1-191/2

1-191/2

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

13 FEBRUARI 1996


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEREN BOUTMANS EN DARAS

Artikel 1

Dit artikel vervangen als volgt : « Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. »

Verantwoording

De hier geregelde aangelegenheid valt niet onder artikel 78 (optioneel bicamerisme) maar wel onder artikel 77 van de Grondwet (integraal bicamerisme). De aangelegenheden bedoeld in artikel 77, 3º en 4º, omvatten immers de wetten bedoeld in artikel 50 van de Grondwet (de wijze van vervanging van de federale parlementsleden in geval van onverenigbaarheid met het ministerschap) alsmede de wetten ter uitvoering van bijzondere wetten (cf. de voorgestelde bijzondere wet, indien zij wordt aangenomen. (Gedr. St. Senaat, 1995-1996, nr. 1-190/1), en inzonderheid artikel 3), hetgeen hier wel degelijk het geval is.

Nr. 2 VAN DE HEREN BOUTMANS EN DARAS

Art. 2

Het voorgestelde derde lid aanvullen als volgt :

« In de andere gevallen houdt hij onmiddellijk op zitting te hebben. »

Verantwoording

Dit amendement wenst duidelijk te maken dat afgezien van de gevallen bedoeld in het derde lid van het voorgestelde artikel 1bis dat in de mogelijkheid voorziet om een ministerambt en een mandaat als parlementslid tijdelijk te cumuleren, het verbod om zitting te nemen onverwijld moet worden uitgevoerd. Deze bepaling vormt aldus een nuttige aanvulling op artikel 50 van de Grondwet (onverenigbaarheid van het mandaat van federaal parlementslid met het ambt van federaal minister) dat, in tegenstelling tot artikel 51 (onverenigbaarheid tussen het mandaat van federaal parlementslid en een functie als Rijksambtenaar), de kwestie van de termijnen in het ongewisse laat. Het is eveneens een toepassing van ons amendement nr. 8 op artikel 3 van het voorstel van bijzondere wet (Gedr. St. Senaat, 1995-1996, nr. 1-190/1) dat voorschrijft dat de termijn waarbinnen het verbod om zitting te nemen uitgevoerd moet worden, bij de wet wordt bepaald.

Nr. 3 VAN DE HEREN BOUTMANS EN DARAS

Art. 3 en 4 (nieuw)

Het wetsvoorstel aanvullen als volgt :

« SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Art. 3. ­ Deze wet treedt in werking met ingang van 21 mei 1995.

Art. 4. ­ De vervanging, vóór de bekendmaking van deze wet, van een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van een rechtstreeks verkozen senator of een gecoöpteerde senator, ten gevolge van zijn benoeming tot minister of staatssecretaris van een gewest- of gemeenschapsregering, wordt geacht te zijn uitgevoerd met toepassing van artikel 1bis van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers. »

Verantwoording

Net als onze amendementen nrs. 14 en 15 op het voorstel van bijzondere wet (Gedr. St. Senaat, 1995-1996, nr. 1-190/1) bepaalt dit amendement enerzijds dat de voorgestelde gewone wet zal terugwerken tot de laatste algehele vernieuwing van de wetgevende vergaderingen van de federale Staat en de deelgebieden en anderzijds dat de opvolgers, die ondertussen de plaats ingenomen hebben van de federale parlementsleden die lid geworden zijn van een Gewest- of Gemeenschapsregering wegens een destijds definitieve onverenigbaarheid geacht worden dit mandaat tijdelijk uit te oefenen voor de duur van het ministerambt van het vervangen parlementslid.

Eddy BOUTMANS.
José DARAS.

Nr. 4 VAN DE HEER LALLEMAND

Artikel 1

Dit artikel vervangen als volgt :

« Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. »

Verantwoording

Dit voorstel is een toepassingswet van een bijzondere wet; het behoort dus tot de toepassingssfeer van artikel 77, 4º, van de Grondwet.

Nr. 5 VAN DE HEER LALLEMAND

Art. 2

Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 1bis van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en gewezen leden van de Wetgevende Kamers, gewijzigd bij de wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :

« Artikel 1bis. ­ Een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of een rechtstreeks gekozen senator die ophoudt zitting te hebben ten gevolge van zijn benoeming tot minister of staatssecretaris van de federale Regering of zijn verkiezing tot lid van een gewest- of gemeenschapsregering, wordt vervangen door de eerst in aanmerking komende opvolger van de lijst waarop hij gekozen is.

Een gecoöpteerd senator die ophoudt zitting te hebben ten gevolge van zijn benoeming tot minister of staatssecretaris van de federale Regering of zijn verkiezing tot lid van een gewest- of gemeenschapsregering, wordt vervangen door de kandidaat die overeenkomstig artikel 221 van het Kieswetboek daartoe wordt aangewezen.

Een minister of staatssecretaris van een federale Regering die aan de Koning haar ontslag heeft aangeboden of een lid van een ontslagnemende gewest- of gemeenschapsregering kan echter, na de algehele vernieuwing van de Wetgevende Kamers, zijn ambt van lid van een federale Regering of van een gewest- of gemeenschapsregering verenigen met het mandaat van lid van een van beide Kamers tot op het ogenblik waarop de Koning over dat ontslag een definitieve beslissing heeft genomen of waarop een nieuwe gewest- of gemeenschapsregering is gekozen. »

Verantwoording

Deze wijziging houdt rekening met het feit dat de staatssecretaris van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet beschouwd wordt als een lid van de Regering en dat de Gewest- en Gemeenschapsregeringen worden gekozen en niet benoemd.

Roger LALLEMAND.