsovereenkomsten wil toepassen op de thuiswerkers.

Van primordiaal belang in de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten is dat het werk wordt uitgevoerd onder het gezag, de leiding en het toezicht van de werkgever, wat hier niet het geval is.

Het is dus vrij moeilijk om aan te tonen dat het hier echt gaat om een arbeidsovereenkomst.

Het lid stelt nog de volgende vragen :

­ Het ontwerp bevat geen bepalingen betreffende de vertegenwoordiging van de werknemers. Aangezien de betrokkenen thuis werken, is het moeilijk ze te betrekken bij een collectieve vertegenwoordiging. Dient dat aspect niet onderzocht te worden ?

­ Komen de thuiswerkers in aanmerking voor het betaald educatief verlof ?

­ Moet de werkgever aan de thuiswerkers voorrang verlenen wanneer er in zijn bedrijf een vacante betrekking is ?

­ Hoe wordt het begrip « passende dienstbetrekking » uit de werkloosheidsreglementering toegepast op de thuisarbeiders ?

Op de eerste vraag antwoordt de minister dat de thuiswerkers meegerekend moeten worden als werknemers van het bedrijf voor de installering van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid en gezondheid. Thans hebben de thuiswerkers echter geen stemrecht en kunnen ze ook niet gekozen worden voor dat comité en voor die raad. Men mag verwachten dat dit probleem bij de komende sociale verkiezingen opgelost zal zijn.

De minister merkt vervolgens op dat de thuiswerkers al in aanmerking komen voor het betaald educatief verlof onder dezelfde voorwaarden als de werknemers met een voltijdse betrekking.

Wat de mogelijkheid betreft om in het bedrijf opgenomen te worden, wijst de minister erop dat het wetsontwerp een artikel bevat dat door de Kamer van volksvertegenwoordigers in het ontwerp is ingevoegd. Het bepaalt dat de thuiswerker op dezelfde manier als de deeltijdwerker kan vragen om in het bedrijf te worden opgenomen indien er een betrekking vacant wordt waarvoor dezelfde kwalificaties vereist zijn als voor de betrekking die hij thans uitoefent.

Voorts kunnen thuiswerkers eveneens economisch werkloos worden. Daarentegen kunnen de thuiswerkers om evidente redenen niet technisch werkloos worden en kunnen zij al evenmin werkverlet wegens weersomstandigheden aanvoeren.

Wat ten slotte de vraag betreft betreffende de « passende dienstbetrekking », een vraag die ook in de Kamer van volksvertegenwoordigers is gesteld, antwoordt de minister dat het werk dat als thuiswerk wordt aangeboden, als « passend » beschouwd moet worden zodra het voldoet aan alle criteria die thans zijn vastgesteld voor het begrip « passende dienstbetrekking ».

Op de vraag van een lid hoe, voor de berekening van de sociale bijdrage, kan worden gecontroleerd of het om een voltijdse dan wel een deeltijdse job gaat, antwoordt de minister dat artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing is op de huisarbeiders ingeval zij deeltijdse arbeiders zijn. Alle bepalingen van dat artikel in verband met het werkrooster moeten worden nageleefd en de arbeidsinspectie kan op die naleving toezien.

Hetzelfde lid betreurt het dat de wijze waarop de controle wordt uitgeoefend niet nauwkeuriger wordt bepaald. Men rekent blijkbaar op de correctheid van de betrokkenen.

Een van de voorgaande sprekers vindt dat dit aspect nader onderzoek verdient. Dat mag evenwel niet beletten dat dit wetsontwerp, dat een verbetering inhoudt van de rechtspositie van de werknemers, wordt goedgekeurd.

Een ander lid is het hiermee eens en steunt de suggestie van de vorige spreker om het probleem van de controle nader te bestuderen. Het is inderdaad zo dat de controle op de werkzaamheden van thuisarbeiders moeilijker is dan bij reguliere werknemers. Het is evenwel positief dat de wetgeving wordt aangepast en dat een aantal basisbeginselen worden vastgelegd. De toepassing van die beginselen zou best, na verloop van tijd, worden geëvalueerd.

Nog een ander lid voegt hieraan toe dat de verplichting van een schriftelijke arbeidsovereenkomst een eerste vereiste is om controle uit te oefenen.

Een laatste spreekster merkt nog op dat thuisarbeid ongetwijfeld zal toenemen, met name in de niet-commerciële sector. Spreekster denkt aan de oppas van zieke kinderen.

II. BESPREKING VAN ARTIKELEN EN STEMMINGEN

Artikel 4

Artikel 119.1

De heren Hazette en Destexhe dienen een amendement in (nr. 1) ter vervanging van de woorden « tewerkstelling van huisarbeiders » door de woorden « de arbeidsovereenkomst voor huisarbeid ».

De minister merkt op dat de Raad van State heeft voorgesteld « de wijzigingen in de wet van 3 juli 1978 te concipiëren naar het model van de bepalingen betreffende de tewerkstelling van studenten ». Vandaar de in het ontwerp gehanteerde formulering « overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders ».

Het amendement wordt teruggenomen.

Artikel 119.4

De heren Hazette en Destexhe dienen bij dit artikel een amendement in (nr. 2) met dezelfde strekking als dat bij artikel 119.1.

Dit amendement wordt eveneens teruggenomen.

Artikel 119.5

De heren Hazette en Destexhe dienen een amendement in (nr. 3) tot aanvulling van dit artikel.

De minister wijst erop dat het probleem opgeworpen door de auteurs van het amendement, ook reeds in de Kamer van volksvertegenwoordigers ter sprake is gekomen.

Wanneer de werknemer zijn verplichtingen opgelegd in artikel 119.4, § 2, niet nakomt, bijvoorbeeld wanneer hij zijn naam niet opgeeft, dan is er geen overeenkomst en kan de betrokkene niet worden tewerkgesteld.

Een sanktionering is derhalve overbodig.

Het amendement wordt ter stemming gelegd en verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Artikel 119.6

De heer Destexhe stelt bij amendement (nr. 4) voor dit artikel te doen vervallen.

De minister merkt op dat thuisarbeid kosten meebrengt voor de huisarbeider. Die kosten moeten op de een of de andere wijze worden vergoed. Het ontwerp bepaalt dat de partijen overeenkomen over de wijze waarop de kosten worden vergoed. Is er geen overeenkomst en evenmin een collectieve arbeidsovereenkomst dienaangaande, dan is artikel 119.6 van toepassing.

De indiener van het amendement vraagt zich af waarom een bedrag van 10 pct. van het verschuldigde loon wordt opgelegd. Het gaat zijns inziens toch om een soort arbeid dat ook voordelen biedt aan de werknemer.

Een commissielid nuanceert deze bewering. Volgens haar mogen de nadelen ook niet uit het oog worden verloren. Thuisarbeiders zullen in de regel meer uren presteren; van de andere kant ontberen zij het contact met andere werknemers.

Spreekster vraagt zich overigens af wat er gebeurt wanneer de kosten hoger liggen dan 10 pct. van het loon. De tekst zegt niet uitdrukkelijk dat in dat geval de werkgever de totale kosten moet vergoeden.

De minister wijst erop dat artikel 119.6 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd gewijzigd. De werkgever is een forfaitair bedrag van 10 pct. verschuldigd, tenzij de werknemer bewijst dat de kosten hoger liggen. In dat geval moet de werkgever de volledige kosten, zoals zij worden aangetoond met verantwoordingsstukken, terugbetalen.

Op een vraag betreffende de fiscale aanrekening van die vergoedingen, antwoordt de minister dat het gaat om terugbetaling van kosten. Hierop moeten derhalve geen sociale bijdragen noch belasting worden betaald.

De minister wijst nog op de samenhang tussen de artikelen 119.4, 119.5 en 119.6 wat de vergoeding van de kosten betreft. In het eerste artikel wordt gezegd dat de arbeidsovereenkomst moet vermelden hoe de kosten verbonden aan de huisarbeid worden vergoed (artikel 119.4, § 2, 4º). Het ontbreken van die bepaling heeft evenwel geen sanctionering tot gevolg (zie artikel 119.5). De partijen zijn dus niet strikt verplicht in de arbeidsovereenkomst een regeling te treffen voor de vergoeding van de kosten. In zo'n geval geldt artikel 119.6 en is derhalve de desbetreffende C.A.O. toepasselijk dan wel de forfaitaire vergoeding van 10 pct. verschuldigd.

Een lid is het niet met deze uitleg eens. Zoals artikel 119.4 luidt, is de naleving van het bepaalde in § 2, 4º, even noodzakelijk als de andere bepalingen van dezelfde paragraaf. Deze paragraaf bevat acht verplichte vermeldingen, waaronder de regeling van de vergoeding van de kosten.

Artikel 119.5 zegt dat de werknemer de overeenkomst kan opzeggen wanneer er geen geschrift is overeenkomstig de bepalingen van artikel 119.4, met uitzondering van het bepaalde in § 2, 4º, van dat artikel.

Dat wil nog niet zeggen dat § 2, 4º, een facultatieve bepaling zou zijn. Volgens de spreker mag men geen onderscheid maken tussen de acht bepalingen van § 2 van artikel 119.4. Zij zijn, zoals de tekst nu luidt, alle even bindend.

Een lid pleit voor het behoud van artikel 119.6. Dit artikel, dat voorziet in een forfaitaire vergoeding voor de kosten, vereenvoudigt de zaken voor beide partijen.

De auteur van het amendement repliceert dat het al of niet handhaven van de forfaitaire vergoeding losstaat van de onderlinge samenhang van de verschillende artikelen. Zijns inziens zijn de artikelen 119.4 tot en met 119.6 niet coherent.

De minister merkt nog op dat men de partijen de grootst mogelijke vrijheid heeft willen laten met betrekking tot de vergoeding van de kosten. Vandaar de bepaling in § 2 van artikel 119.4. Wanneer de partijen hierover niets overeenkomen, dan is artikel 119.6 van toepassing en is, bij ontstentenis van een C.A.O., een forfaitair bedrag van 10 pct. verschuldigd dan wel een hoger bedrag wanneer de huisarbeider aantoont dat de kosten hoger liggen.

Een lid blijft erbij dat de tekst niet coherent is. De acht bepalingen van § 2 van artikel 119.4 moeten verplicht in de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders worden opgenomen. In artikel 119.5 wordt dan weer gezegd dat zo het geschrift niet is opgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 119.4 ­ met uitzondering evenwel van een van genoemde acht bepalingen ­ de huisarbeider de overeenkomst mag opzeggen.

Het lid vraagt vervolgens nog welke betekenis moet worden gehecht aan een volzin uit de toelichting, luidens welke « dit forfait van 10 pct. gevoegd wordt bij het normale loon van de huisarbeider » (Gedr. St., Kamer 232/1 ­ 1995/1996, blz. 4, vierde alinea).

De minister antwoordt dat dit forfait bovenop het overeengekomen loon komt en er derhalve geen deel van uitmaakt.

Een commissielid merkt op dat het begrip « loon » bij wet is bepaald.

De heer Hazette dient vervolgens een amendement in bij de artikelen 119.4, 119.5 en 199.6 (nr. 5).

Bovendien legt hij nog een amendement ter tafel (nr. 6) tot weglating van de eerste zinsnede van artikel 119.6.

De minister licht nogmaals de draagwijdte toe van de artikelen 119.4 tot en met 119.6.

Er moet een schriftelijke overeenkomst voor huisarbeid zijn waarin een aantal bepalingen moeten voorkomen.

Wanneer in de overeenkomst niets bepaald is over de vergoeding van de kosten, mag de overeenkomst evenwel blijven bestaan. De werkgever is dan een forfaitair bedrag van 10 pct. verschuldigd. De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft hieraan bij amendement een bepaling toegevoegd luidens welke die vergoeding hoger mag zijn dan 10 pct. wanneer de werknemer aantoont dat de kosten inderdaad hoger zijn.

Op de opmerking van de indiener van de amendementen dat de overeenkomst vervalt wanneer één van de acht bepalingen van artikel 119.4, § 2, niet in het geschrift voorkomt, antwoordt de minister dat zulks inderdaad zo zou zijn wanneer de wet niet, zoals hier het geval is, het tegenovergestelde zou bepalen.

Het amendement nr. 4 wordt verworpen met 8 stemmen, bij 1 onthouding.

Het amendement nr. 5 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

Het amendement nr. 6 wordt teruggenomen.

Het wetsontwerp in zijn geheel wordt ongewijzigd aangenomen met 8 stemmen, bij 2 onthoudingen.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.

De Rapporteur,
Nadia MERCHIERS.
De Voorzitter,
Lydia MAXIMUS.

TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE


TITEL I

Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL II

Wijzigingen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten

Art. 2

Artikel 119 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt artikel 118, eerder opgeheven door de wet van 7 juli 1985.

Art. 3

Titel VI en Titel VII van dezelfde wet worden respectievelijk Titel VII en Titel VIII.

Art. 4

Een nieuwe Titel VI wordt in dezelfde wet ingevoegd, luidend als volgt :

« Titel VI. ­ De overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders

Art. 119.1

Deze titel regelt de tewerkstelling van huisarbeiders die tegen loon arbeid verrichten onder het gezag van een werkgever, in hun woonplaats of op elke andere door hen gekozen plaats, zonder dat zij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staan. Naargelang het geval betreft het een arbeidsovereenkomst voor werklieden of een arbeidsovereenkomst voor bedienden, zoals geregeld door deze wet.

Art. 119.2

§ 1. Voor zover er in deze titel niet wordt van afgeweken, zijn op de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders, naargelang het geval, de bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomst voor werklieden of de arbeidsovereenkomst voor bedienden van toepassing.

§ 2. Wanneer in het kader van eenzelfde overeenkomst slechts een gedeelte van de prestaties van de werknemer onder de toepassing van deze titel valt, dan zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op de prestaties die in zijn woonplaats of op de door de werknemer gekozen plaats moeten worden of zouden moeten worden verricht, terwijl de andere prestaties onder de toepassing vallen van de bepalingen betreffende de arbeidsovereenkomsten voor werklieden of bedienden. Op deze overeenkomst zijn de bepalingen van de artikelen 119.4 en 119.5 van toepassing.

Art. 119.3

In afwijking van artikel 20 is de werkgever ten aanzien van de huisarbeider verplicht om :

1º zo de omstandigheden dit vereisen en behoudens strijdige bepaling, de voor de uitvoering van het werk nodige hulp, hulpmiddelen en materialen ter beschikking te stellen;

2º het loon te betalen op de overeengekomen wijze, tijd en plaats.

Art. 119.4

§ 1. De overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders moet voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer de uitvoering van zijn overeenkomst aanvangt.

§ 2. Dit geschrift moet vermelden :

1º wat de werkgever betreft : de naam, de voornamen en de hoofdverblijfplaats of de firmanaam en de maatschappelijke zetel en, in voorkomend geval, de benaming waaronder de werkgever zich tot het publiek richt;

2º wat de werknemer betreft : de naam, de voornamen en de hoofdverblijfplaats;

3º het overeengekomen loon of, ingeval dit niet kan vastgesteld worden, de wijze en de grondslag voor de berekening van het loon;

4º de vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan de huisarbeid;

5º de plaats of de plaatsen die de huisarbeider gekozen heeft om zijn werk te verrichten;

6º een beknopte beschrijving van het overeengekomen werk;

7º de overeengekomen arbeidsregeling en/of werkrooster en/of het overeengekomen minimale volume van de prestaties;

8º het bevoegd paritair comité.

§ 3. De Koning kan, op voorstel van het bevoegd paritair orgaan, de bovengenoemde vermeldingen wijzigen en vervolledigen.

Art. 119.5

Zo er geen geschrift is overeenkomstig de bepalingen van artikel 119.4, met uitzondering van § 2, 4º, kan de huisarbeider op elk ogenblik aan de arbeidsovereenkomst een einde stellen zonder naleving van een opzeggingstermijn of -vergoeding.

Art. 119.6

Bij ontstentenis van de in artikel 119.4, § 2, 4º, bedoelde vermelding en bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités die deze aangelegenheid regelt, is een forfaitair bedrag van 10 pct. van het loon verschuldigd als vergoeding van de kosten die aan de huisarbeid verbonden zijn, tenzij de werknemer met verantwoordingsstukken aantoont dat de werkelijke kosten hoger zijn dan 10 pct. van het loon.

Art. 119.7

De artikelen 49 en 50 zijn niet van toepassing op de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders.

Art. 119.8

In afwijking van artikel 27, heeft recht op het loon dat hem zou zijn toegekomen indien hij zijn dagtaak normaal had kunnen volbrengen, de arbeidsgeschikte werknemer, die forfaitair wordt betaald, die de arbeid niet kan beginnen of de arbeid, waaraan hij bezig was, niet kan voortzetten, om een reden die onafhankelijk is van zijn wil.

Art. 119.9

In afwijking van artikel 31, § 2, eerste en tweede lid, moet de huisarbeider, bij arbeidsongeschiktheid ingevolge ziekte of ongeval en behoudens geval van overmacht :

1º onmiddellijk zijn werkgever op de hoogte brengen van zijn arbeidsongeschiktheid;

2º binnen 2 werkdagen vanaf de dag van de ongeschiktheid aan de werkgever een geneeskundig getuigschrift sturen of overhandigen. Van deze termijn kan bij collectieve arbeidsovereenkomst of in het arbeidsreglement worden afgeweken. Wordt het getuigschrift na de voorgeschreven termijn overgelegd, dan kan aan de werknemer het recht worden ontzegd op de in de artikelen 52, 54, 55, 70, 71, 73, 119.10 en 119.12 bedoeld loon voor de dagen van ongeschiktheid die de dag van het overhandigen of het sturen van het getuigschrift voorafgaan.

Art. 119.10

§ 1. Op voorstel van het bevoegd paritair orgaan, kan de Koning het aantal carensdagen, bepaald in artikel 52, wijzigen voor de huisarbeiders die niet met een forfaitair loon betaald worden.

§ 2. In afwijking van artikel 56, heeft de huisarbeider die niet forfaitair betaald wordt, gedurende de periodes en de verloven die in de bepalingen van de artikelen 51, 52, 54 en 55 vastgesteld zijn, recht op een dagelijks forfaitair loon gelijk aan 1/7de van zijn normaal wekelijks loon behalve indien de uitvoering van de arbeidsovereenkomst al geschorst is of indien de werknemer op een ander loon recht heeft.

Het loon wordt berekend overeenkomstig de wetgeving inzake de feestdagen.

Na advies van het bevoegd paritair orgaan kan de Koning een andere berekeningswijze van het normaal loon bepalen.

Art. 119.11

Artikel 41 is slechts van toepassing op de huisarbeider die forfaitair betaald wordt.

Art. 119.12

§ 1. Voor de huisarbeiders die niet forfaitair worden betaald, kan de Koning, op voorstel van het bevoegd paritair orgaan, een of meerdere carensdagen opleggen of, in geval van toepassing van de artikelen 70 en 71, het aantal carensdagen wijzigen.

§ 2. Voor de in de artikelen 70, 71 en 73 bedoelde periodes heeft de huisarbeider die niet forfaitair betaald wordt, recht op een dagelijks forfaitair loon gelijk aan 1/7de van zijn normaal wekelijks loon behalve als de uitvoering van de arbeidsovereenkomst al geschorst is of als de werknemer op een ander loon recht heeft.

Het loon wordt overeenkomstig de wetgeving inzake de feestdagen berekend.

Na advies van het bevoegd paritair orgaan kan de Koning een andere berekeningswijze van het normaal loon bepalen. »

TITEL III

Wijzigingen aan de arbeidswet van 16 maart 1971

Art. 5

Artikel 3, § 1, 2º, van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt opgeheven.

Art. 6

Een artikel 3bis , luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :

« Art. 3 bis. ­ De bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen I en II die de zondagsrust en de arbeidsduur betreffen, zijn niet van toepassing op de huisarbeiders.

De Koning kan, op voorstel van het bevoegd paritair orgaan, en onder de door Hem bepaalde voorwaarden en modaliteiten, de in het eerste lid bedoelde bepalingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de huisarbeiders.

Bij ontstentenis van het in het tweede lid bedoeld voorstel en na advies van de Nationale Arbeidsraad, kan de Koning, onder de door Hem bepaalde voorwaarden en modaliteiten, de in het eerste lid bedoelde bepalingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de huisarbeiders. ».

Art. 7

In de inleidende zin van artikel 37 van dezelfde wet worden de woorden « door of krachtens de artikelen 1, 3 en 4 » vervangen door de woorden « door of krachtens de artikelen 1, 3, 3bis en 4 ».

TITEL IV

Wijziging aan het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten

Art. 8

In het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten wordt een artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 6 bis. ­ Wordt eveneens beschouwd als sociaal document waarvan het bijhouden voorgeschreven is door dit besluit, het geschrift bedoeld in artikel 119.4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Dit geschrift moet opgesteld worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 119.4. »

TITEL V

Voorrang voor huisarbeiders om een vacante dienstbetrekking bij hun werkgever te verkrijgen

Art. 9

De huisarbeider kan bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het verkrijgen van een dienstbetrekking binnen de onderneming.

De artikelen 153, 154 en 156 van de programmawet van 22 december 1989 zijn op die aanvraag van toepassing.

TITEL VI

Slot- en overgangsbepalingen

Art. 10

Deze wet treedt in werking de eerste dag van de derde maand volgend op die gedurende welke zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

De artikelen 119.4 tot 119.6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en artikel 8 van deze wet zullen echter slechts van toepassing zijn op de lopende overeenkomsten bij het verstrijken van de termijn van één jaar na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. De lopende overeenkomsten zullen dus voor het verstrijken van deze termijn van een jaar schriftelijk moeten zijn vastgesteld.