1-189/3 | 1-189/3 |
18 DECEMBER 1995
De bepalingen van dit wetsontwerp passen in het kader van het globaal plan dat door de vorige Regering werd uitgewerkt en dat gericht was op :
de verlaging van de arbeidskosten;
het voeren van een doelgroepenbeleid;
de bevordering van de arbeidsherverdeling;
de begeleiding van werklozen;
de ontwikkeling van nieuwe arbeidsmarkten.
De budgettaire kosten van dit beleid bedragen 53,3 miljard of 7 pct. van het totale bedrag van de sociale-zekerheidsbijdragen betaald door de bedrijven.
De maatregelen hebben volgens het Planbureau 11 800 voltijdse banen opgeleverd; wanneer men de deeltijdarbeid eveneens in aanmerking neemt, komt men volgens de minister op een totaal van 18 000 banen. De minister is overigens overtuigd dat de maatregelen op termijn nog tot een beter resultaat zullen leiden.
Het ter bespreking liggende wetsontwerp voorziet in de voortzetting van de bestaande maatregelen en bevat bovendien een reeks nieuwe voorstellen.
De vermindering van de patronale R.S.Z.-bijdrage voor niet-geschoolde werknemers geldt zowel voor de reeds werkende als voor de nieuw aangeworven werknemers.
Tot nu toe werd een vermindering toegekend van 50 tot 10 pct., afhankelijk van het betaalde loon. Het maximum loon was bepaald op 52 000 frank. De loonvork wordt nu uitgebreid tot 60 700 frank. Daardoor zullen 750 000 werknemers onder deze maatregel vallen.
Als gevolg van amendering in de Kamer van volksvertegenwoordigers kan het toegekende voordeel voor de social-profitsector bij koninklijk besluit worden vergroot. Voorwaarde is dat bijkomende arbeidsplaatsen worden gecreëerd.
Bedrijfsplannen tot herverdeling van de arbeid
De R.S.Z.-bijdragevermindering ten belope van 150 000 frank per jaar voor de nieuw aangeworvenen wordt verleend voor 3 jaar, ook wanneer de aanwerving in 1996 of 1997 geschiedt.
Loopbaanonderbreking
Er is een stagnatie in de loopbaanonderbreking. In de openbare sector, waar een recht op loopbaanonderbreking is, is het plafond blijkbaar bereikt.
Aan de sociale partners zal worden gevraagd te onderhandelen over de toekenning van een recht op loopbaanonderbreking in de privé-sector.
Van de andere kant wordt het stelsel in de openbare sector uitgebreid : vanaf 1996 zal een onderbreking van 6 jaar mogelijk zijn.
Deeltijdarbeid
Ook hierover zullen de sociale partners onderhandelen.
Inmiddels stelt de Regering voor dat degenen die een deeltijdse loopbaanonderbreking hebben genomen, wanneer zij hun werk opnieuw opnemen, verder deeltijds mogen blijven werken (halftijdse, 3/4de- of 4/5de-regeling).
Na de loopbaanonderbreking wordt er dus een recht op deeltijdarbeid ingevoerd. De Regering volgt hier niet het standpunt van de werkgevers als zou de organisatie van het werk onmogelijk zijn.
Halftijds brugpensioen
Er wordt een halftijds brugpensioen ingevoerd op de leeftijd van 55 jaar. Voorlopig is de leeftijdsgrens voor het voltijds brugpensioen eveneens op 55 jaar bepaald. Vanaf 1 januari 1997 wordt die grens 58 jaar.
Het halftijds brugpensioen blijft evenwel bepaald op 55 jaar. Het ontwerp stimuleert eveneens de vervanging van een halftijds bruggepensioneerde.
Jongeren
Ieder jaar komen er ongeveer 110 000 jongeren op de arbeidsmarkt; daarvan komen er ongeveer 32 000 in het stelsel van de wachtuitkeringen terecht. Dat betekent dat 70 pct. van de afgestudeerden werk vindt.
Uit onderzoek blijkt dat een aantal bedrijven zijn stageverplichting niet nakomt er zijn 13 000 stagiairs in plaats van normaal 37 000.
Aan de bedrijven zal de verplichting worden opgelegd te melden hoeveel stagiairs zij normaal zouden moeten aannemen. Voor de helft daarvan wordt een ander statuut in het leven geroepen, nl. het eerste-werkervaringscontract (E.W.E.-contract). Dit statuut houdt in : de aanwerving van een halftijdse arbeidskracht voor een niet-verlengbare periode van 6 maanden. De betrokken werknemer blijft nog 6 000 frank wachtuitkering ontvangen, hetgeen een evenredige kostenverlaging voor de werkgever betekent.
Langdurig werklozen
De bestaande stimuli worden verlengd.
Oudere werklozen
Bij de aanwerving van een werkloze van meer van 50 jaar wordt een in de tijd onbeperkte vermindering van de sociale-zekerheidsbijdrage verleend.
Gerechtigden op het bestaansminimum
Deze personen komen in aanmerking voor praktisch alle tewerkstellingsprogramma's.
Deze Raad, waarin de sociale partners geen zitting zullen hebben, zal adviezen verstrekken over de resultaten van de tewerkstellingsmaatregelen, de evolutie van de werkgelegenheid, enz.
De bedrijven zullen, naast hun financiële, voortaan ook een sociale balans moeten overleggen bij de Nationale Bank. Doel is te weten te komen welke effecten de verleende voordelen hebben gehad op het vlak van de werkgelegenheid, het verbeteren van het concurrentievermogen of nog het in stand houden van het bedrijf.
Een commissielid wil weten hoe de werkgevers geïnformeerd zullen worden over deze wet. Zal het ministerie geval per geval inlichtingen verstrekken telkens wanneer een maatregel in werking treedt of bestaat er een duidelijk en samenvattend document waarin alle maatregelen zijn opgenomen ?
Een ander lid stelt vast dat, met betrekking tot de jongerenstages, voor de werkgevers een meldingsplicht wordt ingevoerd. Zij worden derhalve andermaal belast met bijkomende administratieve verplichtingen, die naar alle waarschijnlijkheid gepaard zullen gaan met een verstrenging en verzwaring van de controles en misschien zelfs met een uitbreiding van de controlediensten.
Men kan zich de vraag stellen of dit de beste methode is om de werkgelegenheid te bevorderen.
Het lid vraagt zich overigens af of deze maatregelen echt noodzakelijk zijn. Men mag er immers van uitgaan dat een groot aantal van de betrokken jongeren na een paar maanden ook op eigen kracht werk zal vinden.
Een derde spreekster wenst te vernemen welk bedrag aan loonkostenvermindering de maatregelen in deze wet vertegenwoordigen.
Een lid stelt vast dat het wetsontwerp de bekrachtiging bevat van het koninklijk besluit van 28 maart 1995 dat voorziet in maatregelen betreffende de beheersing van de uitgaven in het stelsel van het betaald educatief verlof.
Zij onderstreept dat de bepalingen van dat koninklijk besluit betrekking hebben op opleidingen van lange duur, terwijl het tekort veroorzaakt door het betaald educatief verlof vooral terug te vinden is in de sector van de kortlopende opleidingen.
Zij voegt eraan toe dat het koninklijk besluit de instellingen straft die weliswaar geen universitaire instellingen zijn maar toch diploma's afgeven die erkend of medeondertekend worden door een Belgische universiteit.
Voor die onderwijscentra wordt het maximum aantal uren van het betaald educatief verlof die aan de werknemer worden toegekend, verminderd van 180 tot 120.
De minister antwoordt dat in de loop van 1996 wel degelijk een informatiecampagne zal worden opgezet om de voorliggende maatregelen kenbaar te maken. Deze campagne zal een dubbel karakter hebben.
Het departement van Tewerkstelling en Arbeid zal zich via televisiespots en folders tot het grote publiek richten. Daarbij zullen de maatregelen, eventueel gegroepeerd per soort, op een eenvoudige wijze kenbaar worden gemaakt.
De R.S.Z. daarentegen zal meer technische informatie verstrekken, die bestemd is voor de werkgevers.
Voor deze campagnes is een afzonderlijk budget vastgesteld.
Wat de jongerenstages betreft, onderstreept de minister dat de verplichtingen ter zake van de werkgevers niet worden verzwaard tegenover het huidige systeem.
De controles op het naleven van het 3 pct. quotum behoren tot de normale opdrachten van de arbeidsinspectie, die hiervoor niet wordt versterkt. Het invoeren van de meldingsplicht zal deze controles overigens voor een groot deel overbodig maken.
De minister wijst erop dat het hier voorgestelde systeem voor de ondernemingen financieel heel wat interessanter is dan de huidige toestand. De helft van de 3 pct. stagebetrekkingen wordt in de toekomst ingenomen door jongeren die een eerste werkervaring (E.W.E.) opdoen en die voor de onderneming veel goedkoper zijn dan stagiairs.
Op een vraag terzake antwoordt de minister dat de regeling van toepassing is in alle ondernemingen met meer dan 50 werknemers, maar ook kleinere bedrijven mogen in het systeem treden en van de financiële voordelen gebruik maken.
Wat de kostprijs van de maatregelen betreft, verklaart de minister dat de vermindering van de sociale lasten voor de lage lonen wordt geraamd op een meeruitgave van 4 miljard frank bovenop de huidige 7 miljard frank. Dit bedrag moet worden gecompenseerd langs fiscale of parafiscale weg. De maatregel moet dan ook uiterlijk op 1 april 1996 ingaan.
De andere maatregelen vormen een nuloperatie en vergen derhalve geen extra uitgaven. Halftijdse bruggepensioneerden en loopbaanonderbrekers moeten vervangen worden door werklozen. De bedragen die naar de social-profit sector gaan, moeten volledig worden omgezet in arbeidsplaatsen. Ook de regionale overheden hebben hier een inbreng.
De minister zegt tenslotte dat zij zich goed bewust is van de problemen inzake het betaald educatief verlof. Het koninklijk besluit van 28 maart 1995 heeft aanleiding gegeven tot klachten van tal van instellingen, die elk met hun eigen moeilijkheden te kampen hebben.
Zij onderstreept evenwel dat het onmogelijk is terug te komen op de beslissingen in dit verband. De sector kampt met een tekort van 4 miljard frank dat moet worden weggewerkt.
Het koninklijk besluit heeft overigens alleen betrekking op de erkenning van het aantal uren opleiding die gelijk worden gesteld met werkuren.
Een werknemer die 120 uren les volgt en hiervoor vergoed wordt door de werkgever en de overheid, kan hieraan nog altijd 60 uren toevoegen om zijn 180 uren rond te maken.
Een lid repliceert hierop dat de Regering het deeltijds werken en de loopbaanonderbreking aanmoedigt, maar dat voor deze categorieën werknemers helemaal geen betaald educatief verlof mogelijk is.
Dat verlof is een prerogatief van de voltijdse werknemers, maar ook voor hen worden de mogelijkheden ter zake ingeperkt.
Zij onderstreept hierbij dat het recht op bijscholing en vorming, evenzeer als het recht op arbeid deel uitmaakt van het burgerschap. De overheid mag haar plichten ter zake niet ontlopen.
De minister antwoordt dat niemand het recht op vorming wordt ontnomen. Wel wordt het aantal uren, integraal vergoed als arbeidstijd door de werkgever en de overheid, beperkt tot 120 voor bepaalde instellingen.
Zij merkt op dat de sector niet alleen met een groot deficit te kampen heeft, maar dat het hier bovendien gaat om een moeilijk beheersbaar budget. Men kan nooit op voorhand weten hoeveel ondernemingen in het systeem zullen stappen.
Een lid merkt op dat er voor sommige instellingen in elk geval een probleem bestaat. In artikel 2, § 5, van het koninklijk besluit wordt het aantal uren dat in aanmerking komt voor de universiteiten of de met de universiteiten gelijkgestelde instellingen vastgesteld op 180.
Voor andere instellingen, die eigenlijk cursussen geven van hetzelfde niveau, is het maximum aantal uren vastgesteld op 120.
Spreker vraagt of de minister zich kan scharen achter een interpretatie van artikel 2, § 5, waarin de opleidingen die leiden tot een diploma afgegeven door een universiteit en die welke afgegeven worden door een andere instelling maar erkend en medeondertekend worden door een universiteit, op gelijke voet worden geplaatst.
De minister zegt dat zij het probleem opnieuw zal onderzoeken en een schriftelijk antwoord zal geven.
Een lid merkt op dat hoofdstuk IX betreffende de sociale balans van toepassing is op elke onderneming die bij de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen onderworpen is aan de publikatieverplichting. Om welke ondernemingen gaat het juist ?
Hij merkt op dat sommige maatregelen ten gunste van de jongeren na zes maanden een einde nemen. Wordt het probleem hierdoor niet verplaatst in plaats van opgelost ?
De minister antwoordt dat alle vennootschappen, dus niet de V.Z.W.'s en de natuurlijke personen, verplicht zullen zijn een sociale balans op te maken. De grootte van de onderneming of het aantal werknemers speelt hierbij geen rol.
Wat de maatregelen voor jonge werklozen betreft, verklaart zij dat die erop gericht zijn de betrokkenen een eerste werkervaring te geven die zij anders niet zouden hebben gehad.
Zij krijgen ook een kans om zich te bewijzen. Na de stageperiode kan de werkgever, zoals ook bij andere tijdelijke contracten, al dan niet beslissen de betrokkenen in vaste dienst te nemen.
Een lid brengt in herinnering dat in de beleidsverklaring van de Regering te lezen stond dat voor de deeltijdse leerlingen een bijzondere maatregel zou worden genomen opdat zij in het kader van de alternerende opleiding aanspraak kunnen maken op het interprofessioneel akkoord.
Zij vraagt of er in 1996 een specifiek bedrag zal worden uitgetrokken voor deze jongeren tussen 15 en 18 jaar, die toch een risicogroep vormen.
Wat de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen betreft, wenst het lid dat er vóór de uitbreiding van het huidige stelsel een evaluatie wordt opgemaakt van hun werking, zoals het Parlement tijdens de vorige zittingsperiode trouwens gevraagd heeft. Zij beklemtoont dat zij altijd zeer kritisch gestaan heeft ten aanzien van de P.W.A.'s, die de werklozen wel een bezigheid hebben verschaft, maar die geen arbeidsplaatsen hebben geschapen.
Bovendien zouden werklozen die binnen een P.W.A. werken, nog steeds uitgesloten kunnen worden van het recht op werkloosheidsuitkeringen.
Een ander lid wenst te vernemen wat momenteel de dekkingsgraad is van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen over het land en hoeveel personen er momenteel worden tewerkgesteld.
De minister antwoordt dat momenteel een wetsontwerp met betrekking tot de deeltijdse leercontracten voor advies bij de Nationale Arbeidsraad ligt.
Zij merkt op dat het statuut van de personen die activiteiten verrichten in een P.W.A. de jongste tijd verder is verbeterd.
De werkloze die gedurende de laatste zes maanden minstens 180 uren gewerkt heeft (d.i. gemiddeld 30 uren per maand) in een P.W.A., kan voor 6 maanden vrijgesteld worden van inschrijving als werkzoekende, van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en van stempelcontrole. Tijdens deze periode kan hij niet worden geschorst voor langdurige werkloosheid op basis van artikel 80. De vrijstelling kan worden verlengd met zes maanden volgens dezelfde voorwaarden. Tot 31 maart 1996 geldt een overgangsperiode waarin het volstaat 120 uren te hebben gewerkt i.p.v. 180 uren in de zes maanden vóór de aanvraag om vrijstelling.
Wanneer de werkloze zijn activiteiten in het P.W.A. stopzet of minder dan 180 uren werkt, is artikel 80 opnieuw van toepassing. De maanden waarin hij ten minste 30 uren in het P.W.A. gewerkt heeft, worden niet gerekend als werkloosheidsperiode.
De minister verklaart dat de Nationale Administratieve Commissie de activiteiten verricht in een P.W.A. als een positief element in aanmerking blijft nemen. Deze commissie beoordeelt de inspanningen die de werkloze gedaan heeft om opnieuw werkt te vinden en beslist of de werkloze al dan niet geschorst moet worden. Ook geven activiteiten van minder dan 30 uren per maand in een P.W.A. aanleiding tot het uitstellen van de eventuele schorsing op basis van artikel 80. De datum van de schorsing wordt met een maand uitgesteld voor elke 90 gepresteerde uren in een P.W.A. in de loop van de twee jaar die de waarschuwing van artikel 80 voorafgaan.
Zij stelt ten slotte voor de gegevens met betrekking tot de verspreiding van de P.W.A.'s als bijlage bij het verslag te voegen.
Een lid stelt vast dat de voorliggende maatregelen andermaal gericht zijn op voltijdse uitkeringsgerechtigde werklozen, al wordt er wel een opening gemaakt in de richting van de gerechtigden op het bestaansminimum.
De werknemers die gekozen hebben voor een deeltijdse betrekking om uit de werkloosheid te geraken, blijven derhalve andermaal in de kou staan.
De minister beaamt dat er op dit vlak een ernstig probleem is. Personen die deeltijds werken, hebben het vaak moeilijk om aan een voltijdse betrekking te geraken.
In 1994 werd een wettelijke regeling uigewerkt die deeltijdse werknemers voorrang gaf bij vacatures in de onderneming waar zij werken.
Deze bepaling is niet uitvoerbaar gebleken omdat de sociale partners ze technisch niet haalbaar achten.
Een commissielid herinnert eraan dat in het verleden een aantal maatregelen zijn genomen in het kader van de strijd tegen het zwartwerk, die onder meer een versterking van de arbeidsinspectie en de sociale inspectiediensten inhielden. Werden deze diensten intussen ook effectief uitgebreid ?
De minister antwoordt dat 25 nieuwe inspecteurs in dienst zijn genomen en thans een opleiding krijgen.
Momenteel wordt ook gewerkt aan een coördinatiecel die de activiteiten van de verschillende betrokken instanties (arbeidsinspectie, sociale inspectie, justitie, rijkswacht) op elkaar moet afstemmen.
Een lid merkt op dat een deel van de maatregelen in het ontwerp de voortzetting zijn van vroegere experimenten, terwijl andere volledig nieuw zijn.
De diverse regelingen die thans worden toegepast, vormen een complex geheel en het is al bij al moelijk om een precies inzicht in de resultaten van het gevoerde beleid te krijgen.
Zij vindt dat de tijd is gekomen om een balans op te maken en elke maatregel grondig te evalueren op zijn efficiëntie. Dit lijkt een opdracht voor de Hoge Raad voor de werkgelegenheid.
Het lid is echter van oordeel dat een regelmatige grondige evaluatie van het werkgelegenheidsbeleid ook voor de commissie een prioritaire taak moet zijn.
De minister antwoordt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de diverse soorten maatregelen.
De Maribel-operaties en de lastenverlaging voor lage lonen zijn een antwoord op structurele problemen van de arbeidsmarkt, zoals het concurrentienadeel van de Belgische ondernemingen of het uitstoten van laaggekwalificeerde arbeidskrachten. Het gaat hier derhalve om maatregelen met een blijvend karakter.
Andere ingrepen, zoals het doelgroepenbeleid, zijn van meer conjuncturele aard en dienen te worden aangepast aan de wijzigingen op de arbeidsmarkt.
Ten derde is er de arbeidsherverdeling. De maatregelen in dit verband moeten een mentaliteitswijziging op de arbeidsmarkt teweegbrengen.
De minister geeft toe dat de drie soorten ingrepen een complex geheel vormen, maar dit kan moeilijk anders. Een beleid is slechts efficiënt wanneer het inspeelt op de conjuncturele wijzigingen van de arbeidsmarkt. Bovendien heeft de beperkte economische groei van de jongste jaren een aantal bijkomende ingrepen noodzakelijk gemaakt.
Overigens lijken de ondernemingen wel degelijk hun weg te vinden in het geheel van de regelingen.
De minister beaamt dat de evaluatie van het werkgelegenheidsbeleid behoort tot de opdracht van de Hoge Raad voor de werkgelegenheid.
Daarnaast zal ook het Planbureau in de toekomst de evolutie van de arbeidsmarkt blijven analyseren. Voor 1994 werd reeds een grondige evaluatie gedaan. Het is op dit ogenblik evenwel moeilijk tot definitieve conclusies te komen, daar de meeste maatregelen van recente datum zijn.
Een commissielid betreurt dat bij de maatregelen gericht op doelgroepen en op de ontwikkeling van nieuwe arbeidsmarkten, niets terug te vinden is over de beschutte werkplaatsen.
Het gaat hier om een groep van ongeveer 15 000 werknemers, die ook wordt bedreigd door de buitenlandse concurrentie.
Hij vraagt of ook kan worden meegedeeld hoeveel afwijkingen werden toegestaan op de vervangingsplicht bij brugpensioenen en of de minister enig zicht heeft op de motieven waarom werknemers deeltijds wensen te werken of loopbaanonderbreking aanvragen.
De minister antwoordt dat ingevolge artikel 2, § 2, van het ontwerp de onderste loongrens voor de toepassing van de lage-lonenmaatregel teruggebracht kan worden tot 133 frank voor personen met een handicap, tewerkgesteld in een beschutte werkplaats.
Artikel 3 bepaalt voorts dat de arbeidskosten-vermindering voor de lage lonen kan worden versterkt voor de social-profitsector.
Ten slotte wordt door het ontwerp de mogelijkheid gecreëerd voor een « sociale » Maribel-operatie.
Zij deelt mee dat de vrijstelling van de vervangingsplicht bij brugpensioenen ongeveer een derde bedraagt van het totale aantal bruggepensioneerden die moeten worden vervangen.
Deeltijdarbeid en loopbaanonderbreking worden voor het overgrote deel aangevraagd door ouders voor de opvoeding van hun kinderen.
Artikel 2
De heer Coene en mevrouw Nelis-Van Liedekerke dienen een amendement (nr. 1) in dat ertoe strekt de vermindering van de sociale bijdragen uniform vast te stellen op 10 pct.
Een van de indieners verduidelijkt dat de Regering de voorbije jaren tal van maatregelen heeft uigewerkt, gericht op het verschuiven van werklozen van het ene statuut naar het andere, op de integratie van moeilijk te plaatsen werklozen in de overheidsmarkt en op de herverdeling van de arbeid.
Deze ingrepen kunnen zijns inziens slechts een marginale invloed hebben omdat ze voorbijgaan aan het fundamentele probleem en dat is het gebrek aan arbeidsplaatsen.
Integratie van werklozen in de arbeidsmarkt heeft slechts zin als eerst het nodige wordt gedaan om het aanbod van werkgelegenheid te verhogen.
Spreker is van oordeel dat daartoe, naast een aantal andere maatregelen zoals het herstel van het vertrouwen bij de consumenten, een ingrijpende en uniforme vermindering van de loonlasten noodzakelijk is. Dat is het doel van dit amendement.
Het amendement wordt verworpen met 7 tegen 4 stemmen.
De heer Coene en mevrouw Nelis-Van Liedekerke dienen hierop een subsidiair amendement in, dat tot doel heeft de verminderingspercentages van de sociale bijdragen op lage lonen op te trekken.
Een indiener merkt op dat, ook wanneer men de logica van de Regering in deze aangelegenheid volgt, moet worden vastgesteld dat de maatregel weinig invloed zal hebben op de werkgelegenheid. Hij vindt dat een meer ingrijpende verlaging van de loonlasten noodzakelijk is.
De minister antwoordt dat de lage-lonenmaatregel tot nog toe een vermindering van 7 miljard frank inkomsten voor de sociale zekerheid betekende. Daar komt met dit ontwerp nog eens 4 miljard bij.
Het gaat hier reeds om een zeer aanzienlijk bedrag dat moet worden gecompenseerd door fiscale en parafiscale maatregelen. Een bijkomende lastenverlaging zou eveneens langs deze weg of via besparingen moeten worden gefinancierd. Wat dit laatste betreft, liggen de zaken niet zo eenvoudig als door sommigen wordt voorgespiegeld.
De vorige spreker beaamt dat er in deze materie geen pijnloze ingrepen mogelijk zijn. Dit neemt niet weg dat er in een aantal sectoren van de sociale zekerheid wel degelijk ruimte is om op zijn minst de groei van de uitgaven te stoppen.
Het lid zegt dat de hier voorgestelde maatregelen gewoonweg geen effect zullen hebben omdat de verlaging van de arbeidskosten te beperkt is.
Alleen door via een ingrijpende en algemene lastenverlaging arbeidsplaatsen te creëren kan de werklozen een perspectief worden geboden.
De minister repliceert hierop dat via de Maribeloperaties algemene lastenverlagingen in hele sectoren van het bedrijfsleven werden doorgevoerd. Uit de projecties van het Planbureau blijkt overduidelijk dat de relatieve kostprijs van deze maatregelen een stuk hoger ligt dan bij de meer selectieve ingrepen.
Een arbeidsplaats gecreëerd in het kader van de Maribel-operatie zou op korte termijn 6,3 miljoen frank en op middellange termijn 2 miljoen frank kosten.
Voor de lage-lonenmaatregel en het doelgroepenbeleid zijn deze bedragen respectievelijk 800 000 en 200 000 frank.
De minister is daarom van oordeel dat moet worden vastgehouden aan een gecombineerde aanpak met algemene ingrepen en maatregelen gericht op doelgroepen.
Het subsidiair amendement wordt verworpen met 7 tegen 4 stemmen.
Artikel 3
De heer Coene en Mevrouw Nelis-Van Liedekerke dienen een amendement (nr. 3) in dat ertoe strekt de lastenvermindering voor de social-profitsector te binden aan een wettelijke verplichting tot het creëren van arbeidsplaatsen.
De minister antwoordt dat in het artikel, zoals geamendeerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, de bevoegdheid inzake het vaststellen van de bijkomende werkgelegenheid bij de Koning wordt gelegd teneinde onderhandelingen met de sector en met de Gemeenschappen en Gewesten mogelijk te maken.
Het amendement wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen, bij één onthouding.
Artikel 5
De heer Coene en Mevrouw Nelis-Van Liedekerke dienen een amendement (nr. 4) in dat ertoe strekt de machtiging aan de Koning om de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk II vast te stellen, te schrappen.
De minister stipt aan dat het hoofdstuk in werking moet treden aan het begin van een kwartaal. De datum van 1 april 1996 kan derhalve worden vervangen door 1 januari 1996 indien de maatregel vóór het einde van dit jaar rond zou zijn. Hiervoor kan thans nog geen uitsluitsel worden gegeven.
Het amendement wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen, bij één onthouding.
Artikel 12
De heer Coene en mevrouw Nelis-Van Liedekerke dienen een amendement (nr. 5) in dat ertoe strekt de machtiging aan de Koning om van de in het artikel vastgestelde regeling af te wijken, te schrappen.
Een indiener merkt op dat de criteria volgens welke van de vastgelegde regeling kan worden afgeweken, in de wet dienen te worden vastgesteld.
Het amendement wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen, bij één onthouding.
Artikel 18bis
De heren Hazette en Destexhe stellen bij amendement (nr. 11) voor een artikel 18bis in te voegen dat brugpensioenregelingen mogelijk maakt waarbij 1/3, 1/4 of 1/5 van een voltijdse betrekking gewerkt wordt.
Een lid verduidelijkt dat het de bedoeling is, naast het pas ingevoerde halftijdse brugpensioen, ook andere deeltijdse stelsels mogelijk te maken.
De minister antwoordt dat dergelijke regelingen voor de toekomst zeker niet zijn uitgesloten.
Daar het halftijdse brugpensioen echter nog maar pas van start is gegaan, lijkt het haar raadzaam het voorlopig hierbij te laten en te zien hoe deze aangelegenheid evolueert.
Het amendement wordt hierop ingetrokken.
Artikelen 40, 41 en 42
De heer Coene en mevrouw Nelis-Van Liedekerke dienen een amendement (nr. 6) in dat ertoe strekt deze artikelen te doen vervallen.
Een indiener zegt dat hij de betrokken bepalingen totaal overbodig vindt. De vermelde opdrachten kunnen door de bestaande instellingen worden uitgevoerd.
Tijdens de algemene bespreking is overigens reeds gewezen op de rol die het Planbureau en het Parlement te vervullen hebben inzake de evaluatie van het werkgelegenheidsbeleid. Het heeft geen zin daarbij nog eens een instelling te creëren.
Het amendement wordt verworpen met 7 tegen 3 stemmen.
Hoofdstuk IX : Sociale balans
(artikelen 44 tot en met 49)
De heer Coene en mevrouw Nelis-Van Liedekerke dienen een amendement (nr. 7) in dat ertoe strekt deze artikelen te doen vervallen.
De heren Hazette en Destexhe dienen een amendement (nr. 12) met dezelfde strekking in.
Een indiener wijst erop dat hier andermaal een administratieve last wordt opgelegd aan de ondernemingen, die uiteindelijk weinig resultaat zal opleveren. Vooral voor de kleinere bedrijven zullen de nieuwe verplichtingen zwaar doorwegen.
Overigens zijn vrijwel alle gegevens die in het kader van de sociale balans worden opgevraagd, reeds beschikbaar bij de diverse overheidsdiensten.
De opdracht van de ondernemingen bestaat er niet in formulieren in te vullen, maar arbeidsplaatsen te creëren.
De minister antwoordt dat de ondernemingen thans aanzienlijke steun krijgen van de overheid met het oog op creatie van werkgelegenheid. De overheid mag hiervoor een zekere verantwoording vragen.
Overigens wordt uitdrukkelijk bepaald dat de formulieren moeten worden aangepast aan de aard van de ondernemingen. De formaliteiten die de K.M.O.'s te vervullen hebben, zullen tot een minimum worden beperkt.
Een lid pleit er toch voor dat de gegevens die de ondernemingen moeten verstrekken, worden gekoppeld aan een bestaand formulier, bijvoorbeeld de belastingaangifte. Dat zou het systeem, ook voor de overheid, een stuk efficiënter maken.
De minister zegt hierop dat het koninklijk besluit ter uitvoering van deze bepalingen wordt voorgelegd aan de Nationale Arbeidsraad, waar zowel de grote ondernemingen als de K.M.O.'s vertegenwoordigd zijn. Zij kunnen zich derhalve uitspreken over de wijze waarop de gegevens worden verzameld.
De beide amendementen worden verworpen met 7 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
De heer Coene en mevrouw Nelis-Van Liedekerke dienen hierna drie subsidiaire amendementen (nrs. 8, 9 en 10) in op de artikelen 44, 45 en 46.
Wat de artikelen 44 en 45 betreft, merkt een van de indieners op dat hier andermaal belangrijke bevoegdheden aan de Koning worden gegeven. Het toepasselijk maken van de bepalingen op andere rechtspersonen en het aanwijzen van bijkomende gegevens die dienen te worden verstrekt, zijn toch aangelegenheden die bij wet kunnen en moeten worden geregeld.
De minister is van oordeel dat in het licht van de concrete omstandigheden soepele en beperkte aanpassingen van het systeem mogelijk moeten zijn. Het lijkt haar niet efficiënt voor elke aanpassing van het systeem aan nieuwe ontwikkelingen op de arbeidsmarkt naar het Parlement te moeten komen.
De subsidiaire amendementen nrs. 8 en 9 worden verworpen met 7 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Bij het amendement op artikel 46 verduidelijkt een indiener dat het beheer van dergelijke gegevensbestanden volkomen buiten de normale opdrachten van de Nationale Bank ligt. In het buitenland worden de nationale banken nergens met dit soort taken opgezadeld.
Voor de R.S.Z. daarentegen zou het verzamelen en verwerken van de gegevens een opdracht zijn die complementair is met haar normale taak.
De minister antwoordt dat werd gekozen voor de meest efficiënte oplossing. De Nationale Bank verwerkt nu reeds de balansen van de ondernemingen. Zij beschikt over de nodige informatica-infrastructuur en personeelsleden om ook deze nieuwe taak aan te kunnen.
Overigens blijkt uit de praktijk dat het doorzenden van de balansgegevens door de ondernemingen vrij stipt gebeurt, wat met de R.S.Z.-aangiften niet altijd het geval is.
Het subsidiair amendement nr. 10 wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen, bij 1 onthouding.
Het wetsontwerp in zijn geheel wordt aangenomen met 7 tegen 3 stemmen.
Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 12 aanwezige leden.
| De Rapporteur,
Alain DESTEXHE. |
De Voorzitster,
Lydia MAXIMUS. |
In de Franse tekst van artikel 38 van het wetsontwerp, tussen de woorden « 9 300 francs » en de woorden « par travailleur », de woorden « au maximum » invoegen.
| Statistiek voortgang P.W.A. op 8 december 1995 Statistiques relatives à l'évolution des A.L.E. au 8 décembre 1995 |
het Rijk Royaume |
Vl Fl |
W Wl |
Bxl Bxl |
||||
| absol val. abs. |
% | absol val. abs. |
% | absol val. abs. |
% | absol val. abs. |
% | |
| Totaal aantal gemeenten. Nombre total de communes | 589 | 100,00 | 308 | 100,00 | 262 | 100,00 | 19 | 100,00 |
| actief + operationeel. actifs + opérationnels | 416 | 70,63 | 163 | 59,92 | 242 | 92,37 | 11 | 57,89 |
| Ingediende dossiers. Dossiers introduits | 71 | 12,05 | 57 | 18,51 | 12 | 4,58 | 2 | 10,53 |
| actief + operationeel + dossier ingediend. actifs + opérationnels + dossier introduit | 487 | 82,68 | 220 | 71,43 | 254 | 96,95 | 13 | 68,42 |
| Princiepsbeslissing. Décision de principe | 57 | 9,68 | 47 | 15,26 | 6 | 2,29 | 4 | 21,05 |
| actief + operationeel + dossier ingediend + princiepsbeslissing. actifs + opérationnels + dossier introduit + décision de principe | 544 | 92,36 | 267 | 86,69 | 260 | 99,24 | 17 | 89,47 |
| Aantal cheques - gebruikers op 11 december 1995. Nombre de chèques - utilisateurs au 11 décembre 1995 | ||||||||
| Gebruikers. Utilisateurs | 27 850 | 100,00 | 8 158 | 29,29 | 18 914 | 67,91 | 778 | 2,79 |
| Aantal verkochte cheques. Nombre de chèques vendus | 3 106 768 | 100,00 | 784 056 | 25,24 | 2 221 777 | 71,51 | 100 935 | 3,25 |
| Aantal actieve werklozen op 1 oktober 1995. Nombre de chômeurs actifs au 1er octobre 1995 | ||||||||
| Grove raming aantal actieve werklozen gedurende september. Estimation approx. chômeurs actifs en septembre | 13 508 | 100,00 | 4 029 | 29,83 | 9 022 | 66,79 | 457 | 3,38 |
| Grove raming aantal actieve werklozen sinds begin jaar. Estimation approx. chômeurs actifs depuis le 1er janvier | 19 130 | 100,00 | 5 140 | 26,87 | 13 419 | 70,15 | 571 | 2,98 |