Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 7-78

van Rik Daems (Open Vld) d.d. 25 september 2019

aan de minister van Pensioenen

Pensioenfondsen - Dekkingsgraad - Lagere rente - Pensioenverplichtingen - Stand van zaken in BelgiŽ

beleggingsmaatschappij
aanvullend pensioen
Financial Services and Markets Authority
rente
monetaire crisis
pensioenfonds
Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen

Chronologie

25/9/2019 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 24/10/2019 )
25/10/2019 Antwoord

Ook gesteld aan : schriftelijke vraag 7-77

Vraag nr. 7-78 d.d. 25 september 2019 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De grote Nederlandse pensioenfondsen hebben hun dekkingsgraad de afgelopen maanden ernstig zien dalen. De belangrijkste oorzaak hiervan is de verder dalende rentevoet (cf. https://www.nu.nl/economie/5993228/dekkingsgraden twee grootste pensioenfondsen onder 90 procent.html). Zo liep de dekkingsgraad van de grootste vijf Nederlandse pensioenfondsen terug tot ver onder de minimumdrempel van 94†%.

De Nederlandse pensioenfondsen moeten hun verplichtingen waarderen met een rekenrente die steeds verder daalt. Hoe lager de rente, hoe meer geld ze in kas moeten hebben om alle pensioenen tot ver in de toekomst uit te kunnen keren. Grote fondsen als ABP, PFZW, PME en PMT waarschuwden onlangs al dat er mogelijk kortingen aankomen. Bij de twee grootste pensioenfondsen is de dekkingsgraad gezakt tot onder de 90†%.

De Belgische tegenhanger van de Nederlandse pensioenfondsen zijn de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBP). Deze IBP's tellen 1,7 miljoen aangesloten particulieren. In 2017 waren in BelgiŽ 201 IBP's actief. De wet van 27†oktober†2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening voorziet in haar artikel 82 dat de jaarrekeningen door de IBP's jaarlijks aan de Autoriteit voor FinanciŽle Diensten en Markten (FSMA Ė Financial Services and Markets Authority) overgemaakt worden. Op grond daarvan kan de FSMA zich een beeld vormen van de financiŽle gezondheid van elke IBP afzonderlijk, en ook over de evolutie van de markt.

Ook in ons land zullen de IBP's wellicht een groter bedrag moeten opzij zetten om de toekomstige pensioenverplichtingen te kunnen betalen. De dekkingsgraad bedroeg in 2018 gemiddeld 124†%. Na de crisis van 2008 moesten verschillende IBP's een herstelplan indienen.

Het betreft een transversale gemeenschaps en gewestaangelegenheid. Het Vlaams Pensioenfonds valt immers onder de IBP's die onder toezicht staan van het FSMA.

Ik heb dan ook volgende vragen voor de geachte minister:

1) Heeft het FSMA weet van pensioenfondsen die vandaag een reservetekort of een te kleine dekkingsgraad hebben? Zo ja, om hoeveel fondsen gaat het, om welke bedragen gaat het en hoeveel pensioenspaarders zijn hiermee gemoeid? Kan de geachte minister dit uitvoerig toelichten?

2) Hoeveel bedraagt de recentste gemiddelde dekkingsgraad van de bedrijfspensioenfondsen naar Belgisch recht enerzijds, en de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen die een grensoverschrijdende activiteit uitoefenen anderzijds? Kan de ontwikkeling van de dekkingsgraad van deze fondsen worden meegedeeld op kwartaalbasis voor de laatste drie jaar? Is er ook bij ons sprake van een negatieve tendens?

3) Bij hoeveel IBP's loopt momenteel een herstelplan? Neemt dit aantal toe of niet?

4) Kan hij meedelen of de lopende herstelplannen moeten worden bijgestuurd door de verdere renteverlaging door de Europese Centrale Bank (ECB)? Kan hij dit uitvoerig toelichten?

5) Welke bijkomende maatregelen worden overwogen wanneer de dekkingsgraad van de pensioenfondsen verder zou dalen? Kan hij desgevallend dit toelichten?

Antwoord ontvangen op 25 oktober 2019 :

In antwoord op zijn vragen, heb ik de eer om het geachte lid het volgende mee te delen.

1), 2) & 3) In België moeten de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBP’s) technische voorzieningen vormen. Die voorzieningen moeten op prudente wijze worden berekend om de betaling van de pensioenen op termijn te kunnen waarborgen. Krachtens de wetgeving moeten de IBP’s twee soorten technische voorzieningen berekenen: technische voorzieningen op korte termijn en technische voorzieningen op lange termijn. De technische voorzieningen op korte termijn stemmen overeen met de «verworven rechten» van de aangeslotenen, dat zijn de bedragen die zij naar een andere pensioeninstelling kunnen overdragen als zij de overstap maken naar een andere werkgever of als hun werkgever failliet gaat. De technische voorzieningen op lange termijn moeten worden berekend op basis van prudente hypotheses, die de duurzaamheid van de verbintenissen van de IBP’s moeten waarborgen. Een van de belangrijkste hypotheses voor de berekening van de technische voorzieningen is de rentevoet. Voor de technische voorzieningen op korte termijn wordt die rentevoet bij koninklijk besluit bepaald. Voor de technische voorzieningen op lange termijn wordt de rentevoet in de meeste gevallen bepaald op basis van veronderstellingen in verband met de toekomstige rendementen van de activa waarin de IBP, conform haar beleggingsstrategie, heeft belegd.

De pensioenverplichtingen dienen voor 100 % te zijn gedekt door activa die worden belegd overeenkomstig het prudentiebeginsel en op zodanige wijze dat de veiligheid, de kwaliteit en het rendement van de portefeuille worden gewaarborgd. Zodra de activa ontoereikend zijn ten opzichte van de technische voorzieningen, is de IBP ondergefinancierd en moet zij herstelmaatregelen nemen.

Om de twee jaar voert de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (in het Engels afgekort tot «EIOPA») een stresstest uit op de pensioenfondsen van de verschillende landen met een relevante pensioenmarkt (negentien landen in 2017). Zo wil EIOPA niet enkel onderzoeken in hoeverre de Europese pensioenfondsensector bestand is tegen crisisschokken op de financiële markten, maar wil zij ook de neveneffecten van die schokken op de economie en de financiële markten analyseren. In 2017 waren de resultaten van de stresstest positief voor België. Die stressoefening heeft immers uitgewezen dat de Belgische pensioenfondsensector – gemiddeld genomen – goed standhield, zelfs onder extreem gespannen economische omstandigheden. Dat resultaat is in hoofdzaak te danken aan de ruime buffers die de pensioenfondsen aanhouden en / of de aanwezigheid van sterke sponsors. Volgens de conclusies uit 2017 is België daarmee één van de landen die een volledige dekking van hun verplichtingen weten te handhaven in het kader van het stresstestscenario. Er loopt momenteel een nieuwe oefening, maar EIOPA heeft tot op heden geen resultaten bekendgemaakt.

Op basis van de rapportering stellen wij vast dat 23 IBP’s op een totale populatie van 196 het jaar 2018 met een algemeen financieringstekort hebben afgesloten. Dat stemt overeen met 12 % van de IBP-sector. Van die 23 IBP’s hebben 10 IBP’s al herstelmaatregelen genomen nadat in voorgaande jaren een tekort was vastgesteld, vertonen 11 IBP’s voor het eerst een algemeen tekort en moeten 2 IBP’s geen herstelmaatregelen nemen omdat hun situatie ondertussen is hersteld.

Die 23 IBP’s zijn goed voor 67 400 aangeslotenen op een totaal van 1,8 miljoen aangeslotenen (met «aangeslotenen» bedoelen wij de actieve aangeslotenen, de rechthebbenden en de gepensioneerden) voor de hele sector. Dat komt neer op 3,8 % van de hele sector. De technische voorzieningen op lange termijn van die 23 IBP’s zijn goed voor 4,1 miljard euro op een totaal van 29,2 miljard euro voor de hele sector, wat neerkomt op 14 % van het totaal. De afgelopen drie jaar is de gemiddelde dekkingsgraad van de technische voorzieningen op korte termijn gedaald van 151 % in 2016 tot 149 % in 2017 en 141 % in 2018. De gemiddelde dekkingsgraad van de technische voorzieningen op lange termijn is stabiel gebleven in 2016 en 2017 (respectievelijk 125 % en 124 %) en gedaald tot 116 % in 2018.

Die daling is vooral te wijten aan de slechte financiële rendementen in 2018 en de grotere prudentie van de gehanteerde hypotheses bij de berekening van de technische voorzieningen op lange termijn.

Noteer dat de hier vermelde cijfers enkel betrekking hebben op de IBP’s naar Belgisch recht. De FSMA heeft geen informatie over de buitenlandse pensioenfondsen die deels actief zijn in België.

4) De technische voorzieningen worden berekend op basis van verschillende hypotheses, waaronder de rentevoet of de actualisatievoet. Daarbij baseren de IBP’s zich in hoofdzaak op de toekomstige rendementen van de activa waarin zij conform hun beleggingsbeleid beleggen. De door de ECB vastgestelde rentevoet zal onrechtstreeks een impact hebben op die rendementen en bijgevolg op de onderliggende hypotheses van de actualisatievoet. Toch worden de IBP’s verzocht om de evolutie van de financiële markten te volgen en hun financieringsplan of beleggingsstrategie dienovereenkomstig aan te passen. De FSMA volgt die evoluties, onder ander via controleacties en transversale analyses bij alle IBP’s.

5) De door de IBP’s uitgewerkte en door de FSMA goedgekeurde herstelmaatregelen zijn bijna uitsluitend maatregelen waarbij de werkgevers zich ertoe verbinden extra bijdragen te storten om het dekkingspercentage opnieuw tot boven 100 % op te trekken. In beginsel worden die maatregelen gespreid over maximaal vijf jaar bij een tekort in verband met de technische voorzieningen op lange termijn, en over een jaar bij een tekort in verband met de technische voorzieningen op korte termijn. Als de ICB’s geconfronteerd worden met een extra tekort ten opzichte van het oorspronkelijk vastgestelde tekort waarop de lopende herstelmaatregelen betrekking hebben en waarvoor het oorspronkelijke herstelplan geen oplossing biedt, moeten zij nieuwe maatregelen ter goedkeuring voorleggen aan de FSMA. Die maatregelen moeten in het bestaande herstelplan worden geïntegreerd. Bovendien blijven de voorwaarden en de looptijd van het oorspronkelijke plan in beginsel gelden voor de oorspronkelijke tekortkomingen. Voor de extra tekortkomingen is, in specifieke omstandigheden, een verlenging van de termijn of een aanpassing van de voorwaarden mogelijk.