Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-911

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 20 april 2016

aan de minister van Justitie

Radicalisering - Strijd - MoskeeŽn - Erkenning - Ondersteuning - Procedure - Vereenvoudiging - Maatregelen - Samenwerking tussen de federale overheid en de Gemeenschappen en Gewesten

godsdienst
islam
institutionele samenwerking
religieus conservatisme
staatsveiligheid
administratieve formaliteit
extremisme
radicalisering

Chronologie

20/4/2016 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 19/5/2016 )
11/9/2017 Rappel
16/11/2018 Rappel
14/1/2019 Rappel
23/5/2019 Einde zittingsperiode

Vraag nr. 6-911 d.d. 20 april 2016 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

De strijd tegen radicalisering is een strijd die dient gevoerd te worden door de federale overheid, de gewesten en gemeenschappen en de lokale overheden. Het is bij uitstek een transversale aangelegenheid, waarvoor alle institutionele overheden een deel van de verantwoordelijkheid moeten nemen.

De bevoegdheid om erediensten te erkennen is federaal. De erkenning van een eredienst gaat gepaard met de keuze van een representatief orgaan van de betrokken eredienst. Ingevolge deze erkenning betaalt de federale regering ook de wedden en pensioenen van de bedienaren van de erkende godsdiensten. Zij neemt die bedienaren van de erediensten ten laste die door de religieuze overheid in een bepaald gebied worden benoemd.

De gewesten zijn bevoegd om de instellingen belast met het beheer van de goederen van een eredienst te organiseren, hun werking te regelen en hierop toezicht uit te oefenen (verschillend geregeld in de drie gewesten). Zo is in het Vlaams Gewest, sinds 1 maart 2005, het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiŽle organisatie en de werking van de erkende erediensten van toepassing. In het Brusselse Gewest blijft de federale wetgeving van toepassing maar zijn er wel een aantal wijzigingen aangebracht door de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende diverse hervormingen krachtens de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. In het Waals Gewest geldt nog steeds de federale wetgeving. De gewesten zijn eveneens bevoegd voor de oprichting van "gemeenschappen" van de door de federale overheid erkende godsdiensten.

Op 8 juli 2008 hebben de federale overheid, de gewesten en de Duitstalige Gemeenschap een samenwerkingsakkoord gesloten over de gedeeltelijke regionalisering van de eredienstregeling. Volgens dit akkoord is de erkenning van een eredienst een federale beslissing. De gewesten beslissen over de door de federale erkende erediensten ingediende verzoeken tot "oprichting van een gemeenschap".

De gemeenschappen, tenslotte, zijn bevoegd om de leerkrachten te benoemen die belast worden met het vak godsdienst en kunnen een ander representatief orgaan kiezen dan dat erkend door de federale overheid.

Alle voorgestelde maatregelen in de strijd tegen de radicalisering voorzien in uitgebreid overleg met de imams en de vertegenwoordigers van de islamitische geloofsgemeenschap in ons land. Het is echter niet helemaal duidelijk wie kan optreden tegen radicale moslimpredikers en wie kan beslissen om radicale moskeeŽn te sluiten. Evenmin is duidelijk wie de contacten moet leggen met de islamitische gevangenisaalmoezeniers. Moet dat gebeuren door het federale niveau of door het gewest ?

In sommige gevallen gaat het om moskeeŽn die spontaan zijn opgericht en die dus niet erkend zijn door de gewesten of waarvan de bedienaars van de eredienst niet betaald worden door de federale overheid.

Het samenwerkingsakkoord voorziet wel in een advies van de federale overheid bij de oprichting van een gemeenschap. Indien het negatief advies van de federale overheid gegrond is op elementen die de veiligheid van de Staat of de openbare orde aanbelangen, wordt de oprichtingsprocedure van de kerkgemeenschap opgeschort. Het samenwerkingsakkoord bevat echter geen bepalingen over wat er moet gebeuren wanneer een erkende gemeenschap later geradicaliseerd wordt. Dat is evenmin voorzien in de federale wet of in de wetgeving die door de gewesten is aangenomen.

Vast staat dat het overgrote deel van de moskeeŽn, zeker in Vlaanderen, een enorme bondgenoot zijn in de strijd tegen radicalisering en dat de ondersteuning en de erkenning van moskeeŽn alleen kan bijdragen tot de strijd tegen radicalisering.

Veel te vaak is de procedure tot het erkennen van een moskee heel lang en ondoorzichtig. De gewesten moeten een aanzet geven en een advies vragen aan de Moslimexecutieve. Anderzijds moet er steeds een gunstig advies gegeven worden door de Staatsveiligheid. Dan moet het dossier terug naar de deelstaatregering en uiteindelijk komt dan de financiering vanuit FOD Justitie.

Veel te veel moskeeŽn wachten jarenlang op hun erkenning en al die tijd zitten ze in een wankele positie en wordt hun hulp in de strijd tegen extremisme en radicalisering niet voldoende gewaardeerd.

Ook de Staatsveiligheid neemt veel te laks haar rol op in het erkenningsproces voor moskeeŽn. Het lijkt wel alsof de Staatsveiligheid geen enkel risico wil nemen en daardoor veel te vaak een negatief advies aflevert of niet overgaat tot het afleveren van een advies.

De minister van Justitie speelt in dit alles een cruciale rol, ook als voogdijminister voor de Moslimexecutieve.

1) Wat zal hij ondernemen om het proces voor de erkenning van honderden moskeeŽn te versnellen en ervoor te zorgen dat de moskeeŽn hun belangrijke rol als bondgenoot in de strijd tegen radicalisering kunnen opnemen?

2) Wanneer zal hij overleg plegen met gewesten en gemeenschappen om een gezamenlijke verantwoordelijkheid op te nemen naar de honderden moskeeŽn die op erkenning zitten te wachten?

3) Op welke wijze wil hij de procedure voor de erkenning van moskeeŽn vereenvoudigen en transparant maken?

4) Is hij het met mij eens dat het overgrote deel van de moskeeŽn een absoluut belangrijke rol kunnen spelen in de strijd tegen radicalisering?

5) Wordt het geen tijd dat deze moskeeŽn hiervoor ook de nodige erkenning en financiering krijgen?