1-148/1

1-148/1

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996

7 NOVEMBER 1995


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek en van artikel 458 van het Strafwetboek (1)

(Ingediend door de heer Vandenberghe c.s.)


TOELICHTING


1. Inleiding

Dit voorstel heeft tot doel de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek te wijzigen op grond van de overeenstemming die werd bereikt in de gemengde werkgroep van de Senaat en de Kamer van volksvertegenwoordigers [zie verslag van de werkgroep ­ Gedr. St. Senaat 429-1 (B.Z. 1991-1992)].

De ervaring opgedaan door de onderzoekscommissies die zowel door de Kamer van volksvertegenwoordigers als door de Senaat in het recente verleden werden opgericht, heeft de lacunes in de bestaande wet duidelijk laten blijken.

Op grond van deze ervaring werd een gemengde werkgroep opgericht die zich diende te buigen over de veranderingen die wenselijk en nodig werden geacht. De werkzaamheden van deze werkgroep zijn zeer vlot verlopen en hebben geresulteerd in een voorstel dat nu aan de Senaat wordt voorgelegd.

De werkgroep was het er van bij de aanvang van haar werkzaamheden over eens dat een onderzoek van de bestaande wet zich opdrong op het vlak van de materiële en formele bevoegdheid van de onderzoekscommissie, het beroepsgeheim, de samenloop van het parlementair met het gerechtelijk onderzoek, de geheimhoudingsplicht en de afsluiting en de gevolgen van de parlementaire onderzoeken.

2. Algemene toelichting

Gelet op de onmiskenbaar belangrijke maatschappelijke weerslag van een parlementair onderzoek is het belangrijk dat de finaliteit ervan ondubbelzinnig omschreven wordt. Een precieze omschrijving dringt zich ook op om een grondige herziening van de bestaande wet op het vlak van de verschillende deelproblemen te kunnen verwezenlijken.

Het parlementair onderzoek is in de eerste plaats dienstig voor de werkzaamheden van het Parlement zelf. Het dient de nodige informatie te bezorgen aan het Parlement, in functie van zowel zijn wetgevende als zijn controlerende opdracht en voor zover de gewone parlementaire middelen daartoe onvoldoende blijken te zijn. Wanneer het Parlement bijvoorbeeld, naar aanleiding van concrete feiten, het falen of het haperen vaststelt van de goede werking van de overheid, verleent artikel 56 van de Grondwet deze instelling het recht om, middels een parlementair onderzoek, hierin zo mogelijk via wetgevend werk een verbetering aan te brengen.

In de tweede plaats moet het werk van de onderzoekscommissie het Parlement in staat stellen politieke verantwoordelijkheden vast te stellen.

Het is pas in de laatste plaats, en slechts als een nevenprodukt van de onderzoeksbevoegdheden die aan de parlementaire onderzoekscommissie worden toevertrouwd, dat een onderzoekscommissie de feiten die zij vaststelt en die mogelijk als een misdrijf kunnen worden gekwalificeerd, aan het parket voor gevolg « als naar recht » kan overmaken.

Om zich te kunnen informeren, beschikt het Parlement over uitgebreide onderzoeksbevoegdheden.

De verwarring die in het verleden vaak tot onnodige wrijvingen aanleiding gaf tussen het Parlement en de rechterlijke macht valt terug te brengen tot een begripsverwarring tussen het doel van een parlementaire onderzoekscommissie en de materiële middelen waarover zij beschikt om dit doel te verwezenlijken.

Het parlementair onderzoek voert echter geen gerechtelijk onderzoek maar oefent het in de Grondwet vastgelegd recht van onderzoek uit met aan het Wetboek van Strafvordering ontleende middelen.

Artikel 56 van de Grondwet, dat het recht van onderzoek aan de Wetgevende Kamers toekent, moet dus samen met de andere artikelen van de Grondwet, o.m. deze betreffende de rechterlijke macht, worden gelezen en begrepen.

2.1. Bevoegdheid van de parlementaire onderzoekscommissie

Om doeltreffend te kunnen werken dient een onderzoekscommissie over een ruime materiële onderzoeksbevoegdheid te beschikken. Aangezien de huidige bevoegdheidsomschrijving, zoals gezegd, tot onnodige misverstanden en zelfs wrijvingen heeft geleid, is het aangewezen die omschrijving te herzien.

De verwijzing naar de bevoegdheden van de onderzoeksrechter heeft in het verleden wellicht ongewild de indruk doen ontstaan dat een parlementaire onderzoekscommissie de onderzoekstaak van de rechterlijke macht op zich nam. In het voorstel is geopteerd voor een andere formulering waarbij de onderzoekscommissies alle materiële bevoegdheden behouden maar waarbij de verwijzing naar de onderzoeksrechter verdwijnt.

2.2. Beroepsgeheim

Ook op het vlak van het beroepsgeheim hebben zich in het verleden problemen voorgedaan. Aangezien de huidige wet ter zake niets bepaalt, hebben getuigen die voor de commissie dienden te verschijnen alle mogelijke « geheimhoudingsplichten » ingeroepen : het beroepsgeheim, het ambtsgeheim, het gegeven woord.

De werkgroep stelt dan ook een regeling voor naar analogie met de wettelijke regeling van het beroepsgeheim in artikel 458 van het Strafwetboek.

2.3. Samenloop van het parlementair onderzoek met het gerechtelijk onderzoek

Binnen de werkgroep bestond er weinig twijfel over het principieel recht van het Parlement om inzage te nemen van de dossiers van een hangend gerechtelijk onderzoek. Wel moet er in bijzondere waarborgen worden voorzien, die van die aard zijn dat het normale verloop van het gerechtelijk onderzoek niet wordt gehinderd en dat de positie van de betrokken partijen niet wordt geschaad.

De werkgroep heeft op dat vlak een arbitrageformule uitgewerkt.

3. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet dient elk wetsvoorstel of wetsontwerp te vermelden of het een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 74, artikel 77 of artikel 78 van de Grondwet.

Dit voorstel betreft een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Artikel 2

De ervaring die de Senaat in de zogenaamde Gladiocommissie heeft opgedaan, heeft aangetoond dat het absoluut vereist is dat een parlementaire onderzoekscommissie zeer discreet kan werken.

Daarom is het nodig dat de Kamer of de Senaat het recht van haar leden om de commissievergadering bij te wonen, kan beperken. Er wordt dan ook voorgesteld om het tweede lid van artikel 3 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, en dat luidt als volgt :

« Ieder lid van de Kamer heeft het recht om het onderzoek van de commissie bij te wonen. »,

met de volgende bepaling aan te vullen : « ... tenzij de Kamer anders beslist ».

Omwille van de duidelijkheid en eenvormigheid wordt eveneens voorgesteld om het eerste deel van dit tweede lid in het Frans als volgt te wijzigen : « Tout membre de la Chambre a le droit d'assister à l'enquête de la commission. »

Eenmaal de Kamer echter tot openbaarheid heeft beslist, kan de onderzoekscommissie daar niet meer op terug komen.

Door deze bepaling kan de plenaire vergadering dus beslissen dat de leden van de Kamer of de Senaat, die geen lid zijn van de commissie, de werkzaamheden van de commissie niet kunnen bijwonen.

Om deze discretie van de werkzaamheden verder te waarborgen wordt voorgesteld aan artikel 3 van de wet een vierde lid toe te voegen dat een discretieplicht oplegt aan alle leden van de commissie. Ook degenen die « in welke hoedanigheid ook » de werkzaamheden ervan bijwonen of eraan deelnemen zijn tot discretie gehouden ten aanzien van de informatie verstrekt tijdens de niet-openbare zittingen van de commissie. Hiermee worden de commissiesecretarissen, de tolken, de stenografen en het andere personeel bedoeld.

De expliciete verwijzing naar deze discretieplicht is noodzakelijk omdat het recht van onderzoek van de Kamers al te vaak op de helling is gezet door sommige leden die het niet zo nauw namen met die verplichting.

Het gebrek aan discretie wordt dan een argument dat al te gemakkelijk wordt ingeroepen door onwillige getuigen.

Aangezien het echter mogelijk moet zijn om, wanneer het behoud ervan niet noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht van onderzoek, deze discretieplicht op te heffen, wordt eveneens voorgesteld om een vijfde lid in die zin aan artikel 3 toe te voegen.

Artikel 3

Dit artikel stelt voor artikel 4 van de wet van 3 mei 1880 te wijzigen.

In de eerste plaats wordt voorgesteld de verwijzing naar de onderzoeksrechter, in het eerste lid van het huidige artikel, te vervangen door een verwijzing naar de onderzoeksmaatregelen die in het Wetboek van Strafvordering zijn opgesomd. Op die manier behoudt de parlementaire onderzoekscommissie de volledige beschikking over de meest uitgebreide onderzoeksmaatregelen maar wordt de verwarrende verwijzing naar de onderzoeksrechter definitief gebannen. Daarnaast wordt de bevoegdheid van de Voorzitter van de Kamer of van de onderzoekscommissie om die onderzoeksmaatregelen op eigen initiatief te bevelen, afhankelijk gemaakt van een habilitatie door hetzij de Kamer hetzij de commissie. Het betreft hier een specifieke machtiging per onderzoeksmaatregel.

Het tweede lid van het huidige artikel 4 verdwijnt omdat de Kamer die het onderzoek gelast onmogelijk op voorhand kan weten welke onderzoeksmaatregelen al dan niet nodig zullen zijn om het onderzoek te voeren. Uiteraard zal een onderzoekscommissie alleen die onderzoeksmaatregelen nemen die haar dienstig lijken voor het onderzoek.

Om die reden wordt voorgesteld die bepaling te vervangen en te voorzien in de mogelijkheid om de opdracht van de commissie in de loop van het onderzoek uit te breiden of in te perken. Deze regeling sluit aan bij de inmiddels opgedane ervaring en maakt het mogelijk de in de loop van het onderzoek opgedane kennis efficiënter te oriënteren of het onderzoeksterrein strikter af te bakenen.

Het voorstel vervangt eveneens het huidige derde lid van artikel 4, dat voorziet in een delegatiemogelijkheid, door een tweede en derde paragraaf. In deze twee paragrafen wordt de mogelijkheid gecreëerd om, voor het stellen van bepaalde onderzoeksdaden, een beroep te doen op een magistraat. In het verleden is immers al te vaak gebleken dat een onderzoekscommissie, hoewel zij in theorie over ruime middelen beschikt, te weinig tijd, ervaring of gerechtsdeskundigheid heeft om bepaalde onderzoeksdaden materieel behoorlijk tot uitvoering te brengen. Voor sommige delicate onderzoeksdaden wordt het beroep op een magistraat een verplichting.

In de tweede paragraaf worden de modaliteiten van die mogelijkheid uitgewerkt.

Na advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep kan de onderzoekscommissie één of meer raadsheren van het hof van beroep of rechters in de rechtbank van eerste aanleg aanstellen voor het uitvoeren van op voorhand bepaalde onderzoeksverrichtingen. Bij ontstentenis van een advies, wordt dit advies geacht te zijn gegeven.

De raadsheren behoren tot het rechtsgebied waarin de onderzoeksdaden moeten worden verricht.

Om het voorgestelde systeem voldoende soepelheid te verlenen, wordt een bepaling toegevoegd dat de aangestelde magistraat buiten zijn ambtsgebied kan optreden wanneer ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen.

De aanstelling van een magistraat is geen detachering waardoor de rechter zijn statuut zou verliezen. In het voorgestelde systeem blijft hij lid van de rechterlijke macht (inzake onafhankelijkheid en tuchtrechtelijk statuut). Hij wordt wel tijdelijk onttrokken aan zijn gebruikelijk werk maar blijft onderworpen aan het statuut, de tucht en de deontologie van de rechterlijke macht. Hij behoudt eveneens zijn anciënniteit en het recht op benoemingen. In tegenstelling tot de onderzoeksrechter echter valt de betrokken magistraat niet onder het rechtstreekse toezicht van de procureur-generaal omdat het niet om een strafrechtelijk onderzoek gaat. Hij krijgt de voor de onderzoekscommissies opgesomde bevoegdheid en werkt onder het toezicht en de leiding van de voorzitter van de commissie. Van het resultaat van zijn onderzoek stelt hij een verslag op dat aan de commissie wordt overgemaakt.

Uiteraard moet de magistraat instemmen met zijn aanstelling.

In de derde paragraaf worden de specifieke onderzoeksdaden opgesomd ­ de inbeslagname van materiële goederen en de huiszoeking ­ waarvoor de commissie verplicht is een beroep te doen op een magistraat. Het betreft hier onderzoeksdaden waarvoor de ervaring van een magistraat nuttig is voor de correcte uitvoering ervan, vooral met het oog op de bescherming van de belangen van de betrokken partijen.

Een vierde paragraaf regelt het inzagerecht van de parlementaire onderzoekscommissie in gerechtelijke dossiers. Het a priori uitsluiten van het inzagerecht in lopende of toekomstige gerechtelijke onderzoeken maakt het onmogelijk een volledig onderzoek te voeren.

In de zogenaamde Gladiocommissie is er een informele en vruchtbare samenwerking geweest met het college van procureurs-generaal. Het is echter duidelijk dat het probleem van het inzagerecht een wettelijke regeling moet krijgen, waarbij rekening moet worden gehouden met de rechten van de verdediging in hangende dossiers, zonder het principieel inzagerecht van een parlementaire onderzoekscommissie aan te tasten.

De commissie kan een afschrift van de onderzoeksverrichtingen en proceshandelingen die noodwendig geacht worden, vragen aan de procureur-generaal of de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof.

Wanneer deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent op dit verzoek niet te kunnen ingaan, wordt er in een arbitrage voorzien waarbij een beroep wordt gedaan op een college samengesteld uit leden van het Arbitragehof.

Dit ad hoc -college houdt zitting met gesloten deuren en hoort de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen, in het bijzonder de eerbiediging van de rechten van de verdediging.

Het voorstel bevestigt dus het principieel inzagerecht van een onderzoekscommissie, zelfs in lopende gerechtelijke onderzoeken.

Dit voorstel werkt een oplossing uit met behoud van het principe van de geheimhouding in strafzaken. Het parlementair onderzoek heeft immers een ander doel en een eventueel beroep op een college, bestaande uit leden van het Arbitragehof, zal er in de allereerste plaats op gericht moeten zijn om, enerzijds het strafrechtelijk onderzoek niet onmogelijk te maken en, anderzijds, de rechten van de verdediging niet te schenden (zoniet wordt een veroordeling onmogelijk).

Het beroep op een college samengesteld uit leden van het Arbitragehof maakt de eventuele inroeping van de schending van de rechten van de verdediging tijdens het strafproces onmogelijk omdat precies dit hoog college de garantie moet geven dat die rechten niet geschonden worden door de uitoefening van het inzagerecht.

De woorden « in het bijzonder » impliceren een motiveringsplicht. Het woord « definitief » moet duidelijk maken dat het gaat om de beslissing van een ad hoc -college volgens een ad hoc -procedure waartegen niet kan worden opgekomen met welkdanig rechtsmiddel zoals hoger beroep of cassatieberoep.

In een vijfde paragraaf wordt het inzagerecht geregeld in bestuurszaken.

Artikel 4

Dit artikel stelt voor de verschijning van de getuigen voor een onderzoekscommissie te regelen in het licht van de recente ervaring. Zo wordt onder meer gepreciseerd dat de getuige schriftelijk wordt opgeroepen en slechts « zo nodig » bij dagvaarding. Daarnaast wordt de sanctie voor het niet-verschijnen expliciet in de wet opgenomen. Ook wordt bepaald dat van deze oproeping in het proces-verbaal moet worden melding gemaakt.

Alleen het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek kan worden ingeroepen om getuigenis te weigeren. Maar dan wel het beroepsgeheim zoals het door de rechtsleer is uitgelegd in de loop der tijd (cf. de woorden « die door zijn staat... »). Met andere woorden : de gehele theorie omtrent artikel 458 van het Strafwetboek, die betrekking heeft op de strafprocedure, moet integraal worden toegepast op de onderzoekscommissies. Het functie- of ambtsgeheim valt daar niet onder en kan dus niet worden ingeroepen.

Daarnaast lijkt het aangewezen om het recht geen getuigenis af te leggen, als men zich daardoor aan strafvervolging zou kunnen blootstellen, nu expliciet in de wettekst op te nemen. Dit belet niet dat de opgeroepene voor de commissie moet verschijnen en de eed afleggen. Het is pas na het vervullen van deze formaliteiten dat hij dit recht kan inroepen.

De getuigen en de deskundigen leggen voortaan de eed af die voor de onderzoeksrechter wordt gebruikt. Voor de deskundigen wordt in een aparte eedformule voorzien voor hun verslagen.

Tenslotte wordt een precieze regeling uitgewerkt i.v.m. het proces-verbaal van de getuigenissen.

Artikel 5

In het verleden bestond er geen eensgezindheid over het feit of artikel 10 van de wet van 3 mei 1880 enkel betrekking had op het misdrijf bedoeld in artikel 9 van dezelfde wet dan wel op elk misdrijf. Om die twijfel weg te nemen, wordt voorgesteld in het eerste lid duidelijk te bepalen dat artikel 10 enkel betrekking heeft op de valse getuigenis bedoeld in artikel 9.

Aangezien de onderzoekscommissie zelf geen misdrijf kan vaststellen, wordt het eerste lid van artikel 10 zodanig aangepast dat, wanneer de commissie een inbreuk op artikel 9 vermoedt, de voorzitter het parket daarvan in kennis stelt om daaraan het gepaste gevolg te geven.

Uiteraard kan de onderzoekscommissie, wanneer zij op grond van haar onderzoek meent dat er van andere misdrijven sprake kan zijn, haar bevindingen aan het parket voor gevolg « als naar recht » overmaken.

Artikel 6

Op grond van de recente ervaring met onderzoekscommissies is ongeveer iedereen het erover eens dat deze commissies over te weinig middelen beschikken om hun opdracht naar behoren uit te voeren en dat ze zelf moeten kunnen bepalen welke middelen ze nodig hebben.

Er wordt dan ook voorgesteld artikel 12 van de wet van 3 mei 1880 in die zin aan te passen.

Het voorstel beoogt de betrokken Kamer te verplichten de middelen ter beschikking te stellen die de onderzoekscommissie onontbeerlijk acht voor de uitoefening van haar opdracht. Dit artikel heeft dus vooral een signaalfunctie : eenmaal de onderzoekscommissie, en niet de Kamer, heeft bepaald welke middelen ze nodig heeft, moet de quaestuur die middelen ter beschikking stellen.

Artikel 7

Er wordt voorgesteld aan artikel 13 van de wet van 3 mei 1880 een lid toe te voegen dat de onderzoekscommissie de verplichting oplegt een verslag te maken met het oog op aanbevelingen tot wetswijzigingen en/of het aanduiden van de politieke, ministeriële verantwoordelijkheid en, in voorkomend geval, het mededelen van feiten en vragen te stellen i.v.m. de mogelijke strafrechtelijke (maar niet de burgerlijke) aansprakelijkheid.

Dit verslag moet in ieder geval worden medegedeeld aan de betrokken Kamer die de rest van de procedure regelt overeenkomstig haar Reglement. Het lijkt alleszins logisch dat het verslag wordt besproken in de bevoegde commissie en in plenaire vergadering.

Artikel 8

Het laatste artikel stelt voor om, als een noodzakelijke aanvulling op de regeling van het beroepsgeheim volgens de voorgestelde wijziging van artikel 8 van de wet van 3 mei 1880, de inroeping van het beroepsgeheim voor de parlementaire onderzoekscommissie, op te nemen in artikel 458 van het Strafwetboek.

Hugo VANDENBERGHE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet :

Art. 2

Artikel 3 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek wordt vervangen als volgt :

« Artikel 3. ­ De commissie wordt samengesteld en beraadslaagt met inachtneming van de regels die de Kamer bepaalt.

Ieder lid van de Kamer heeft het recht om het onderzoek van de commissie bij te wonen, tenzij de Kamer anders beslist.

De vergaderingen waarop getuigen of deskundigen worden gehoord zijn openbaar, tenzij de commissie anders beslist.

De leden van de commissie alsmede degenen die in welke hoedanigheid ook de werkzaamheden ervan bijwonen of eraan deelnemen, zijn tot discretie gehouden ten aanzien van de informatie verstrekt tijdens de niet-openbare zittingen van de commissie.

De commissie kan de discretieplicht opheffen. »

Art. 3

Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Artikel 4. ­ § 1. De Kamer of de commissie, alsook hun voorzitter voor zover deze daartoe gemachtigd wordt, kunnen alle in het Wetboek van Strafvordering omschreven onderzoeksmaatregelen nemen.

De Kamer of de commissie kan tijdens de loop van een onderzoek de opdracht uitbreiden of beperken.

§ 2. De Kamer of de commissie kan, na advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep, voor het uitvoeren van op voorhand welbepaalde onderzoeksverrichtingen, één of meerdere raadsheren in het hof van beroep of rechters in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, waarin de onderzoeksverrichtingen moeten geschieden, aanstellen.

De aangestelde magistraat kan, wanneer hij van oordeel is dat ernstige en dringende omstandigheden zulks vereisen, buiten zijn ambtsgebied optreden en zijn onderzoek tot heel het Rijk uitbreiden.

§ 3. Wanneer de onderzoeksmaatregelen een inbeslagneming van materiële goederen of een huiszoeking omvatten, is de in de tweede paragraaf bedoelde aanstelling verplicht.

§ 4. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in criminele, correctionele, politie- en tuchtzaken richt de commissie een schriftelijk verzoek tot het lichten van een afschrift van de onderzoeksverrichtingen en de proceshandelingen die noodwendig geacht worden, tot de procureur-generaal bij het hof van beroep of de auditeur-generaal bij het Militair Hof.

Zo deze magistraat bij gemotiveerde beslissing meent niet te kunnen ingaan op het verzoek, kan de Kamer, de commissie of hun voorzitter hiertegen bezwaar indienen bij een ad hoc -college, samengesteld uit drie leden van het Arbitragehof, met name de voorzitter, het oudste lid magistraat en het oudste lid gewezen parlementslid; dit college houdt zitting met gesloten deuren en hoort de voorzitter van de commissie en de betrokken magistraat. Het beslecht het geschil definitief en bij gemotiveerde beslissing, met inachtneming van de aan de orde gestelde belangen, in het bijzonder de eerbiediging van de rechten van verdediging.

§ 5. Wanneer inlichtingen moeten worden opgevraagd in bestuurszaken, richt de commissie een schriftelijk verzoek tot de bevoegde minister of staatssecretaris, die aan dat verzoek onmiddellijk gevolg moet geven. »

Art. 4

Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Artikel 8. ­ Getuigen, tolken en deskundigen hebben tegenover de Kamer, de commissie of de aangestelde magistraat gelijke verplichtingen als tegenover de onderzoeksrechter.

Een ieder kan opgeroepen worden als getuige. De oproeping geschiedt schriftelijk en zo nodig bij dagvaarding.

Vooraleer te worden gehoord, vertonen de getuigen de uitnodiging of de dagvaarding waarbij zij zijn opgeroepen om te getuigen; daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. Alvorens te worden gehoord, doet de getuige opgave van zijn naam, voornaam, beroep, plaats en datum van geboorte en woonplaats.

De getuigen en deskundigen leggen de eed af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.

De deskundigen bevestigen hun mondelinge dan wel schriftelijke verslagen met de als volgt gestelde eed : « Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. »

Het proces-verbaal van de getuigenissen wordt getekend, hetzij onmiddellijk, hetzij uiterlijk 10 dagen na beëindiging van het verhoor, door de voorzitter en de getuige, nadat deze daarvan voorlezing heeft gekregen en verklaard heeft daarbij te volharden. Er mag niet tussen de regels geschreven worden; doorhalingen en verwijzingen worden door de voorzitter en de getuige goedgekeurd en getekend.

Hij die gedagvaard wordt om als getuige te worden gehoord, is gehouden te verschijnen en aan de dagvaarding te voldoen, op straffe van een gevangenisstraf van 8 dagen tot 6 maanden en een geldboete van vijfhonderd tot tienduizend frank.

Onverminderd het inroepen van het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek, kan iedere getuige inroepen dat hij zich, door naar waarheid een verklaring af te leggen, zou kunnen blootstellen aan strafvervolging en derhalve getuigenis weigeren. »

Art. 5

Het eerste lid van artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Wanneer een inbreuk wordt vermoed op artikel 9, geeft de voorzitter van de commissie daarvan kennis aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, opdat daaraan gevolg wordt gegeven als naar recht. »

Art. 6

Artikel 12 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :

« Artikel 12. ­ De Kamer stelt onverwijld de middelen ter beschikking die de commissie onontbeerlijk acht voor de uitvoering van haar taak. »

Art. 7

Artikel 13 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgend lid :

« Van de werkzaamheden van de commissie wordt een verslag opgesteld waarin conclusies worden geformuleerd met het oog op aanbevelingen tot wetswijziging en/of het vaststellen van verantwoordelijkheden. »

Art. 8

In artikel 458 van het Strafwetboek worden de woorden « of een parlementaire onderzoekscommissie » ingevoegd tussen de woorden « ... de wet... » en de woorden « ... hen verplicht die geheimen bekend te maken,... ».

Hugo VANDENBERGHE.
Roger LALLEMAND.
Hugo COVELIERS.
Frederik ERDMAN.
Claude DESMEDT.
Andrée DELCOURT-PÊTRE.
Jan LOONES.

(1) Dit wetsvoorstel werd in de Senaat reeds ingediend op 9 juli 1992, onder het nummer 446-1 (B.Z. 1991-1992).