1-220/1 | 1-220/1 |
8 JANUARI 1996
Sinds 7 oktober 1950 is Tibet wederrechtelijk bezet door de Volksrepubliek China. De internationale gemeenschap heeft deze onwettige toeëigening nooit erkend. Veel deskundigen inzake internationaal recht zijn het erover eens dat dit gebied vóór de invasie over de kenmerken van soevereiniteit beschikte.
Deze bezetting, die tussen 1950 en 1980 de dood van ten minste 1 200 000 Tibetanen heeft veroorzaakt, doet zich ook nu nog gevoelen door veelvuldige inbreuken op de mensenrechten, een massale vernietiging van de Tibetaanse tradities en cultuur en een gedwongen assimilatie van het Tibetaanse volk, dat in eigen land een minderheid is geworden. Het laatste jaarboek van Amnesty International vermelt, dan ook dat er in 1994 ten minste 628 gewetensgevangenen zijn geteld. Het totale aantal van deze gevangenen, die in onmenselijke omstandigheden zijn opgesloten, kan worden geschat tussen de 3 000 en de 4 000. Op cultureel vlak zijn niet minder dan 6 000 boeddhistische kloosters (d.w.z. 95 pct.) verwoest en leeggeroofd. Momenteel wordt op de boeddhistische monniken en nonnen door de Chinese autoriteiten sterke druk uitgeoefend om schriftelijk te verklaren dat zij de autoriteit van de Dalai Lama en zijn keuze van de opvolger van de Panchen Lama, de « tweede man » van de boeddhistische geestelijkheid in Tibet, verwerpen. Voorts ondergaan de Tibetaanse vrouwen tegenwoordig een schrikwekkende geboortecontrole, die meer gericht is op de geleidelijke verdwijning van het Tibetaanse volk dan op een reële beheersing van de demografische groei, die overigens gelet op de natuurlijke groei van het Tibetaanse volk zinloos is. Tenslotte moedigen de Chinese autoriteiten nog steeds een massale emigratie van Chinezen naar Tibet aan, wat niet alleen tot gevolg heeft dat het ecosysteem in deze regio van de wereld wordt verzwakt, maar ook dat elk spoor van een oorspronkelijke cultuur en levenswijze in het grootste deel van het land verdwijnt.
Tegenover deze situatie is de publieke wereldopinie in het geweer gekomen. In het bijzonder in België hebben de laatste jaren verschillende belangrijke initiatieven duizenden mensen samengebracht voor de verdediging van het Tibetaanse volk. Dit engagement op wereldvlak bereikte zijn hoogtepunt ingevolge de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan de Dalai Lama in 1989. Maar tot nu toe is dat nooit toereikend geweest om de Chinese autoriteiten ertoe te brengen onderhandelingen zonder voorafgaande voorwaarden aan te knopen met de Tibetaanse regering in ballingschap, die wordt geleid door de Dalai Lama. Op alle onderhandelingsvoorstellen die deze aan hen heeft gedaan, hebben de Chinese autoriteiten steeds geantwoord met intimidatie en onderdrukking. Het is dan ook beslist noodzakelijk dat de parlementen van de democratische landen ten aanzien hiervan een standpunt innemen, zodat de regeringen van die landen zich gesteund weten bij de stappen die zij bij de regering van de Volksrepubliek China ondernemen. Juist het ontbreken van een duidelijke reactie van de zijde van de democratische staten stelt de Chinese regering immers in staat een arbitrair antwoord te geven op de geweldloze strijd van het Tibetaanse volk en op zijn verlangen door onderhandelingen een eind te maken aan de bezetting van Tibet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft zich op 29 maart 1994 al uitgesproken door de aanneming van een resolutie (Gedr. St., Kamer nr. 1132/7). Het onderhavige resolutievoorstel vormt echter een aanvullende stap met het oog op erkenning van het recht op zelfbeschikking van het Tibetaanse volk en een krachtige veroordeling van de praktijken van het Chinese regime, dit in een context waarin alles een nieuwe golf van repressie en aantasting van de fundamentele rechten van de menselijke persoon op het Dak van de Wereld doet vrezen. Aanneming van deze resolutie door de beide Kamers van het Belgisch parlement zou dus tevens een ondubbelzinnige preventieve boodschap aan het adres van China betekenen.
De voorgestelde tekst is gebaseerd zowel op recente werken van verschillende auteurs op het gebied van het internationale recht als op de teksten van andere resoluties met hetzelfde onderwerp. Hij vormt de grondslag voor een coherent standpunt van België in zijn betrekkingen met zijn partners alsook met de Volksrepubliek China. Bovendien kan hij tot voorbeeld dienen voor andere Belgische of buitenlandse instanties, die er de nodige inspiratie of vastberadenheid uit zouden kunnen putten.
Het drama van het Tibetaanse volk mag niet buiten ons om gaan. Door de keuze van geweldloosheid als grondprincipe voor zijn strijd verwijst dat volk ons naar onze plicht tot vrijwaring van onze eigen waarden van solidariteit, vrijheid, verdraagzaamheid en eerbied voor de fundamentele rechten. De Tibetanen hebben dringend behoefte aan onze steun voordat de door China in Tibet gevoerde politiek leidt tot de algehele verdwijning van een volk en zijn duizendjarige cultuur. Van alle huidige noodtoestanden in de internationale betrekkingen is die van Tibet niet de minst cruciale. België dient op dit gebied een vooraanstaande rol te spelen.
| Alain DESTEXHE. |
De Senaat,
Gelet op de resolutie die de Kamer van volksvertegenwoordigers op 29 maart 1994 heeft aangenomen (Gedr. St. Kamer 1132/7);
Gelet op de resolutie van de Tweede Wereldconferentie van Parlementsleden over Tibet, die van 26 tot en met 28 mei 1995 in Vilnius, Litouwen, is gehouden;
Gelet op resolutie nº B4-1007/95, op 13 juli 1995 goedgekeurd door het Europees Parlement;
Gelet op de resoluties 1353 (XIV) van 1959 en 1723 (XVI) van 1961 en 2079 (XX) van 1965 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties;
1. Geschiedenis van Tibet
Overwegende dat Tibet er gedurende zijn gehele geschiedenis in geslaagd is een nationale, culturele en religieuze identiteit te bewaren die zich onderscheidt van China, dit totdat de uitholling ten gevolge van de Chinese invasie is begonnen;
Overwegende dat het historische Tibet bestaat uit drie regio's : U-Tsang, Amdo en Kham;
2. Status van Tibet
Gelet op het illegale karakter van de invasie en bezetting van Tibet door de Volksrepubliek China, terwijl Tibet in 1949, vóór de komst van het Chinese Volksbevrijdingsleger, een onafhankelijke Staat was;
Constaterende dat Tibet momenteel krachtens het internationale recht een onafhankelijke Staat is die op onwettige wijze wordt bezet en dat de Volksrepubliek China geen enkel soeverein recht over Tibet heeft;
3. Status van Tibet volgens de Volksrepubliek China
Overwegende dat de Volksrepubliek China een totaal verdraaide versie van de historische onafhankelijkheid en de rijke culturele en spirituele traditie van Tibet verdedigt om de invasie, de bezetting en de verwoesting van Tibet te rechtvaardigen;
4. Aard van het Tibetaanse vraagstuk
Overwegende dat de kwestie Tibet in wezen een politieke kwestie is : die van de onderwerping van Tibet door de Volksrepubliek China en van het verzet van het Tibetaanse volk tegen die overheersing;
Overwegende dat de schendingen van de mensenrechten in Tibet een specifiek karakter hebben doordat ze gericht zijn op de Tibetanen als volk dat opkomt voor zijn eigen identiteit en blijk geeft van zijn wens die intact te houden, en dat derhalve de schendingen van de mensenrechten in Tibet grotendeels voortkomen uit een geïnstitutionaliseerde rassen- en culturele discriminatie;
5. De vreedzame strijd van het Tibetaanse volk en de Dalai Lama
Zich bewust van de wil van het Tibetaanse volk om zijn fundamentele rechten terug te krijgen en zijn cultuur te bewaren en te ontwikkelen;
Met erkenning van de onderhandelingsvoorstellen die de Dalai Lama de afgelopen vijftien jaar aan de Chinese regering heeft gedaan ten einde het Tibetaanse vraagstuk vreedzaam op te lossen;
Overwegende dat de Dalai Lama bij zijn streven naar een door onderhandelingen tot stand gebrachte oplossing voor het Tibetaanse vraagstuk niet de algehele onafhankelijkheid voor Tibet heeft opgeëist en dat China, in antwoord op zijn verzoenende voorstellen, niet heeft opgehouden Chinese kolonisten naar Tibet te laten komen, zodat de Tibetaanse bevolking is gereduceerd tot een minderheid in haar eigen land;
Overwegende dat de Dalai Lama bereid blijft met China te onderhandelen en dat de voorstellen zoals zijn Vredesplan in Vijf Punten (1987) en zijn voorstel aan het Europees Parlement (1988), die op internationaal vlak goed zijn ontvangen, nog steeds een rationele basis kunnen vormen voor onderhandelingen zonder voorafgaande voorwaarden;
6. Overbrenging van bevolking
Veroordelend als ernstige schending van het internationale recht de officieel aangemoedigde overbrenging van Chinese Hanbevolking, die met verschillende middelen tot stand wordt gebracht, met name door bekwame Tibetaanse ambtenaren op diverse bestuursniveaus te vervangen door Chinese ambtenaren en door de verplichting die krachtens een recent besluit aan alle militaire personeelsleden ter plaatse wordt opgelegd om zich na hun diensttijd in Tibet te vestigen, zulks op straffe van het verlies van hun pensioenrechten;
7. De discriminatie op onderwijsgebied
Veroordelend de discriminatie die de Chinese autoriteiten op onderwijsgebied toepassen door het ontzeggen van de passende voorzieningen aan Tibetaanse kinderen; tegen Tibetanen die hun eigen taal en cultuur willen bestuderen; door gedwongen terugroeping van Tibetaanse kinderen die buiten Tibet studeren;
8. De geboortenbeperkingspolitiek
Overwegende dat het aantal Tibetanen die in Tibet (U-Tsang, Kham en Amdo) wonen momenteel ongeveer 6 000 000 zielen bedraagt en dat Tibet een oppervlakte heeft van 2,5 miljoen vierkante kilometer (wat 0,42 inwoner per vierkante kilometer betekent);
Derhalve constaterende dat de Chinese geboortenbeperkingspolitiek wegens de geringe bevolkingsdichtheid van de in Tibet wonende Tibetanen niet gerechtvaardigd kan worden en dat zij dus alleen maar een van de middelen vormt die de Volksrepubliek China aanwendt om het aantal in Tibet wonende Tibetanen te verkleinen;
9. Het vraagstuk van Tibet staat gelijk met etnische zuivering
Veroordelend de overige ernstige en stelselmatige schendingen van de mensenrechten in Tibet, met name de willekeurige arrestatie en gevangenhouding alsook het martelen van Tibetanen om politieke redenen; de schendingen van de rechten van vrouwen, met name gedwongen sterilisatie en abortus; de beroving van godsdienstvrijheid; allemaal vergrijpen die, met de vernietiging van de rijke Tibetaanse cultuur en de overbrenging van bevolking, een bedreiging vormen voor de overleving van het Tibetaanse volk en derhalve gelijkstaan met etnische zuivering;
10. Het vraagstuk van het milieu
Bezorgd over de verwoesting van het natuurlijk milieu van de Tibetaanse hoogvlakte, met name over de overmatige ontbossing en de opslag van giftig en radioactief afval, die niet alleen voor Tibet, maar voor de hele regio en de hele wereld gevolgen heeft;
11. Het recht op zelfbeschikking
Het onvervreemdbare recht van het Tibetaanse volk op zelfbeschikking nogmaals bevestigend;
12. Het recht op inmenging
Erop wijzend dat de schendingen van de mensenrechten, met name van het recht op zelfbeschikking, alsmede alle andere schendingen van het internationale recht per definitie van rechtswege alle leden van de internationale gemeenschap aangaan, en niet een binnenlandse aangelegenheid van welke Staat ook kunnen zijn;
1. Verzoekt de Belgische regering :
de Volksrepubliek China aan te manen onmiddellijk een einde te maken aan alle beleidsmaatregelen en praktijken die de rechten van de persoon en de fundamentele vrijheden van de Tibetanen schenden;
met alle diplomatieke middelen steun te verlenen aan de door de Dalai Lama en de vertegenwoordigers van de Tibetaanse regering in ballingschap voorgestane procedures voor onderhandelingen met de Chinese autoriteiten met het oog op het verkrijgen van het zelfbeschikkingsrecht voor het Tibetaanse volk en de vestiging van een democratische vredeszone in Tibet;
druk uit te oefenen op de Volksrepubliek China om een einde te maken aan de geboortenbeperkingspolitiek die bestaat in de gedwongen sterilisatie en abortus van Tibetaanse vrouwen;
van de Volksrepubliek China te eisen dat zij een einde maakt aan de door haar gevoerde politiek van overbrenging van Chinese bevolking naar Tibet, wat overduidelijk in strijd is met artikel 49 van het Vierde Verdrag van Genève (1949);
erop aan te dringen dat alle Tibetaanse gewetensgevangenen in de Chinese gevangenissen en concentratiekampen in Tibet onmiddellijk worden vrijgelaten;
erop aan te dringen dat de Volksrepubliek China lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de door haar ondertekende verdragen naleeft, namelijk : het Verdrag van de Verenigde Naties tegen martelen (1984), het Verdrag inzake de opheffing van elke vorm van rassendiscriminatie (1966) en het Verdrag betreffende de rechten van het kind (1989), alsook dat de door het Europees Parlement, de Raad van Europa en de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers (maart 1994) aangenomen resoluties worden toegepast;
2. Verzoekt de Belgische regering de Europese Raad van ministers van Buitenlandse Zaken voor te stellen hieromtrent een standpunt in te nemen en dit kenbaar te maken aan de autoriteiten van de Volksrepubliek China;
3. Vraagt dat België alles in het werk stelt om te bereiken dat de resoluties 1353 (XIV), 1723 (XVI) en 2079 (XX) van de Verenigde Naties worden toegepast en dat de Tibetaanse regering in ballingschap onverwijld de status van waarnemer bij deze internationale instelling krijgt.
| Alain DESTEXHE. Michèle BRIBOSIA-PICARD. Pierre JONCKHEER. Vera DUA. Michel FORET. Magdeleine WILLAME-BOONEN. Eddy BOUTMANS. |