1-159/4

1-159/4

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

28 NOVEMBER 1995


Wetsontwerp betreffende de verlenging van bepaalde huurovereenkomsten


AMENDEMENTEN

ingediend na de goedkeuring van het verslag (Gedr. St. nr. 1 - 159/3)


Nr. 10 VAN DE HEREN DESMEDT EN FORET

(Hoofdamendement)

Art. 2

Dit artikel aan te vullen met de volgende leden :

« De huurovereenkomst wordt niet verlengd indien de verhuurder, vóór de inwerkingtreding van deze wet, met een nieuwe huurder een geregistreerd contract heeft gesloten.

Ze wordt evenmin verlengd indien de verhuurder de opzegging uitdrukkelijk heeft gemotiveerd overeenkomstig artikel 3, § 3, van afdeling 2, hoofdstuk II, titel VIII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek. »

Verantwoording

Zie verantwoording bij amendement nr. 1.

Nr. 11 VAN DE HEREN DESMEDT EN FORET

(Eerste subsidiair amendement)

Art. 2

Dit artikel te vervangen als volgt :

« De gevolgen van de door de verhuurder gedane opzegging om op 31 december 1995 een einde te maken aan de huurovereenkomsten die, met toepassing van artikel 16 van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur geacht worden te zijn ingegaan op 1 januari 1987, worden gedurende een jaar geschorst tot 31 december 1996. »

Verantwoording

Indien de Senaat het principe van de verlenging van bepaalde huurovereenkomsten aanvaardt, mag dat niet betekenen dat de opzeggingen die tijdig werden gedaan, nietig zijn. Dat betekent gewoon dat de opzegging pas na 31 december 1996 gevolgen heeft.

Dit amendement wil de tekst dus in overeenstemming brengen met wat te lezen staat in de memorie van toelichting van de regering : « in afwachting daarvan moet er een maatregel worden genomen om alle opzeggingen die door de verhuurders op geldige wijze vóór 30 juni 1995 zijn betekend, met een jaar te verlengen, tot 31 december 1996. » (Gedr. St. Kamer 133/1, blz. 2).

Dit amendement zorgt ervoor dat de verhuurder die de wet zorgvuldig heeft toegepast door een opzeggingstermijn van zes maanden in acht te nemen en de overeenkomst vóór 30 juni 1995 op te zeggen, niet opnieuw tot een dergelijke opzegging moet overgaan.

Nr. 12 VAN DE HEREN FORET EN DESMEDT

(Tweede subsidiair amendement)

Art. 2

Dit artikel aan te vullen met een tweede lid, luidende :

« Een huurovereenkomst betreffende dezelfde woning die gesloten is met een nieuwe huurder, een vaste dagtekening draagt van vóór 16 oktober 1995 en krachtens deze wet nietig is verklaard, verleent aan iedere partij het recht om van de Belgische Staat schadevergoeding te eisen. »

Verantwoording

Dit amendement wil de schade vergoeden van de partijen die een huurovereenkomst gesloten hebben die aan de wettelijke vereisten voldoet, en die het slachtoffer zijn van een « fait du prince ».

Om fraude te voorkomen, moet de huurovereenkomst een vaste dagtekening dragen van vóór 16 oktober 1995, de datum waarop het wetsontwerp in de Kamer is ingediend.

Nr. 13 VAN DE HEREN DESMEDT EN FORET

Art. 3bis (nieuw)

Een artikel 3bis (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 3 bis. ­ Tot 28 feburari 1996 kan de verhuurder zonder motivering de overeenkomstig de voorwaarden van artikel 2 verlengde huurovereenkomst opzeggen, mits hij een opzeggingstermijn van drie maanden in acht neemt en een vergoeding betaalt die overeenstemt met het bedrag van drie maanden huur. »

Verantwoording

Zie verantwoording bij amendement nr. 2.

Nr. 14 VAN DE HEREN DESMEDT EN FORET

Art. 3quater (nieuw)

Een artikel 3quater (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 3 quater. ­ In afwijking van de termijn bepaald in artikel 3, § 5, van afdeling 2, hoofstuk II, titel VIII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek kan de huurder, met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand, een einde maken aan de bij deze wet verlengde huurovereenkomst. »

Verantwoording

Zie verantwoording bij amendement nr. 3.

Nr. 15 VAN DE HEREN DESMEDT EN FORET

Art. 3quinquies (nieuw)

Een artikel 3quinquies in te voegen, luidende :

« Art. 3 quinquies. ­ Tot 31 december 1995 kan de verhuurder opnieuw opzegging doen voor een termijn van zes maanden om, overeenkomstig artikel 3, § 3, van afdeling 2, hoofdstuk II, titel VIII, boek III, van het Burgerlijk Wetboek, werkzaamheden uit te voeren aan het verhuurde goed. »

Verantwoording

Zie verantwoording bij amendement nr. 4.

Claude DESMEDT.
Michel FORET.

Nr. 16 VAN DE HEER GORIS

Art. 2

Dit artikel te vervangen als volgt :

« Art. 2. ­ Alle huurovereenkomsten die, als gevolg van een door de verhuurder gedane opzegging overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 20 februari 1991 houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur, tussen 31 december 1995 en 31 december 1996 verstrijken, worden met één jaar verlengd. »

Verantwoording

Het wetsontwerp schendt op grove wijze het gelijkheidsbeginsel.

In de vorm zoals het door de Kamer van volksvertegenwoordigers is aangenomen, zouden enkel de huurovereenkomsten worden verlengd die geacht zijn op 1 januari 1987 te zijn aangegaan en die op 31 december 1995 ingevolge opzegging door de verhuurder zouden eindigen.

Huurovereenkomsten die bijvoorbeeld op 2 januari zijn aangegaan voor negen jaar zouden niet worden verlengd. Huurovereenkomsten die niet onder toepassing van artikel 16 vallen maar wel eindigen op 31 december 1995, worden evenmin verlengd.

Er wordt met andere woorden slechts aan één beperkte categorie van huurders een voorlopige bescherming gegeven.

Onderhavig amendement wil de gelijkheid tussen de huurders herstellen door alle huurovereenkomsten die zijn opgezegd, doch niet ingevolge artikel 3, § 2, of § 3, met één jaar te verlengen, dit in afwachting van een ruim debat over de wijziging van de woninghuurwet. Deze wijziging ten gronde dient uiteraard voor 31 december 1996 tot stand te zijn gekomen.

Het is inderdaad de bedoeling te voorkomen dat een nieuwe overeenkomst met dezelfde huurder tegen een hogere prijs wordt afgesloten. Opzeggingen die vooral met dat doel zijn aangegaan, moeten worden voorkomen. Opzeggingen die zijn gedaan om redenen van eigen bewoning, bewoning door bloed- of aanverwanten of om redenen van opbouw, verbouwing of renovatie als omschreven in de artikelen 3, § 2 of § 3 van de wet van 20 februari 1991, moeten echter hun effect kunnen ressorteren.

Nr. 17 VAN DE HEER GORIS

Art. 2

Dit artikel aan te vullen met de volgende leden :

« Er is geen verlenging indien de verhuurder al een nieuwe overeenkomst heeft gesloten met een nieuwe huurder die vaste datum heeft verkregen, uiterlijk op 28 november 1995.

Er is evenmin verlenging indien de verhuurder overeenkomstig boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, artikel 3, § 2 of § 3, van het Burgerlijk Wetboek zijn opzegging uitdrukkelijk met redenen heeft omkleed »

Verantwoording

Bij het voorontwerp van wet heeft de Raad van State reeds opgemerkt dat dit de facto terugwerkende kracht heeft.

De terugwerkende kracht van een wet is niet goed te keuren omdat zij de rechtszekerheid en de contractvrijheid schendt.

In dit geval kan de terugwerkende kracht zeer onbillijke gevolgen hebben voor nieuwe huurders.

Wanneer immers de verhuurder tijdig de bestaande huurovereenkomst heeft opgezegd, wanneer er geen nieuwe overeenkomst met de bestaande huurder tot stand is gekomen doch wel een nieuwe overeenkomst met een nieuwe huurder, dan bestaat bij verlenging het gevaar dat de nieuwe huurder op 1 januari 1996 dakloos is ! Deze nieuwe huurder zal immers zelf zijn vroegere woning dienen te verlaten op 31 december 1995.

De minister heeft deze problemen toegegeven gedurende de commissiebesprekingen bij de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Dit amendement beoogt in zijn eerste lid de woonzekerheid van de betrokken nieuwe huurders te beschermen. De oude huurders die geen nieuwe overeenkomst met dezelfde eigenaar hebben willen afsluiten, zullen immers een andere woning gaan betrekken op 1 januari aanstaande.

De vereiste van een huurovereenkomst die is afgesloten en vaste datum heeft verkregen op heden, wordt gesteld om te vermijden dat er tussen de besprekingen en het van kracht worden van de wet misbruiken zouden plaatsvinden.

Het tweede lid van dit amendement voorziet uitdrukkelijk in de uitzondering dat huurovereenkomsten die om redenen van eigen bewoning, bewoning door bloed- of aanverwanten, opbouw, verbouwing of renovatie zijn opgezegd, niet worden verlengd.

Stef GORIS.