Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 8-408

van Kelly Van Tendeloo (Vooruit) d.d. 13 maart 2026

aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris

Gemeentelijke burgerlijke dienst - Officiële woonplaatsgegevens - Gegevens uit de bevolkingsregister - Beschikbaarstelling - Burgers met een legitiem belang - Vlottere procedure - Maatregelen

Chronologie

13/3/2026Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 16/4/2026)
15/4/2026Antwoord

Vraag nr. 8-408 d.d. 13 maart 2026 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

In het Vlaams Parlement stelde ik aan de Vlaams minister van Binnenland, Steden- en Plattelandsbeleid, Samenleven, Integratie en Inburgering, Bestuurszaken, Sociale Economie en Zeevisserij, Hilde Crevits, onderstaande vragen om ervoor te zorgen dat bestaande Vlaamse wetgeving in verband met bescherming van de huurders beter gegarandeerd kan worden. De minister antwoorde op beide vragen:

«1. De mededeling van informatiegegevens die in de bevolkingsregisters zijn opgenomen, wordt geregeld door het koninklijk besluit van 16 juli 1992 [betreffende het verkrijgen van informatie uit de bevolkingsregisters en uit het vreemdelingenregister] dat de voorwaarden tot afgifte van een uittreksel of getuigschrift nauwkeurig bepaalt.

Dit is een federale materie die niet tot mijn bevoegdheid behoort.

In een FAQ [«frequently asked questions»] van de federale overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken lees ik dat elke persoon een uittreksel uit de bevolkingsregisters of een getuigschrift kan verkrijgen, voor zover de informatiegegevens op zichzelf betrekking hebben.

Gaat het daarentegen om een derde persoon, dan bepaalt artikel 3 van dat koninklijk besluit dat iedereen – zowel natuurlijke personen als publieke of private instellingen – een uittreksel uit de registers of een getuigschrift kan verkrijgen op voorwaarde dat de afgifte van die documenten door of krachtens de wet is voorgeschreven of toegestaan.

Bij gebrek aan een wettelijke of reglementaire bepaling als bewijs, kunnen de gemeenten geen informatiegegevens uit de bevolkingsregisters aan derden meedelen.

Die wettelijke of reglementaire grondslag moet in principe aangetoond worden door de aanvrager.

Het behoort niet tot mijn bevoegdheid om te beoordelen of er in dit geval een wettelijke of reglementaire grondslag is.

Indien de huurder geen grondslag kan aantonen, lijkt er mijn geen andere oplossing dan zich tot de vrederechter te richten.

2. Dit is een federale materie waarin ik geen initiatieven kan nemen.»

Daarom richt ik graag dezelfde vraag aan u:

Een verhuurder kan het huurcontract altijd opzeggen wanneer hij zelf in het verhuurde pand wil wonen. Hij moet daarbij een opzegtermijn van zes maanden naleven. Wanneer hij zijn pand wil verhuren aan familieleden tot de derde graad, dan kan dat, maar niet tijdens de eerste drie jaar.

Dat is een bijzonder logische en eerlijke regel, maar in de praktijk wordt er misbruik van gemaakt. Sommige verhuurders gebruiken de regeling om huurders versneld uit het pand te krijgen. Na een ruzie over een herstelling wordt het huurcontract plots opgezegd. Achteraf blijkt dat de verhuurder het pand niet feitelijk bewoont. Als men dat kan bewijzen, dan heeft men als huurder recht op een schadevergoeding.

Alleen is dat bijzonder moeilijk te bewijzen. Een belangrijk element is de wettelijke verblijfplaats van de voormalige verhuurder. Als die zich niet gedomicilieerd heeft in het pand waar men als huurder is uitgezet, dan is dat een stevige aanwijzing. Maar op de dienst burgerzaken van de gemeente krijgt men die info niet zomaar mee.

1) Wat zijn de voorwaarden om zulke gegevens uit het bevolkingsregister te kunnen raadplegen? Welke procedure moeten huurders die misbruik vermoeden, volgen? Wat zijn de drempels?

2) Zijn er maatregelen die de geachte minister wil of kan nemen om deze procedure vlotter te doen verlopen, zodat mensen met een legitiem belang sneller aan bepaalde informatie geraken via de burgerlijke dienst?

Antwoord ontvangen op 15 april 2026 :

1) De mededeling van persoonsgegevens uit de bevolkingsregisters en uit het vreemdelingenregister wordt strikt omkaderd door het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende het verkrijgen van informatie uit de bevolkingsregisters en uit het vreemdelingenregister. Elke persoon kan informatiegegevens verkrijgen die rechtstreeks op zichzelf betrekking hebben. Gaat het echter om een aanvraag tot mededeling van gegevens van een derde, dan kunnen deze gegevens enkel op schriftelijk en ondertekend verzoek worden afgegeven, en voor zover deze afgifte door of krachtens de wet is voorgeschreven of toegestaan.

Een huurder (of elke andere private persoon) die een misbruik vermoedt, heeft dus geen absoluut recht om de registers te raadplegen, noch om het adres van de verhuurder vrij te verkrijgen. Hij moet een gemotiveerde aanvraag indienen bij de bevoegde gemeente, de wettelijke grondslag waarop zijn aanvraag berust, vermelden, en bewijzen dat de gevraagde informatie vereist is door de bepaling die hij inroept. Enkel de nformatiegegevens die strikt vereist zijn door de wetgeving of de ingeroepen procedure, mogen worden meegedeeld. De gemeente beoordeelt de geldigheid van elke aanvraag geval per geval; geen enkele systematische weigering kan worden toegestaan. In geval van betwisting bepaalt artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit dat de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde mag bepalen of de aanvraag al dan niet beantwoordt aan de afgiftevoorwaarden.

2) De mededeling van woonplaatsgegevens houdt rechtstreeks verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en moet worden beoordeeld in naleving van artikel 22 van de Grondwet, de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Het voormelde koninklijk besluit kan enkel worden toegepast voor zover het deze hogere normen niet schendt. Het obstakel is dus juridisch: het volstaat niet om een belang of een vermoeden van misbruik in te roepen. Men moet de aanvraag kunnen koppelen aan een concrete wettelijke grondslag of aan een welbepaalde procedure.

Men dient vooral toe te zien op een eenvormige en juridisch correcte toepassing van de procedure binnen de gemeenten, en op betere informatie aan de burgers. In dit verband bestaat in de gemeenten reeds het verbod om aanvragen systematisch te weigeren zonder ze geval per geval te analyseren, en de mogelijkheid voor de burger om, in geval van betwisting, de zaak voor te leggen aan de minister of zijn gemachtigde.

Daarentegen kan, op grond van artikel 22 van de Grondwet, de toegangsbeperkingen van de AVG en het beginsel van gegevensminimalisatie, niet worden overwogen om de procedure te «vereenvoudigen» door derden een ruimere of bijna automatische toegang te verlenen tot de woonplaatsgegevens van een andere persoon.