Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-913

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 20 april 2016

aan de minister van Justitie

Radicalisering - Strijd - Gevangenissen - Samenwerking tussen de federale overheid en de Gemeenschappen en Gewesten

extremisme
institutionele samenwerking
strafgevangenis
uitwisseling van informatie
radicalisering

Chronologie

20/4/2016 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 19/5/2016 )
29/3/2017 Antwoord

Vraag nr. 6-913 d.d. 20 april 2016 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De strijd tegen radicalisering is een strijd die dient gevoerd te worden door de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen en de lokale overheden. Het is bij uitstek een transversale aangelegenheid, waarvoor alle institutionele overheden een deel van de verantwoordelijkheid moeten nemen.

Niet alleen de minister van Justitie is bevoegd voor de gevangenissen, maar in principe ook de gemeenschappen in het kader van hun bevoegdheden inzake een aangepast aanbod voor sociale hulpverlening aan gedetineerden (cf. bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 5, § 1, II, 7°).

In het kader van de uitvoering van het actieplan van FOD Justitie “Aanpak radicalisering in gevangenissen”, gebeurt de uitwisseling van informatie met betrekking tot radicalisering in gevangenissen momenteel voornamelijk via een federaal, permanent overlegplatform. Dat werd opgericht in het kader van het protocolakkoord tussen de Veiligheid van de Staat en het Directoraat-generaal Penitentiaire Instellingen (DG EPI). Dit protocolakkoord kadert in het federaal actieplan Radicalisme (Plan R). Aan het permanent overlegplatform nemen ook vertegenwoordigers van het Coördinatieorgaan voor dreigingsanalyse (OCAD), het Crisiscentrum en de centrale diensten Terrorisme van de federale politie deel.

In het actieplan van de Vlaamse regering wordt aangekondigd dat zij, samen met de federale overheid, zal onderzoeken op welke manier haar instrumenten inzake deradicalisering kunnen worden ingeschakeld (trajecten naar werk, opleiding, hulpverleningstrajecten, …) in de aanpak van radicalisering in gevangenissen.

In de initiatieven van de Franse Gemeenschap inzake preventie van radicalisme wordt de aanpak van radicalisering in de gevangenissen niet vermeld.

Toch wordt in het federaal actieplan benadrukt dat Justitie overleg moet plegen met de deelstaten en hun respectievelijke administratieve diensten die binnen de gevangenismuren gevestigd zijn om na te gaan hoe deze kunnen bijdragen tot de strijd tegen radicalisering.

Het Vlaams decreet van 8 maart 2013 betreffende de organisatie van hulp- en dienstverlening aan gedetineerden is van toepassing op de inrichtingen in het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

De Franse Gemeenschap heeft haar bevoegdheid inzake de sociale hulpverlening aan gedetineerden overgedragen aan het Waals Gewest en, voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, aan de Franse Gemeenschapscommissie (bijzonder decreet van 3 april 2014 betreffende de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap waarvan de uitoefening naar het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie wordt overgedragen, artikel 3, 7°, e)).

Ingevolge deze bevoegdheidsverdeling is het in elk geval mogelijk dat de uitoefening van de gemeenschapsbevoegdheden in de gevangenissen in de praktijk leidt tot een verschillende aanpak van het radicalisme, zelfs binnen de muren van een zelfde gevangenis (in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest).

De aanpak van radicalisering in de gevangenissen is afhankelijk van de plaats waar de gevangenis is gelegen. Een ernstige coördinatie en samenwerking tussen de federale overheid en de deelgebieden dringt zich dus op.

Wat zal de minister doen om dit probleem aan te pakken? Is er reeds overleg gepleegd met de bevoegde gewesten en gemeenschappen? Wanneer zal hij hierrond een initiatief nemen? Hoe denkt hij deze verschillen te kunnen wegwerken en een betere coördinatie te realiseren rond de strijd tegen de radicalisering binnen de gevangenissen?

Antwoord ontvangen op 29 maart 2017 :

Er wordt verwezen naar de samenwerkingsakkoorden van de Federale Overheidsdienst (FOD) Justitie met de Vlaamse Gemeenschap (1 oktober 2014), het samenwerkingsakkoord met de Franse Gemeenschap (23 mei 2014) en het samenwerkingsakkoord met de COCOM (25 maart 1999).

De interministeriële conferentie (IMC) justitiehuizen behandelt ook het fenomeen van het radicalisme. In de schoot van het IMC is een werkgroep opgericht waarin meer operationeel vorm wordt gegeven aan de samenwerking tussen de federale en gemeenschapsdiensten op dit domein. In de marge hiervan zijn ook de eerste stappen gezet om specifieke draaiboeken op te stellen, gezamenlijk door de penitentiaire administratie en de gemeenschappen, waarin minutieus de aanpak van dit fenomeen wordt beschreven.

De Vlaamse Gemeenschap voorziet in haar Actieplan Radicalisering een specifiek luik rond radicalisering van gedetineerden (punt 10.3 opname van een doelstelling rond radicalisering in het Vlaams Strategisch Plan 2015-2020). Dit luik zal een lokale vertaling krijgen en ingebed worden in de activiteiten van de Vlaamse Gemeenschap in de respectievelijke gevangenissen. Dit zal gebeuren door middel van toegang tot specifieke hulp- en dienstverlening voor deze groep gedetineerden, maar evenzeer gevolg krijgen in de opvolging door justitieassistenten (in functie van signalering, specifieke dadercursussen en dergelijke). De Vlaamse gemeenschap heeft twee coördinatoren aangesteld die dit alles in goede banen zullen leiden.

Er wordt hierbij ook volop ingezet op de mogelijke informatie-uitwisseling tussen de FOD Justitie en de veiligheidsdiensten.

Langs Franstalige kant zijn er een aantal werkgroepen opgericht rond het aanbod aan radicale gedetineerden, waarbij een aantal struikelblokken eerst weg gewerkt dienen te worden (onder andere rond beroepsgeheim en dergelijke).

De rol van de FOD Justitie in de uitbouw van het aanbod, anders dan de controle- en veiligheidsprocedures alsook andere aspecten van de regime-invulling, is vrij beperkt. Het voorgelegde aanbod wordt ingeschaald binnen het reguliere aanbod aan gedetineerden. Hierbij gaat de aandacht vooral uit naar het hebben van een zinvolle dagbesteding met het oog op de uitbouw van een degelijke reclassering.

De FOD Justitie biedt de gemeenschappen logistieke ondersteuning (bijvoorbeeld lokalen), evalueert de haalbaarheid van het aanbod in functie van veiligheid en opportuniteit, neemt een coördinerende rol op (bijvoorbeeld vermijden van dubbel aanbod vanuit verschillende gemeenschappen), en stuurt aan vanuit een zekere opgebouwde expertise.

Tenslotte zal het aanbod op de gespecialiseerde afdelingen in samenspraak met de islamconsulenten worden uitgewerkt.