Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-939

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 26 april 2016

aan de minister van Justitie

Gevangenissen - Radicale gedetineerden - Inrichting van speciale vleugel - Gevangenissen van Hasselt en Ittre - Strijd tegen radicalisering - Stand van zaken - Samenwerking met de Gemeenschappen en Gewesten

strafstelsel
extremisme
gedetineerde
institutionele samenwerking
terrorisme
strafgevangenis
reclassering
radicalisering

Chronologie

26/4/2016 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 26/5/2016 )
12/12/2016 Antwoord

Vraag nr. 6-939 d.d. 26 april 2016 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Enkele maanden geleden kondigde de geachte minister aan dat tegen het einde van het jaar 2015 een afdeling in de gevangenis van Hasselt en van Ittre zou worden ingericht waar radicale gedetineerden opgesloten zouden worden. De maatregel zou worden genomen met als doel de radicalisering binnen de gevangenismuren een halt toe te roepen. De speciale vleugel in de twee gevangenissen zou niet enkel voorbehouden worden voor radicale gevangenen die in terrorismedossiers veroordeeld werden, maar ook wie in de gevangenis radicaliseert, zou naar de twee speciale afdelingen kunnen verhuizen. Volgens de woordvoerster van de minister zou er in de speciale afdeling veel aandacht gaan naar therapie, zodat wie na verloop van tijd het radicale gedachtegoed achterwege laat, opnieuw naar een gewone afdeling kan verhuizen.

Ook de Gemeenschappen zijn uiteraard ten volle bevoegd om de hulp aan en begeleiding van deze gedetineerden op zich te nemen. Het Vlaamse strategische plan 2015-2020 "Hulp- en dienstverlening aan gedetineerden" bevat een passage over radicalisering. In 2015 zou, in overleg met het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen, een "plan van aanpak in het kader van gewelddadig extremisme" worden opgemaakt dat zou worden afgestemd met het Vlaams Platform Radicalisering: "De evolutie van de laatste jaren op vlak van gewelddadig extremisme vraagt - ook in het kader van hulp- en dienstverlening aan gedetineerden - een specifieke aanpak. Dit geldt voor de "bejegening" van gedetineerden die worden verdacht van of veroordeeld voor feiten gelinkt aan gewelddadig extremisme én voor de groep gedetineerden die vatbaar kunnen zijn voor het plegen van dergelijke feiten. Alhoewel het toegang laten hebben tot de "algemene" hulp- en dienstverlening de basisaanpak blijft, zal voor beide groepen toch een specifieke aanpak nodig zijn. Enerzijds omdat de groep veroordeelden wellicht apart zal worden opgesloten en geen contact zal mogen hebben met andere gedetineerden, anderzijds omdat beide groepen een aantal specifieke kenmerken hebben die een specifieke benadering noodzakelijk maken. We zullen onze expertise rond deze problematiek moeten verhogen. Daartoe informeren we ons via onderzoek vanuit de academische wereld en via buitenlandse voorbeelden. We willen ook nauw samenwerken met het directoraat-generaal van de Penitentiaire Inrichtingen, met het Vlaams Platform Radicalisering en met de diensten en personen, zoals de imams, die toegang hebben tot deze groep."

Nu de speciale vleugel in de gevangenis van Hasselt wellicht reeds een feit is, lijkt ook de Vlaamse aanpak in een stroomversnelling te zijn gekomen.

1) a) Is men er ondertussen in geslaagd om, zoals aangekondigd, "de expertise rond deze problematiek te verhogen"?

b) Via welk onderzoek uit de academische wereld heeft men zich laten informeren?

c) Welke buitenlandse voorbeelden zijn hierbij een inspiratiebron geweest?

d) Tot welke conclusies heeft dit geleid?

2) a) Werd er ondertussen een "plan van aanpak in het kader van gewelddadig extremisme" opgesteld ? Wat is de stand van zaken?

b) Kan dit plan worden toegevoegd als bijlage bij het antwoord op deze schriftelijke vraag?

c) Was het plan reeds gefinaliseerd en in werking getreden op het ogenblik van de inrichting van de speciale vleugel in de gevangenis van Hasselt voor radicale gedetineerden?

d) Welke "specifieke aanpak" zal er in het bijzonder zijn voor :

- "de gedetineerden die worden verdacht van of veroordeeld voor feiten gelinkt aan gewelddadig extremisme";

- "de groep gedetineerden die vatbaar kan zijn voor het plegen van dergelijke feiten"?

3) Heeft men bij de totstandkoming van dit alles, zoals aangekondigd, samengewerkt met …:

a) … het Vlaams Platform Radicalisering? Welke conclusies werden hieruit getrokken?

b) … diensten en personen die toegang hebben tot de bedoelde gedetineerden? Heeft men hier samengewerkt met de imams? Welke conclusies werden hieruit getrokken?

c) … de Vlaamse Gemeenschap en de andere Gemeenschappen?

4) In het kader van het justitiële luik van het federale "Actieplan tegen radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme" kondigde de geachte minister aan: "De deradicaliseringsprogramma's in de gevangenissen worden versterkt met zesendertig cipiers. Dit personeel wordt volledig bijgeschoold in de problematiek om het hoofd te kunnen bieden aan alle mogelijke problemen waarmee ze kunnen geconfronteerd worden."

a) Welke afspraken werden er gemaakt met het gemeenschapsniveau over de taakverdeling in de begeleiding van deze deradicaliseringsprogramma's in de gevangenissen?

b) Zullen de Gemeenschappen en de federale overheid elk ook bijkomend personeel inzetten, gericht op, onder andere, hulp- en dienstverlening aan de genoemde gedetineerden?

5) Welke budgettaire impact heeft de specifieke aanpak van de genoemde gedetineerden? Zullen er bijkomende middelen vrijgemaakt worden? Graag een zo gedetailleerd mogelijk overzicht.

6) Wat is de stand van zaken van het plan van aanpak in de strijd tegen radicalisering?

a) Wie kreeg welke opleiding? Is er een verschil tussen de gevangenissen van Hasselt en Ittre en de andere gevangenissen?

b) Wat zijn de budgettaire implicaties?

c) Wat is het exacte profiel van de personen die in Hasselt belanden? Wat wordt begrepen als "in een radicalseringsproces" of "vatbaar voor radicalisering", want die blijven blijkbaar in de gewone gevangenissen?

d) Wie doet de triage? Gebeurt dat via een commissie? Wie blijft in Brugge?

e) Is het nog de bedoeling de geradicaliseerden samen te brengen in Hasselt en Ittre, los van het aantal overplaatsingen?

f) Is er een dynamische monitoring waarbij gedetineerden weer in andere gevangenissen kunnen komen en omgekeerd? Hoe gebeurt dat?

g) Is er een echt deradicaliseringsprogramma? Indien ja, in welke mate is dit extra ten opzichte van wat al bestond?

h) Welk overleg is er met de justitiehuizen? Vormt het deradicaliseringsprogramma één geheel met begeleiding door justitiehuizen?

i) Wat is de timing voor de aanstelling van de islamconsulenten? Welke rol hebben ze? Worden ze betrokken bij de triage? Wat zal de minister doen bij gebrek aan islamconsulenten? Wie speelt dan de rol van "vertrouwenspersoon"?

7) Worden de deradicaliseringsprogramma's beperkt tot de gevangenissen van Hasselt en Ittre of worden er ook, in samenwerking met de Gemeenschappen, acties ondernomen in al de andere " gewone " gevangenissen? De geachte minister zal het met me eens zijn dat dit eveneens noodzakelijk is.

Antwoord ontvangen op 12 december 2016 :

1), 2) & 3) Deze vragen hebben rechtstreeks betrekking op een beleidsdocument van de Vlaamse Gemeenschap. We verwijzen u graag naar hen om hierover meer toelichting en duiding te verschaffen.

4) a) Tot op heden werden geen afspraken gemaakt. Er zijn een aantal overlegmomenten geweest maar voorlopig zonder resultaat.

4) b) Wij kunnen geen specifieke onderzoeken vermelden. Ter informatie kunnen we u wel meegeven dat het DG Penitentiaire instellingen (DG EPI) er zich toe heeft verbonden mee te werken aan een aantal wetenschappelijke onderzoeken. We hopen hiermee de expertise verder te vergroten als ook de competenties en tal van vaardigheden (waaronder gesprekstechnieken en risicotaxatie) verder te ontwikkelen.

5) & 6) b) De regering heeft bijkomende budgetten vrijgemaakt voor de aanpak van de strijd tegen radicalisering en terrorisme.

Deze bijkomende kredieten worden gebruikt om de radicalisering binnen de gevangenissen zo goed mogelijk op te volgen. Voor 2016 werd 1 339 674 euro voorzien voor personeel, 1 758 139 werkingsmiddelen en 440 039 euro voor investeringen.

Deze bijkomende budgetten staan naast de gebruikelijke kredieten die reeds voorzien waren voor de dagelijkse werking.

6) a) In 2015 werden twee studiedagen (Nl / Fr) georganiseerd ter intentie van het personeel van DG EPI. Deze studiedag was bedoeld voor psychosociale diensten (PSD) leden en directieleden van gevangenissen zonder bijzondere afdelingen voor geradicaliseerde gedetineerden. Centrale doelstelling van deze dag was iedereen zo adequaat mogelijk te informeren omtrent de problematiek van radicalisering (in gevangenissen). Er werd in samenwerking met verschillende diensten een gevarieerd programma samengesteld waaraan experten uit verschillende disciplines hun bijdrage zullen leveren. Voor de regio Noord waren er 241 deelnemers en voor Zuid 206 deelnemers.

Daarnaast werd in 2015 eveneens de specifieke opleiding voor de bewaking op de gespecialiseerde afdeling georganiseerd. Voor regio Noord betrof dit 29 deelnemers en voor regio Zuid 26 deelnemers. Voor 2016 wordt geen groep meer voor regio Noord voorzien gezien het volledig kader is opgeleid. (quid regio Zuid ?) Ook een deel van de directie van de gevangenissen met een gespecialiseerde afdeling of satellietfunctie als ook de PSD-leden van deze gevangenissen genoten in 2015 een gespecialiseerde opleiding. Voor regio Noord betrof dit 20 deelnemers en voor regio Zuid 17. Een volgende groep van directie- en PSD-leden wordt dit najaar eveneens opgeleid. Voor 2016 rekenen we op elk 22 participanten.

Ook de basisopleiding van de bewaking werd geactualiseerd, waarbij extra aandacht wordt besteed aan het radicaliseringsproces en de islam.

Binnen het gevangeniswezen wordt het personeel geconfronteerd met geradicaliseerde gedetineerden. Het gevangeniswezen wil daarom onder andere inzetten op het tijdig detecteren van problemen door het observatiepotentieel van alle personeelsleden te verhogen (dus niet alleen in de gevangenissen met een gespecialiseerde afdeling of satellietfunctie). Het is van belang dat de penitentiaire bewakingsassistenten (PBA’s) die het eerste aanspreekpunt zijn van gedetineerden, maar ook andere personeelsleden, in staat zijn om tekenen van radicalisering bij gedetineerden waar te nemen en te signaleren. De medewerkers zullen bij deze taak worden ondersteund via opleiding.

Het is echter niet mogelijk om op korte tijd massaal onze medewerkers (min of meer 7 000) naar de opleidingscentra (Opleidingscentra voor penitentiair personeel – OCPP en Centre de formation du personnel pénitentiaire – CFPP) te sturen. We willen daarom tegen 2017 gebruik maken van een e-learningmodule. Hiervoor werd een overheidsopdracht uitgeschreven. De ontwikkeling van deze e-module wordt gefinancierd via het Europees Fonds : Asylium, Migration and Integration Fund – Internal Security Fund (ISF).

6) c) Uitgangspunt voor de operationalisering van de inclusiecriteria voor een plaatsing op de gespecialiseerde afdelingen is de identificatie van de gedetineerden van wie het grootste besmettingsgevaar uitgaat met betrekking tot het radicaliseren van andere, meestal kwetsbare, gedetineerden. Enerzijds betreft dit de groep « leiders », anderzijds de groep « ronselaars ». Om de leiders en ronselaars te identificeren werden criteria opgesteld die aan de hand van een screeningsprocedure systematisch worden nagegaan bij de daarvoor in aanmerking komende gedetineerden. Deze criteria kunnen onderverdeeld worden in vier grote categorieën : of iemand veroordeeld of onder aanhoudingsmandaat geplaatst werd als leidend persoon van een terroristische groep, of iemand veroordeeld of onder aanhoudingsmandaat geplaatst werd als persoon die een boodschap verspreidt of publiekelijk ter beschikking gesteld heeft met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van terroristische misdrijven, of iemand tijdens detentie een jihadistisch discours voert in combinatie met de manifestatie van leiderschapscapaciteiten of dat iemand tijdens detentie anderen (gedetineerden, personeel of externen) ronselt.

De screening wordt uitgevoerd door enkele leden van de Centrale Psychosociale Dienst en door de leden van de Cel Extremisme (CelEx). Zij baseren zich hiervoor op de beschikbare gerechtelijke informatie, de informatie die vanuit de lokale gevangenis wordt overgemaakt door de bevoegde directieleden en leden van de psychosociale dienst en de informatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Naast het screenen met het oog op het identificeren van de beoogde doelgroep voor de gespecialiseerde afdeling (i.e. de leiders en ronselaars) dienen tevens de exclusiecriteria (zoals niet-jihadistisch geïnspireerde ideologieën, vrouwen, geïnterneerden, …) en mogelijke tegenaanwijzingen (zoals de aanwezigheid van een ernstige psychiatrische problematiek, het niet kunnen samen plaatsen van de gedetineerde met andere medegedetineerde(n) uit veiligheidsoverwegingen, …) voor een plaatsing in overweging te worden genomen.

Het advies van de Centrale PSD én van de Cel Extremisme is bijgevolg steeds het resultaat van een globale afweging van enerzijds de inclusiecriteria, anderzijds de exclusiecriteria én potentiële tegenaanwijzingen.

6) d) De triage is in feite een « joint operation » tussen CelEx en de Centrale PSD en gebeurt op basis van observaties in de gevangenissen en informatie van de veiligheidsdiensten.

6) e) Op de gespecialiseerde afdelingen verblijven de geradicaliseerden (leiders en ronselaars), die een groot risico op het radicaliseren van anderen vertonen.

De bedoeling is om de overplaatsingen tot een minimum te beperken, net om te vermijden dat het « besmettingsgevaar » naar anderen toe te hoog zou oplopen.

De gedetineerden worden toegeleid vanuit de andere gevangenissen, de uitstroom verloopt via de satellietgevangenissen.

6) f) Elke gedetineerde op de D-Rad:Ex afdeling wordt dynamisch gemonitord door zowel bewakend personeel, PSD als directie.

Na evaluatie en screening (toegeëigend via de gespecialiseerde opleidingen inzake radicalisering voor het personeel) kan beslist worden om de gedetineerde te laten uitstromen naar satellietgevangenissen, waarbij een bijzondere aandacht uitgaat naar observatie op individueel te bepalen punten.

Na evaluatie in satellietgevangenissen kan eveneens beslist worden om een gedetineerde over te plaatsen naar D-Rad:Ex na intensieve monitoring.

6) g) Er bestaat nog geen deradicaliseringsprogramma. Inhoudelijk zal dit uitgewerkt worden door de Gemeenschappen. De Vlaamse Gemeenschap voorziet in haar Actieplan Radicalisering een luik specifiek rond gedetineerden (punt 10.3 opname van een doelstelling rond radicalisering in het Vlaams Strategisch Plan 2015–2020). Deze zal een lokale vertaling krijgen en ingebed worden in de activiteiten van de Vlaamse Gemeenschappen in de respectievelijke gevangenissen (door middel van toegang tot specifieke hulp- en dienstverlening voor deze groep gedetineerden, maar evenzeer gevolg krijgen in de opvolging door justitieassistenten (in functie van signalering, specifieke dadercursussen, en dergelijke). Het DG EPI heeft hierbij een faciliterende rol.

6) h) Het structureel overleg met de justitiehuizen is vrij recent en georganiseerd onder vermelding van een werkgroep. Centraal thema hierbij is hoe in een degelijke informatiedoorstroming voorzien, vanuit de idee dat continuïteit van opvolging in de strafrechtsketen essentieel is.

Belangrijke opmerkingen hierbij zijn dat aangezien de justitiehuizen gemeenschapsaangelegenheden zijn :

i) er ook geen uniformiteit is naar het beleid dat N & Z gevoerd wordt ;

ii) er voor het N geen centraal aansprekingspunt is ;

iii) het tweede deel van de vraag aan de Gemeenschappen dient gesteld te worden, aangezien zij én de deradicaliseringsprogramma’s zullen uitwerken én de begeleiding door de justitiehuizen verzorgen.

DG EPI is bijgevolg sterk afhankelijk van de (beleidsmatige) keuzes die door de Gemeenschappen inzake de aanpak van radicalisering worden gemaakt. Hierbij zal DG EPI steeds een zo constructief mogelijke houding aannemen om tot een zo optimaal samenwerkingsverband te komen.

6) i) Islamconsulenten worden niet betrokken bij de screening. In het Belgisch Staatsblad van 19 april 2016 verscheen het koninklijk besluit van 10 april 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 2005 houdende vaststelling van het kader van de aalmoezeniers en de islamconsumenten van de erkende erediensten. Middels dit besluit werd het aantal vertegenwoordigers van een aantal erediensten opgetrokken. Voor de islamitische eredienst ging het aantal islamconsulenten van 17 naar 26 (plus een hoofd van de dienst). Hun rol werd niet gewijzigd.

7) De programma's worden enkel voorzien voor de D-Rad:exen. We zullen eerst deze volledig uitvoeren en testen en nadien de resultaten evalueren.