1-148/2 | 1-148/2 |
30 JANUARI 1996
Art. 1bis (nieuw)
Een artikel 1bis (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 1bis. Artikel 1 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek wordt vervangen als volgt :
« Voor de uitoefening van het recht van onderzoek bij artikel 56 van de Grondwet aan de Wetgevende Kamers toegekend, gelden de volgende regels.
Dit onderzoeksrecht omvat geen gerechtelijk onderzoek, maar bedoelt een in de Grondwet vastgelegd recht van onderzoek met aan het Wetboek van Strafvordering ontleende middelen. »
| Frederik ERDMAN. |
Art. 1ter (nieuw)
Een artikel 1ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 1ter. Artikel 2 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
« Ze omschrijft de opdracht van de commissie. Bij samenloop van een parlementair met een gerechtelijk onderzoek kan het normale verloop van het gerechtelijk onderzoek niet worden gehinderd. »
Verantwoording
1) Artikel 4 regelt de werkmethoden van de Kamer of de Commissie : de mogelijkheden voor onderzoek, de aanstelling van magistraten, e.a.
De bepaling dat de Kamer of de Commissie tijdens een onderzoek de opdracht kan uitbreiden of beperken wordt later opgenomen in het oorspronkelijk artikel 2 van de wet. In dit artikel 2 wordt ook best vermeld dat de Kamer de opdracht bepaalt en zo de bevoegdheid van de Commissie omschrijft.
2) Het parlementair onderzoek en het strafrechtelijk onderzoek hebben ieder hun eigen finaliteit. Er wordt algemeen aangenomen dat het niet de bedoeling kan zijn van een parlementair onderzoek zich in de plaats te stellen van een strafrechtelijk onderzoek. De beide soorten onderzoek moeten parallel kunnen verlopen met uitbreiding voor een specifieke finaliteit. Voor zover bekend is alleen in de Franse wetgeving voorzien dat een parlementair onderzoek niet kan samenlopen met een strafrechtelijke vervolging over dezelfde feiten. Het gelijklopen van beide soorten onderzoek is wel mogelijk in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten. In het algemeen belang en in het belang van de betrokkenen is het wel aangewezen dat een gerechtelijk strafonderzoek zijn normale weg kan volgen zelfs wanneer een parlementair onderzoek over dezelfde feiten wordt ingesteld.
| André BOURGEOIS. |
Art. 2
Het derde lid van het voorgestelde artikel 3 aanvullen als volgt :
« Wanneer tijdens de openbare zitting blijkt dat de behandeling in besloten vergadering moet worden voortgezet, kan de commissie daartoe onmiddellijk beslissen. »
Verantwoording
De noodzaak kan tijdens de werkzaamheden blijken (cf. artikel 95 van de nieuwe gemeentewet).
| Frederik ERDMAN. |
Art. 2
Het vierde lid van het voorgestelde artikel 3 aanvullen als volgt :
« Elke Kamer treft de maatregelen nodig voor het waarborgen van de naleving van de discretieplicht. »
Verantwoording
Een grote meerderheid is van mening dat het naleven van de discretieplicht essentieel is voor de goede werking van een onderzoekscommissie en voor het scheppen van een klimaat van vertrouwen voor de getuigen en deskundigen.
Daarom wordt best voorzien in middelen om de discretieplicht te doen naleven. Deze middelen kunnen evenwel geen strafrechtelijke sancties zijn. Daarom dringt een interne regel zich op in de vorm van een reglement van inwendige orde van de Kamer zelf.
| André BOURGEOIS. |
Art. 2
In het voorgestelde artikel 3 het vierde en het vijfde lid vervangen als volgt :
« De commissieleden zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verstrekt tijdens de niet-openbare commissievergaderingen. De commissie kan een passende sanctie opleggen aan ieder lid dat deze verplichting tot geheimhouding niet nakomt.
Ieder die, in welke hoedanigheid ook, de niet-openbare commissievergaderingen bijwoont of eraan deelneemt, is gehouden vooraf onder ede te verklaren het geheime karakter van de debatten te zullen naleven. »
| Claude DESMEDT. |
Art. 3
Het tweede lid van het voorgestelde artikel 4, § 1, doen vervallen.
Verantwoording
Zie amendement tot invoeging van een artikel 1ter (nieuw).
| André BOURGEOIS. |
Art. 1bis (nieuw)
Een artikel 1bis nieuw invoegen, luidende :
« Art. 1bis. Het recht van onderzoek, bij artikel 56 van de Grondwet aan de Wetgevende Kamers toegekend, heeft een ander doel dan een gerechtelijk onderzoek. Bij samenloop van een parlementair onderzoek met een gerechtelijk onderzoek mag het verloop van het gerechtelijk onderzoek niet worden gehinderd.
Voor de uitoefening van het recht van onderzoek gelden de volgende regels. »
| Frederik ERDMAN. Hugo COVELIERS. Claude DESMEDT. Hugo VANDENBERGHE. |
Art. 2
A. In het tweede lid van het voorgestelde artikel 3, na de woorden « tenzij de Kamer » invoegen de woorden « of de commissie ».
B. Het derde lid van dit artikel vervangen als volgt :
« De commissievergaderingen zijn openbaar.
De commissie kan echter op ieder tijdstip anders beslissen. »
Verantwoording
Het lijkt niet raadzaam om de besloten vergaderingen te beperken tot die waar getuigen of deskundigen worden gehoord.
De voorbereiding van de ondervraging van deskundigen bijvoorbeeld moet achter gesloten deuren kunnen gebeuren, anders kan het onderzoek daar nadeel van ondervinden.
C. In het voorlaatste lid van hetzelfde artikel de woorden « De leden van de commissie » vervangen door de woorden « De leden van de Kamer ... ».
D. Het laatste lid van hetzelfde artikel vervangen als volgt :
« De commissie kan de geheimhoudingsplicht opheffen tenzij zij zich uitdrukkelijk heeft verbonden om de geheimhouding in acht te nemen. »
(Subsidiair amendement)
Art. 2
Het laatste lid van het voorgestelde artikel 3 vervangen als volgt :
« De commissie kan de geheimhoudingsplicht opheffen, met uitzondering van hetgeen zij uitdrukkelijk niet openbaar wil maken .»
Verantwoording
Deze formule is meer beperkend.
Ze geeft wel aan dat de geheimhoudingsplicht niet slaat op een getuigenverklaring in haar geheel, maar bijvoorbeeld alleen op de identiteit van de getuige of op andere omstandigheden of feiten waaromtrent een uitdrukkelijke beslissing is genomen om ze tijdens het verhoor niet openbaar te maken.
Art. 3
A. Paragraaf 3 van het voorgestelde artikel 4 vervangen als volgt :
« § 3. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een beperking inhouden van de bewegingsvrijheid, een inbeslagneming van materiële goederen, een huiszoeking of het afluisteren, kennis nemen en opnemen van privécommunicatie of -telecommunicatie, is het optreden van de overeenkomstig § 2 aangestelde magistraat verplicht. »
Verantwoording
De aanhouding is niet vermeld [bijvoorbeeld de aanhouding van een getuige om voor de commissie te verschijnen (bevel tot medebrenging)].
B. Het tweede lid van § 4 van hetzelfde artikel vervangen als volgt :
« Zo deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent niet te kunnen ingaan op dit verzoek, kan de Kamer, de commissie of hun voorzitter in beroep gaan bij een college dat bestaat uit de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de voorzitter van het Arbitragehof en de eerste voorzitter van de Raad van State.
Dit college houdt zitting met gesloten deuren en hoort de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat binnen de kortst mogelijke tijd. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen en, in het bijzonder, met eerbiediging van de rechten van de verdediging. »
C. Paragraaf 5 van hetzelfde artikel vervangen als volgt :
« Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in bestuurszaken, richt de commissie een schriftelijk verzoek tot de bevoegde minister of staatssecretaris, die aan dat verzoek onmiddellijk gevolg geeft. »
Art. 4
Het voorgestelde artikel 8 vervangen als volgt :
« Art. 8. Andere personen dan leden van de Kamer die, in welke hoedanigheid ook, de niet-openbare commissievergaderingen bijwonen of eraan deelnemen, zijn gehouden vooraf onder ede te verklaren het geheime karakter van de werkzaamheden te zullen naleven. Schending van die geheimhouding wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van artikel 458 van het Strafwetboek.
Getuigen, tolken en deskundigen hebben tegenover de Kamer, de commissie of de aangestelde magistraat dezelfde verplichtingen als tegenover de onderzoeksrechter.
De oproeping van de getuigen geschiedt schriftelijk en, zo nodig, bij dagvaarding.
Vóór zijn verhoor doet de getuige opgave van zijn naam, voornamen, beroep, plaats en datum van geboorte en woonplaats.
De getuigen en de deskundigen leggen vervolgens de eed af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.
De deskundigen bevestigen hun mondelinge dan wel schriftelijke verslagen met de als volgt gestelde eed : « Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. »
Het proces-verbaal van de getuigenissen wordt getekend, hetzij onmiddellijk, hetzij uiterlijk vijftien dagen na de beëindiging van het verhoor, door de voorzitter en de getuige, nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en verklaard heeft te volharden bij zijn verklaringen.
Er mag niet tussen de regels geschreven worden; doorhalingen en verwijzingen worden door de voorzitter en de getuige goedgekeurd en getekend.
Hij die gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding te voldoen, op straffe van een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en een geldboete van vijfhonderd tot tienduizend frank. »
Verantwoording
Wat betreft het laatste lid van het artikel, zoals dat in het voorstel staat, kan men verwijzen naar het gemeen recht.
Art. 5
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 5. In artikel 10 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. Het eerste lid wordt vervangen als volgt :
« De processen-verbaal waarin wordt vastgesteld dat er aanwijzingen of vermoedens zijn van strafbare feiten, worden gezonden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep opdat daaraan gevolg wordt gegeven als naar recht. »
B. Het tweede lid wordt opgeheven. »
Verantwoording
Het nieuwe eerste lid van artikel 10 overlapt de bepalingen van het tweede lid van het huidige artikel 10.
Art. 6
Het voorgestelde artikel 12 vervangen als volgt :
« Art. 12. Overeenkomstig haar reglement stelt de Kamer onverwijld de middelen ter beschikking van de commissie die onontbeerlijk zijn voor de uitvoering van haar opdracht. »
(Subsidiair amendement)
Art. 6
De huidige tekst van artikel 12 van de wet onverkort behouden.
Art. 7
Dit artikel vervangen als volgt :
« Art. 7. In artikel 13 van dezelfde wet wordt vóór het eerste lid het volgende lid toegevoegd :
« De commissie maakt van haar werkzaamheden een verslag, dat openbaar is. Zij vermeldt haar conclusies en formuleert, in voorkomend geval, opmerkingen over de verantwoordelijkheden die door het onderzoek aan het licht zijn gebracht of voorstellen over een wijziging van de wetgeving. »
| Roger LALLEMAND. |
Art. 4
Het zevende lid van het voorgestelde artikel 8 aanvullen als volgt :
« De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn van toepassing. »
Verantwoording
Het is logisch dat de bepalingen van boek I van het Strafwetboek, bv. inzake de rechtvaardigings- en verschoningsgronden, de verzachtende omstandigheden enz., van toepassing zijn op de sanctie, zoals bepaald in het zevende lid van dit artikel.
Art. 3
Na § 2 van het voorgestelde artikel 4 een nieuwe paragraaf invoegen, luidende :
« § 3. De commissie kan eveneens, overeenkomstig de wet van 18 juli 1991, tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, aan de Vaste Comités P en I opdracht geven om de nodige onderzoeken te doen. »
Verantwoording
De artikelen 8 en 32 van de wet van 18 juli 1991 bepalen dat de Vaste Comités P en I optreden ofwel uit eigen beweging ofwel op verzoek van de Kamer, de Senaat, de bevoegde minister of de bevoegde overheid. De comités kunnen die bevoegdheid overdragen aan de Dienst Enquêtes.
Het is bijgevolg logisch dat een onderzoekscommissie, als bevoegde overheid, haar opdrachten rechtstreeks aan de Vaste Comités kan overmaken.
Art. 3
Paragraaf 4, tweede lid, van het voorgestelde artikel 4 aanvullen als volgt :
« Deze beslissing dient openbaar gemaakt te worden. »
Verantwoording
Onze democratie is gediend met een zo groot mogelijke openbaarheid inzake de werking van het Parlement in het algemeen en van elke parlementaire onderzoekscommissie in het bijzonder.
Indien men de beslissingen van het ad-hoc college niet aan de openbare opinie kenbaar maakt, riskeert men een aantal onterechte verdachtmakingen, met alle gevolgen vandien.
Bovendien ressorteert onderhavige vorm van geschillen- beslechting tot het verplicht openbaar rechtspreken.
Indien men de beslissing een openbaar karakter geeft door ze op te nemen in het verslag, is dit slechts een gedeeltelijke oplossing vermits het verslag meestal pas geruime tijd later gepubliceerd wordt.
Art. 4
Het zevende lid van het voorgestelde artikel 8 aanvullen als volgt :
« Indien de getuige weigert zijn getuigenis te tekenen, wordt daarvan melding gemaakt in het proces-verbaal. »
Verantwoording
De weigering om het proces-verbaal te tekenen dient als een ernstige tekortkoming beschouwd te worden. De sanctie moet gelijk zijn aan de toepassingen, zoals bepaald in artikel 77 van het Wetboek van strafvordering.
| Hugo COVELIERS. |
(Subamendement op amendement nr. 7 van de heer Erdman c.s.)
Art. 1bis (nieuw)
Het voorgestelde artikel 1bis (nieuw) vervangen als volgt :
« Art. 1bis. De Kamers oefenen het bij artikel 56 van de Grondwet toegekende recht van onderzoek uit overeenkomstig de volgende regels.
De door de Kamers ingestelde onderzoeken treden niet in de plaats van de onderzoeken van de rechterlijke macht; ze kunnen daarmee samenlopen maar mogen het verloop ervan niet hinderen. »
Verantwoording
Artikel 56 van de Grondwet verleent aan de Kamers een onbeperkt recht van onderzoek, dat dus zo ruim mogelijk is. Het kan dus niet worden betwist dat een parlementair onderzoek hetzelfde onderwerp zou kunnen hebben als een gerechtelijk onderzoek, namelijk een bepaald strafbaar feit, of zelfs een zelfde doel, namelijk het identificeren van degenen die het strafbaar feit hebben gepleegd.
Proberen het parlementair onderzoek nader te definiëren door zijn onderwerp of zijn doel te onderscheiden van die van het gerechtelijk onderzoek zou dus tot onduidelijkheid kunnen leiden.
De wetgever is niet bevoegd om de wil van de grondwetgever, wanneer die duidelijk is, te interpreteren door de strekking van een duidelijke grondwetsbepaling te willen beperken.
Het zou dus niet doeltreffend zijn om de grenzen van het parlementair onderzoek in de wet te definiëren, bij voorbeeld door het onderwerp, het doel of enig ander verschil ten opzichte van het gerechtelijk onderzoek, nader te willen preciseren.
Het aangestipte probleem lijkt eigenlijk betrekking te hebben op de noodzaak om het specifieke karakter van het gerechtelijk onderzoek, alsmede de onafhankelijkheid ervan ten opzichte van het parlementair onderzoek, te bewaren.
Het verschil tussen de rechterlijke macht en de Kamers wat betreft het recht van onderzoek blijkt trouwens reeds in de grondwetsbepaling aangezien de Kamers geen bevoegdheid hebben om te vervolgen.
Ten einde het onderscheid goed aan te geven, verduidelijkt het voorgestelde amendement dus dat het parlementair onderzoek kan samenlopen met het gerechtelijk onderzoek, maar niet in de plaats daarvan kan treden en er ook het verloop niet van mag hinderen.
| Roger LALLEMAND. |
Art. 1ter (nieuw)
Een artikel 1ter (nieuw) invoegen, luidende :
« Art. 1ter. In artikel 2 van dezelfde wet worden de woorden « Elke Kamer verricht zelf het onderzoek... » vervangen door de woorden « Binnen het kader van de opdracht die ze omschrijft, verricht elke Kamer zelf het onderzoek. »
| Robert HOTYAT. |
(Subamendement op amendement nr. 5 van de heer Desmedt)
Art. 2
Het voorgestelde vierde en vijfde lid vervangen als volgt :
« De leden van de Kamer zijn tot geheimhouding verplicht met betrekking tot de informatie verkregen naar aanleiding van de niet-openbare commissievergaderingen. Schending van de geheimhouding wordt gestraft met de sanctie bepaald in het reglement van de Kamer waartoe zij behoren. »
| Hugo VANDENBERGHE. Andrée DELCOURT-PÊTRE. Frederik ERDMAN. |
Art. 2
In het voorgestelde artikel 3, het vierde en het vijfde lid vervangen als volgt :
« De leden van de Kamer die informatie hebben bekendgemaakt verkregen naar aanleiding van de niet-openbare commissievergaderingen, worden gestraft overeenkomstig het reglement van de Kamer waartoe zij behoren.
De commissie kan die informatie openbaar maken, tenzij zij zich uitdrukkelijk heeft verbonden dat niet te doen.
Schending van de uitdrukkelijk door de commissie gewaarborgde geheimhouding wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. »
Verantwoording
De voorgestelde tekst voorziet in twee soorten straffen voor de schending van het geheim van de commissievergaderingen achter gesloten deuren :
1. een tuchtstraf voor de schending van het geheim van de besloten vergadering;
2. een strafsanctie die identiek is met die bepaald voor de schending van het beroepsgeheim, wanneer men zich niet houdt aan de geheimhouding die de commissie uitdrukkelijk heeft beloofd te zullen bewaren.
Deze laatste sanctie komt ook voor in een aantal buitenlandse rechtsstelsels, o.a. in Frankrijk.
De absolute bescherming die parlementsleden genieten wanneer zij hun mening uitbrengen in de uitoefening van hun functie (art. 58 van de Grondwet) wordt daarbij niet ter discussie gesteld.
Niet het uitbrengen van een mening is hier bedoeld, maar het onthullen van specifieke informatie die moet worden beschermd, of die de commissie heeft beloofd te zullen beschermen. Het zou kunnen gaan om een onderzoeksdossier, om de naam van een getuige, ...
Aangezien de parlementsleden enige macht hebben over derden, lijkt het normaal dat dezen de waarborg krijgen dat hun rechten worden beschermd.
De Raad van State heeft voor dit standpunt gekozen in zijn advies over het voorontwerp van wet tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de ministers (Gedr. St. Kamer 61/1 B.Z. 1995).
| Robert HOTYAT. |
Art. 3
Het voorgestelde artikel 4 wijzigen als volgt :
A) Het eerste lid van § 2 vervangen als volgt :
« § 2. Voor de uitvoering van onderzoeksverrichtingen die vooraf bepaald moeten worden, kan de Kamer of de commissie een verzoek richten tot de eerste voorzitter van het hof van beroep die een of meer raadsheren in het hof van beroep of een of meer rechters in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de onderzoeksverrichtingen moeten geschieden, aanstelt.
Voor de uitvoering van deze onderzoeksverrichtingen staat de aangestelde magistraat onder leiding van de voorzitter van de commissie. Hij stelt een schriftelijk verslag op waarin de resultaten van zijn onderzoek worden opgetekend. »
B) Paragraaf 3 aanvullen met een derde lid, luidende :
« De artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering betreffende de inbeslagneming van materiële goederen en het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie worden toegepast door de in het vorige lid bedoelde magistraat. »
| Hugo VANDENBERGHE. Andrée DELCOURT-PÊTRE. Frederik ERDMAN. |
Art. 3
In § 2, tweede lid, van het voorgestelde artikel 4 de woorden « wanneer hij van oordeel is dat ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen » doen vervallen.
| Hugo VANDENBERGHE. Andrée DELCOURT-PÊTRE. Frederik ERDMAN. |
Art. 3
Paragraaf 3 van het voorgestelde artikel 4 vervangen als volgt :
« § 3. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een beperking inhouden van de bewegingsvrijheid, een inbeslagneming van materiële goederen, een huiszoeking of het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie omvatten, is het optreden van de overeenkomstig § 2 aangestelde magistraat, met toepassing van de artikelen 35 tot en met 39 en 90ter tot en met 90novies van het Wetboek van Strafvordering verplicht. »
| Frederik ERDMAN. Hugo VANDENBERGHE. |
(Subamendement op amendement nr. 10, B, van de heer Lallemand)
Art. 3
In het tweede lid van § 4, voorgesteld door het amendement, de tweede volzin vervangen als volgt :
« Dit college houdt zitting met gesloten deuren en regelt de procedure. Het kan de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat op zeer korte termijn horen. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing uitgesproken in openbare vergadering, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen en, in het bijzonder, met eerbiediging van de rechten van verdediging. »
| Hugo VANDENBERGHE. Andreé DELCOURT-PÊTRE. Frederik ERDMAN. |
(Subamendement op amendement nr. 11 van de heer Lallemand)
Art. 4
Het derde lid van het voorgestelde artikel 8 doen aanvangen met de volzin : « Een ieder kan als getuige opgeroepen worden. »
| Hugo VANDENBERGHE. Andreé DELCOURT-PÊTRE. Frederik ERDMAN. |
(Subamendement op amendement nr. 11 van de heer Lallemand)
Art. 4
Het vierde lid van het voorgestelde artikel 8 doen aanvangen met de volgende bepaling :
« Alvorens te worden gehoord, vertonen de getuigen de uitnodiging of de dagvaarding waarbij zij worden opgeroepen om te getuigen; daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. »
| Hugo VANDENBERGHE. Frederik ERDMAN. |
(Subamendement op amendement nr. 11 van de heer Lallemand)
Art. 4
Aan het voorgestelde artikel 8 een lid toevoegen, luidende :
« Onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan iedere getuige aanvoeren dat hij, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zich zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren. »
| Hugo VANDENBERGHE. Andrée DELCOURT-PÊTRE. Frederik ERDMAN. |
Art. 8
Dit artikel vervangen als volgt :
« In artikel 458 van het Strafwetboek worden tussen de woorden « buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte » en de woorden « getuigenis af te leggen » ingevoegd de woorden « of voor een parlementaire onderzoekscommissie. »
Verantwoording
De tekst van artikel 458 van het Strafwetboek luidt als volgt :
« ... personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in recht getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft... » enz.
Volgens de woorden van artikel 8 van het voorstel wordt overwogen aan de uitzonderingen opgenomen in dat artikel toe te voegen de informatie bekendgemaakt bij het verschijnen voor een parlementaire onderzoekscommissie. In dat geval zou deze nieuwe uitzondering in de tekst van artikel 458 beter op haar plaats zijn naast die betreffende de getuigenis, veel meer dan naast de bepaling waarin de wet degenen die kennis dragen van geheimen verplicht deze geheimen bekend te maken.
De tweede uitzondering beoogt immers bijzondere gevallen waar de wet sommige verklaringen oplegt ten aanzien waarvan het beroepsgeheim niet kan worden ingeroepen : geboorteaangifte (art. 361 van het Strafwetboek), aangifte van sommige besmettelijke ziekten, aangiftes van inkomens in belastingzaken, enz.
Het lijdt geen twijfel dat het verschijnen voor een parlementaire onderzoekscommissie minder lijkt op die bijzondere gevallen dan op de getuigenis, waarbij het degenen die uit hoofde van hun beroep kennis dragen van een geheim, vrij staat om zich op dat beroepsgeheim te beroepen of niet.
| Andrée DELCOURT-PÊTRE. |