Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 7-1384

van Bert Anciaux (Vooruit) d.d. 25 oktober 2021

aan de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing

Taalpremie - Brussel - Selor - Controle

SELOR
talenkennis
taalbeleid
Hoofdstedelijk Gewest Brussels
loonpremie
taalgebruik
tweetaligheid

Chronologie

25/10/2021 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 25/11/2021 )
25/11/2021 Antwoord

Vraag nr. 7-1384 d.d. 25 oktober 2021 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Uiteraard is de taalwetgeving een transversale bevoegdheid. De wetgeving is federaal. De naleving gebeurt door de gewesten.

Er is meer en meer sprake van een misbruik van premies die verbonden zijn aan de kennis van een tweede landstaal. Deze premies worden gegeven door Brusselse gemeenten en ocmw's en door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De financiering van deze taalpremies wordt deels door federale middelen betaald.

Uiteraard is de hoogte van de taalpremie en het recht op een taalwetpremie bij wet geregeld. Mogelijk zijn er ook decreten en ordonnanties die een en ander verduidelijken.

Hoe gebeurt de controle op de toekenning van een taalpremie? Welke middelen heeft de federale overheid om te controleren of deze premies correct worden toegekend? Wat kan de minister van Binnenlandse Zaken doen om te voorkomen dat taalpremies onwettig worden toegekend en zonder basis worden gegeven aan politiek bevriende ambtenaren?

Wie kan er toezicht op uitoefenen? Sommige Brusselse gemeenten verstoppen zich achter het recht op privacy om enige controle op de toekenning van taalpremies onmogelijk te maken. Klopt dit volgens de diensten van de minister? Kan de Vicegouverneur van Brussel onderzoek verrichten naar de wettelijkheid en correctheid van de toekenning van taalpremies? Welke controle kan er plaatsvinden op Selor aangaande de correctheid van de taalexamens die afgenomen worden? Klopt het dat het veel moeilijker is om een taalbrevet Frans te bekomen dan een taalbrevet Nederlands?

Kan Selor onderzoek verrichten naar de correctheid van taalpremies die al dan niet verbonden zijn aan de kennis van een tweede taal? Welke initiatieven worden er door Selor uitgewerkt om de toekenning van de taalpremies te kunnen onderzoeken?

Heeft de minister aangaande deze problematiek en aangaande de naleving van de taalwetgeving al overleg gepleegd met de Brusselse Hoofdstedelijk regering? Is dit overleg gepland en zo ja wanneer?

Antwoord ontvangen op 25 november 2021 :

De vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad verifieert, conform de bestuurstaalwetgeving, het bezit van het voor de functie wettelijk vereiste taalbrevet bij de aanwerving en benoeming van personeelsleden door de gemeente- en ocmw-besturen van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. De vice-gouverneur heeft daarentegen geen bevoegdheid aangaande de tweetaligheidspremies toegekend aan de personeelsleden van deze lokale besturen en beschikt trouwens ook niet over de toegang tot de personeelsbestanden die daartoe zou vereist zijn. Dit is a fortiori het geval voor de tweetaligheidspremies toegekend aan de personeelsleden van de gewestelijke besturen.

Het toekennen en de uitbetaling van taalpremies aan ambtenaren door Brusselse lokale, gewestelijke en bi-communautaire instellingen behoort tot de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de betrokken Brusselse instelling en valt niet onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken.

De Federale Overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken verleent vanuit het Begrotingsfonds Taalpremies wel jaarlijks toelagen aan Brusselse instellingen voor de financiering van taalpremies aan ambtenaren met een Selor-taalbrevet op grond van de wet van wet van 10 augustus 2001 «tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel, tot oprichting van een begrotingsfonds Taalpremies en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen».

De uitgaven die ten laste van het fonds bedoeld in artikel 5/1 kunnen worden gemaakt zijn toelagen voor de financiering van de taalpremies, ten gunste van :

a) het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Brusselse agglomeratie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, evenals de instellingen van openbaar nut die van deze instellingen afhangen;

b) de plaatselijke diensten in de zin van artikel 9 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken die gelegen zijn in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad;

c) de ziekenhuizen die afhangen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.

Artikel 5/3 van de wet van 10 augustus 2001 bepaalt hoe de taalpremies toegekend en verdeeld worden tussen de in voormelde wet bedoelde instanties. Mijn diensten controleren dit actief. Zo weigeren mijn diensten de subsidie indien deze instanties geen bewijs kan leveren dat een taalpremie werd toegekend aan een ambtenaar de Brusselse administratie die in het bezit is van een taalcertificaat uitgereikt overeenkomstig de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken, of wanneer het bewijs niet heeft aangetoond dat de ambtenaar wel degelijk actief was tijdens de desbetreffende periode.

Ik verwijs in dat verband ook naar mijn antwoord op de schriftelijke vragen 674 en 780 van mevrouw Goethals de heer De Smet, alsook naar het antwoord van mijn voorganger, de heer Pieter De Crem, op de schriftelijke vraag 2165 van de heer Anciaux.

Als Minister van Binnenlandse Zaken waak ik er dus over dat uit het Begrotingsfonds Taalpremies enkel taalpremies vergoed worden die rechtmatig werden toegekend aan Brusselse lokale, gewestelijke en bicommunautaire ambtenaren die over een Selor-taalbrevet beschikken.

Als senator Anciaux weet zou hebben van praktijken waarbij Brusselse instellingen – op hun eigen kosten – onrechtmatig taalpremies toekennen aan ambtenaren die daar geen recht op hebben, dan kan hij zich richten tot de betrokken instellingen of de bevoegde gewestelijke voogdijministers.

Ik wens tot slot aan te geven dat de minister van Binnenlandse Zaken niet bevoegd is voor de voogdij op SELOR. Ik verzoek het geachte lid dan ook om zich voor vragen betreffende Selor te wenden tot mijn collega van Ambtenarenzaken.