1-191/5

1-191/5

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

30 APRIL 1996


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers


AMENDEMENTEN op de tekst aangenomen door de commissie (Gedr. St. 1-191/4)


Nr. 6 VAN DE HEER LALLEMAND

Opschrift

Het opschrift van het wetsvoorstel wijzigen als volgt :

« Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers en tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap. »

Verantwoording

Het opschrift van het voorstel moet worden gewijzigd ten gevolge van de indiening van amendement nr. 8 dat ertoe strekt de wet van 31 december 1983 te wijzigen.

Nr. 7 VAN DE HEER LALLEMAND

Art. 2

In het voorgestelde artikel 1bis de volgende wijzigingen aanbrengen :

A. In het eerste en het tweede lid de woorden « of zijn verkiezing tot lid van een Gewest- of Gemeenschapsregering » vervangen door de woorden « of zijn verkiezing tot minister of staatssecretaris van een Gewest- of Gemeenschapsregering ».

B. Op de derde en de zesde regel van het derde lid het woord « lid » vervangen door de woorden « minister of staatssecretaris » .

Verantwoording

Voor dit amendement geldt dezelfde verantwoording als voor amendement nr. 22 op voorstel 190/5. Krachtens artikel 41, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 maakt de staatssecretaris voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen deel uit van de regering van dat gewest. Echter, luidens artikel 41, § 5, van diezelfde bijzondere wet zijn de onverenigbaarheden van toepassing op leden van de Regering ook op hem toepasselijk. Er is dus reden toe om die onverenigbaarheden voor de staatssecretaris op dezelfde manier te regelen als voor de leden van de Regering.

Nr. 8 VAN DE HEER LALLEMAND

Art. 3 (nieuw)

Het voorstel aanvullen met een artikel 3 (nieuw), luidende :

« Art. 3. ­ Artikel 50, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :

« De vereisten en onverenigbaarheden bepaald in de artikelen 10 en 10bis en in artikel 5 van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop de Raad van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen, gelden eveneens voor de leden van de Regering.

Niettegenstaande artikel 10bis, 1º en 2º, houdt een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of een in artikel 67, § 1, 1º, 2º, 6º en 7º, van de Grondwet bedoelde senator, gekozen tot lid van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, onmiddellijk op zitting te hebben en neemt zijn mandaat weer op wanneer zijn ambt van minister een einde neemt. De wet stelt de nadere regelen van zijn vervanging in de betrokken Kamer vast. »

Verantwoording

Doel van deze wijziging is de regels inzake onverenigbaarheid die van toepassing zijn voor de Duitstalige Gemeenschap te harmoniseren met die welke gelden voor de andere assemblées in ons land, daarbij rekening houdend met de wijzigingen in de wet van 31 december 1983 neergelegd in het wetsontwerp dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers is aangenomen op initiatief van de heer Gehlen.

Bedoeling is de onverenigbaarheden vervat in artikel 10bis van de wet van 31 december 1983 die gelden voor de leden van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap van toepassing te maken op de leden van de Regering (deze regels zijn identiek met die neergelegd in artikel 24bis van de wet van 8 augustus 1980, van toepassing op de leden van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad en de Franse Gemeenschapsraad, alsmede op de leden van de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest).

Tot dusver waren aan het ministerschap in de Regering van de Duitstalige Gemeenschap geen specifieke onverenigbaarheden verbonden. Voor de Duitstalige ministers waren er maar onverenigbaarheden wanneer zij lid waren van de Raad, in welk geval automatisch de onverenigbaarheden neergelegd in artikel 10bis op hen van toepassing waren. Wat de regeringsleden betreft die niet uit de Raad kwamen, waren op hen krachtens artikel 50 alleen de onverenigbaarheden van toepassing neergelegd in artikel 10 van de wet van 1983 en in artikel 5 van de wet van 6 juli 1990 (die voorziet in bijzondere voorwaarden inzake verkiesbaarheid voor de Raad van de Duitstalige Gemeenschap).

Maar het ontwerp voorziet in een relatieve onverenigbaarheid van het mandaat van lid van de Raad met het ambt van minister van de Regering. Bedoeling is dat op de regeringsleden hoe dan ook alleen de onverenigbaarheden van toepassing zijn neergelegd in artikel 50 in zijn huidige redactie.

De wetten die de onverenigbaarheden regelen, en ook de voorstellen nrs. 1-190 en 1-191 en het ontwerp beogen het cumuleren van ambten te beperken.

In die gedachtengang lijkt het met het oog op de samenhang zinvol in de wet van 31 december 1983 een artikel op te nemen dat bepaalt dat de onverenigbaarheden neergelegd in artikel 10bis van toepassing zijn op de leden van de Regering. Daartoe volstaat het de vermelding « 10bis » in te voegen in artikel 50.

Het ambt van lid van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap zou voortaan onverenigbaar zijn met het mandaat van volksvertegenwoordiger of senator.

Om tegemoet te komen aan de bedoeling die aan de hervormingsvoorstellen ten grondslag ligt, dient die onverenigbaarheid zo geregeld te worden dat de leden van de federale Wetgevende Kamers die tot lid van de Duitstalige Gemeenschap worden verkozen, tijdelijk geen zitting kunnen hebben.

Dat is het doel van het tweede lid van het voorgestelde artikel, dat voorziet in een tijdelijke onmogelijkheid om zitting te hebben. De wet die deze bepaling ten uitvoer legt en de vervanging regelt van een lid van een van de federale Kamers dat zijn mandaat niet kan uitoefenen, is artikel 1bis van de wet van 6 augustus 1931, zoals gewijzigd bij dit voorstel.

Roger LALLEMAND.