Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 7-757

van Rik Daems (Open Vld) d.d. 9 november 2020

aan de vice-eersteminister en minister van Justitie, belast met Noordzee

Inlichtingendiensten - Gevolgen van de Brexit - Veiligheid - Terrorisme - Europees aanhoudingsmandaat

terrorisme
Verenigd Koninkrijk
uittreding uit de EU
gegevensbank
uitwisseling van informatie
geheime dienst
datatransmissie
verzamelen van gegevens
reizigersvervoer
georganiseerde misdaad
openbare veiligheid

Chronologie

9/11/2020 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 10/12/2020 )
15/12/2020 Antwoord

Herindiening van : schriftelijke vraag 7-90

Vraag nr. 7-757 d.d. 9 november 2020 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Uit het Franse «Rapport public de la Délégation parlementaire au Renseignement 2018 2019» blijkt dat de Brexit diverse ernstige gevolgen kan hebben voor bestaande en lopende projecten wat betreft de strijd tegen terrorisme en de georganiseerde misdaad. Door de Brexit zal het Verenigd Koninkrijk (VK) immers onder eender welk scenario worden beschouwd als een «derde Staat».

Zo wordt er gewaarschuwd dat het multilaterale PNR plan wat betreft het spoor in vraag kan worden gesteld gezien het Verenigd Koninkrijk niet langer toegang zal hebben tot diverse Europese databanken (waaronder PNR, ETIAS, EURODAC, enz.).

Ook wat betreft de Schengendatabank, SIS II, waar het VK toegang toe heeft sinds 2015, heeft de Brexit en dan zeker de harde Brexit rampzalige gevolgen naar informatievergaring toe. Het VK is immers de zevende grootste bijdrager van gegevens tot deze databank en is tegelijkertijd de vierde grootste afnemer ervan. De Britse veiligheidsdiensten vervullen een sleutelrol in de strijd tegen het terrorisme en hun knowhow is essentieel.

Ook het Europees aanhoudingsmandaat komt in het gedrang wat betreft het Verenigd Koninkrijk. Een Europees aanhoudingsbevel tot overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk is geldig tot de uittredingsdatum van het Verenigd Koninkrijk, zoals bepaald door het Europese Hof van Justitie. Daarna wordt het Verenigd Koninkrijk ook in het geval van een soft Brexit beschouwd als een derde land wat betreft het Europees aanhoudingsmandaat.

Het Verenigd Koninkrijk zal dus ook niet meer deel uitmaken van de bestuursorganen van Europol en Eurojust.

Er heerst ook onduidelijkheid over het verdere verloop van de uitwisseling van strafbladen.

Het transversaal karakter van deze vraag: in het Vlaams regeerakkoord van 2014 wordt er aandacht besteed aan terrorisme en het voorkomen van radicalisering. Aldus werd een cel met experten uit de diverse beleidsdomeinen om radicalisering te voorkomen, te detecteren en te remediëren, opgericht met één centraal aanspreekpunt en in samenwerking met andere overheden. De coördinatie van deze cel ligt bij het Agentschap Binnenlands Bestuur. Vooral wat betreft de proactieve aanpak en de handhaving vervult de federale overheid een sleutelrol.

Ik had dan ook graag een antwoord gekregen op de volgende vragen:

1) Kan u gedetailleerd meedelen welke de gevolgen zijn van de Brexit wat betreft de uitwisseling van informatie tussen de respectieve veiligheidsdiensten en kunnen deze worden opgevangen? Zo ja, kan u dit toelichten?

2) Welke is de impact voor het PNR plan voor het spoor wat betreft het verkeer van en naar het Verenigd Koninkrijk? Komt het PNR plan hierdoor in het gedrang? Zo neen, kan u dit toelichten?

3) Klopt de informatie dat het Verenigd Koninkrijk niet langer toegang zal hebben tot diverse Europese databanken (waaronder PNR, ETIAS, EURODAC, enz.) waardoor het er niet meer toe kan bijdragen, maar er ook geen gegevens meer uit kan halen? Hoe wordt hierop geanticipeerd en kan hieraan worden verholpen gezien het gedeelde belang in de strijd tegen georganiseerde misdaad en terrorisme?

4) Kan u aangeven of het Europees aanhoudingsmandaat in het gedrang komt wat betreft het Verenigd Koninkrijk? Kan u de praktische gevolgen toelichten?

5) Bent u het eens met aanbeveling nr. 26 van het Franse «Rapport public de la Délégation parlementaire au Renseignement 2018 2019» waarin gevraagd wordt om een geprivilegieerd partnerschap op te zetten op korte termijn tussen Europa en het Verenigd Koninkrijk in het domein van de veiligheid met het oog op het verder deelnemen van het Verenigd Koninkrijk, ondanks het toekomstige statuut van derde Staat, tot de gegevensbank SIS 2, ETIAS en EURODAC en het Europees aanhoudingsmandaat? Steunt u dit streven en werden hiertoe reeds concrete stappen gezet? Kan u de inhoud, de gevolgen en de timing toelichten?

Antwoord ontvangen op 15 december 2020 :

1) De internationale samenwerking tussen Europese inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan als intensief omschreven worden. Op vrijwel alle materies binnen de werkdomeinen van de Veiligheid van de Staat (VSSE) wordt internationaal samengewerkt en dit zowel op bilaterale als multilaterale wijze.

Ook met de Britse veiligheidsdiensten wordt een goede relatie onderhouden en daarbij hoort een regelmatige informatie-uitwisseling.

De Brexit betreft de uitstap van het Verenigd Konikrijk uit het Verdrag van Lissabon. Krachtens artikel 4.2 van dat Verdrag vindt de werking tussen nationale inlichtingendienst plaats buiten die overeenkomst. Hieronder wordt ook de uitwisseling van informatie tussen de Britse en Belgische inlichtingen- en veiligheidsdiensten verstaan.

De VSSE is daardoor van oordeel dat de Brexit geen negatieve impact zal hebben op de internationale samenwerking en uitwisseling van informatie met de Britse diensten.

2) De Belgische wetgever heeft naast het luchtverkeer, ook andere vervoersmodi opgenomen in de wetgeving over het register van passagiersgegevens (passenger name record – PNR). België is op dat vlak voorloper aangezien België als eerste intussen ook voor het spoorvervoer een koninklijk besluit nam. De bedrijven die reizen met hogesnelheidstreinen organiseren, krijgen immers van de Belgische wetgever de opdracht om bepaalde gegevens over te maken in bepaalde formaten, los van de vraag naar welke landen de reisbewegingen gerealiseerd worden.

Alle bedrijven die reizen organiseren vanuit, naar of via België zijn krachtens de Europese PNR-richtlijn en de Belgische nationale wetgeving verplicht de PNR-gegevens waarover zij beschikken door te geven aan de Belgische eenheid die ter zake bevoegd is, BelPIU, ongeacht hun «nationaliteit». Zo is een Indonesisch bedrijf eveneens onderworpen aan dezelfde verplichting van doorgifte van passagiersgegevens. De Brexit zal geen invloed hebben op die verplichting. Onze nationale procedure voor de aansluiting en integratie van die bedrijven zal een normaal beloop kennen. De gevolgen van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zullen groter zijn op het vlak van gegevensuitwisseling.

Indien het Britse Parlement het terugtrekkingsakkoord van 18 oktober 2019 goedkeurt, begint immers een overgangsperiode die eindigt 31 december 2020, waarin de passagiersgegevens op dezelfde wijze en onder de dezelfde voorwaarden als vóór de Brexit zouden mogen worden uitgewisseld (artikel 63, 1°, g), van het akkoord). Indien dat akkoord niet wordt goedgekeurd en het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie zonder akkoord zou moeten verlaten, zal de uitwisseling van passagiersgegevens met het Verenigd Koninkrijk plaatsvinden onder dezelfde voorwaarden als met een ander derde land buiten de Europese Unie. Dat betekent dat er tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie met name een akkoord dient te worden gesloten dat passende garanties biedt op het vlak van gegevensbescherming.

3) Op het vlak van PNR is er niet één Europese PNR-databank. Het Europese regelgevend kader bepaalt voor de verzameling van PNR-gegevens dat elk land zijn eigen PNR-centrum moet ontwikkelen (de zogenaamde passagiers-informatie-eenheid – PIE). Zoals eerder vermeld, zal de toegang van het Verenigd Koninkrijk tot de passagiersgegevens afhangen van de akkoorden die gesloten zijn op het stuk van gegevensuitwisseling.

Het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (European Travel Information and Authorization System – ETIAS) is een systeem waarmee controles vooraf kunnen worden verricht voor niet-visumplichtige onderdanen van derde landen die over het Europese grondgebied willen reizen. Die databank betreft de lidstaten van de Europese Unie. Aangezien het Verenigd Koninkrijk geen lidstaat meer zal zijn, zal het niet rechtstreeks kunnen deelnemen aan de activiteiten die gelinkt zijn aan dit informatiesysteem. Tenzij er een andere beslissing wordt genomen in het akkoord inzake uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, zal de toegang van het Verenigd Koninkrijk tot de ETIAS-databank worden bepaald door artikel 65 van de ETIAS-verordening tot regeling van de uitwisseling van persoonsgegevens met derde landen.

Zoals bepaald in artikel 65, lid 2, zullen de ETIAS-gegevens niet aan een derde land of een internationale organisatie mogen worden doorgegeven, met uitzondering van gevallen waarin voldaan is aan de voorwaarden uit lid 5 van datzelfde artikel, te weten, onder andere, een uitzonderlijk dringend geval met een dreigend gevaar in verband met een terroristisch misdrijf; of wanneer de doorgifte van gegevens noodzakelijk is voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van een terroristisch misdrijf of ernstige strafbare feiten.

Het is hoe dan ook van belang om te beseffen dat een aantal veiligheidsaspecten door de lidstaten bewust buiten het Verdrag van Lissabon gehouden werden en ook vandaag een louter nationale bevoegdheid zijn van de lidstaten. Dat is onder meer het geval met inlichtingenwerk en speelt een rol in het kader van de strijd tegen terrorisme. In dat verband is de samenwerking tussen de lidstaten de laatste jaren sterk toegenomen en is er sprake van de ontwikkeling van een permanente samenwerking. Die samenwerking tussen lidstaten staat buiten de structuren van de Europese Unie en hoeft geen wijzigingen te ondergaan naar aanleiding van de Brexit.

4) Bij gebrek aan het afsluiten van een nieuw partnerschapsakkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk zal na 31 december 2020 het juridische kader dat van toepassing is op alle derde Staten, van toepassing zijn op onze relaties met het Verenigd Koninkrijk. Bijgevolg zal elk verzoek om overlevering van een gezochte persoon moeten worden gedaan op grond van het Europees uitleveringsverdrag van 13 december 1957 van de Raad van Europa. De uitleveringswetten van 1 oktober 1833 en van 15 maart 1874 zullen eveneens van toepassing zijn, met inbegrip van de regel van niet-uitlevering van onderdanen.

De terugkeer naar de toepassing van het Europees uitleveringsverdrag van 1957 met het Verenigd Koninkrijk zal bepaalde specifieke gevolgen hebben:

– de actieve uitleveringen zullen een officieel verzoek tot voorlopige aanhouding vereisen, aangezien het Verenigd Koninkrijk niet toelaat om een voorlopige aanhouding uit te voeren op grond van een Interpol-signalering;

– voor de passieve uitlevering zal het Verenigd Koninkrijk op 1 januari 2021 losgekoppeld worden van het Schengen-informatiesysteem («SIS»), al zullen de signaleringen die door de Britse autoriteiten vóór die datum zijn ingevoerd niet automatisch worden verwijderd. Die Britse signaleringen zullen daarentegen niet langer de basis kunnen vormen voor een aanhouding na 31 december 2020.

Het terugtrekkingsakkoord dat is afgesloten met het Verenigd Koninkrijk regelt ook het lot van de procedures van het Europees aanhoudingsbevel die nog lopen op 31 december 2020, zodat enige discontinuïteit van de procedure omwille van de wijziging van juridisch kader wordt voorkomen. In geval van voorlopige aanhouding van een persoon gedaan voor 1 januari 2021 kan de procedure zo na 1 januari 2021 worden voortgezet op grond van de regels van de Europese Unie, zulks tot de daadwerkelijke overlevering van de betrokken persoon. Bijgevolg is geen enkele specifieke actie vanwege de Belgische rechterlijke autoriteiten vereist om de continuïteit van de procedure te verzekeren.

5) Thans wordt onderhandeld over een ontwerp van partnerschapsakkoord tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Het strekt ertoe te voorzien in een nieuw juridisch samenwerkingskader dat van toepassing is na 31 december 2020. Dat ontwerp van akkoord voorziet inzonderheid in bepalingen met betrekking tot de justitiële samenwerking in strafzaken, met inbegrip van een overleveringssysteem dat grotendeels vergelijkbaar is met het Europees aanhoudingsbevel en inzonderheid in een juridisering van de procedure, een beperking van de weigeringsgronden en strikte uitvoeringstermijnen voorziet. Indien de onderhandelingen slagen, zou dit akkoord van toepassing zijn vanaf 1 januari 2021.

Mijn collega van Binnenlandse Zaken kan de antwoorden met betrekking tot de andere aspecten van de vraag verstrekken.