Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-391

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 15 januari 2015

aan de vice-eersteminister en minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Buitenlandse Handel

Inschakelinguitkeringen - Uitsluitingsbeslissing - Gevolgen - Maatregelen van de Gewesten - Gemeenschappelijke maatregelen - Kosten van opvang en begeleiding van de uitgesloten werkzoekenden

Hoofdstedelijk Gewest Brussels
werkloosheidsverzekering
werkloosheidsbestrijding
institutionele hervorming
verdeling van de bevoegdheden
herintreding

Chronologie

15/1/2015 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 19/2/2015 )
13/3/2015 Antwoord

Vraag nr. 6-391 d.d. 15 januari 2015 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gaat maatregelen nemen om de gevolgen van de uitsluitingsbeslissing, die op 1 januari 2015 is ingegaan, op te vangen.

De uitgesloten personen kunnen zich, indien ze dat wensen, opnieuw inschrijven bij Actiris. Zo kunnen ze blijven gebruikmaken van een aantal diensten in hun zoektocht naar werk: persoonlijke begeleiding, aangepaste coaching, voorbereiding van een sollicitatiegesprek, taallessen, informaticacursussen enzovoort.

Zodra ze opnieuw ingeschreven zijn, krijgen ze ook toegang tot de informatie die Bruxelles Formation ter beschikking stelt. De minister van Tewerkstelling van de Brussels hoofdstedelijke regering zal ook aan de VDAB te Brussel vragen om de uitgesloten personen de toegang te verlenen tot de nodige informatie.

Er bestaan twee soorten van maatregelen: maatregelen gericht op het "doelpubliek" en maatregelen inzake "activering". De eerste soort beoogt een vermindering van de werkgeversbijdragen in de sociale zekerheid. Met de andere maatregelen wil het Brussels Hoofdstedelijk Gewest financieel tussenkomen in de kosten die verband houden met de beroepsinschakeling van een werkloze.

De Brusselse hoofdstedelijke regering zal uiteraard de nodige maatregelen nemen om de uitgesloten personen in de mate van het mogelijke gebruik te laten maken van die verschillende tewerkstellingsinitiatieven. In voorkomend geval zal de voorwaarde om volledig vergoed te worden als werkloze dus worden opgeheven.

1) Heeft de minister contact opgenomen met de verschillende Gewesten om gemeenschappelijke maatregelen te nemen voor de begeleiding en opvang van de personen die als gevolg van de federale uitsluitingsmaatregelen geen werkloosheidsuitkering meer zullen ontvangen ?

2) Werden er in het kader van de Zesde Staatshervorming bevoegdheden overgeheveld naar de Gewesten waardoor die de federale uitsluitingsmaatregelen kunnen terugschroeven?

3) Heeft de minister de zekerheid dat alle Gewesten de federale uitsluitingsmaatregelen correct en co÷peratief zullen uitvoeren ?

4) Beseft de minister dat de uitsluitingsmaatregelen ernstige bijkomende kosten veroorzaken voor de Gewesten en de gewestelijke diensten die bevoegd zijn voor de arbeidsbemiddeling? Zal de federale regering de kosten van opvang en begeleiding van de uitgesloten werkzoekenden op zich nemen?

5) Vereist een correct en co÷peratief (con)federalisme niet dat elk bestuursniveau verantwoordelijk moet zijn voor de kosten die het veroorzaakt?

Antwoord ontvangen op 13 maart 2015 :

Aanvullend op mijn antwoord op uw schriftelijke vraag nr. 6-390, kan ik ook nog het volgende meedelen.

Het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat enerzijds en de Gewesten en Gemeenschappen anderzijds betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen werd vervangen door een nieuw samenwerkingsakkoord, afgesloten op 6 november 2013. Daar gingen maandenlange besprekingen en overleg aan vooraf. Op dat ogenblik was de regelgeving inzake de beperking van de inschakelingsuitkeringen tot zesendertig maanden reeds gekend. In dat samenwerkingsakkoord is er een bijzondere aandacht voor de jongeren.

Zo verbinden de Gewesten er zich toe aan elke werkloze van minder dan vijfentwintig jaar een individueel actieplan aan te bieden voordat hij vier maanden werkloos is. Voor zij van vijfentwintig jaar en meer, gebeurt dit voordat men negen maanden werkloos is. Aanvullend is voorzien dat, wanneer de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (RVA) op het ogenblik dat zij evaluatiegesprekken hebben met de werklozen aangaande hun actief zoeken naar werk vaststelt dat er geen individueel actieplan is, de Gewesten zich engageren om alsnog een individueel actieplan aan te bieden binnen de twee à vier maanden na het evaluatiegesprek bij de RVA. En ook voor de werkzoekenden met een blijvende arbeidsongeschiktheid van minstens 33 % en voor de werkzoekenden met een MMPP-problematiek, zijn engagementen van de Gewesten voorzien voor een aangepaste begeleiding.

Deze afspraken zijn dus ruim vóór 1 januari 2015 gemaakt, de vroegste datum waarop het verlies van de inschakelingsuitkeringen zich kon voordoen, en iedereen heeft dus ruim de tijd gehad om zich voor te bereiden. Bijkomende initiatieven waren dus niet echt nodig. Toch heb ik in de loop van december 2014 al mijn collega’s ministers van Werk van de Gewesten gezien, en is dit onderwerp daarbij ter sprake gekomen.

Binnen de zesde Staatshervorming zijn aan de Gewesten een hele reeks nieuwe bevoegdheden inzake arbeidsmarktbeleid toegewezen. Maar als groot principe bij die zesde Staatshervorming gold onder andere dat de sociale zekerheid een federale materie blijft. Voor de regels aangaande de duur tijdens dewelke men uitkeringen kan ontvangen, is enkel het federale niveau bevoegd. De Gewesten zijn dus niet bevoegd om deze regelgeving « terug te schroeven », maar kunnen natuurlijk via hun bevoegdheid inzake arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding er voor zorgen dat zo veel mogelijk werkzoekenden een gepast werk vinden, waardoor het verlies van uitkeringen zich niet meer stelt. Daarbij aansluitend is het ook zo dat de gewesten niet tussenkomen in de uitvoering van deze beperking van het recht op inschakelingsuitkeringen tot zesendertig maanden, zodat de vraag of ze dit wel correct en coöperatief zullen uitvoeren zich niet stelt.

Wat tenslotte de vraag betreft aangaande het dragen van de kosten van de begeleiding van de werkzoekenden, herinner ik er aan dat het principe van de verticaliteit van de bevoegdheden betekent dat elk op zijn bevoegdheidsniveau volledig autonoom is, en dit zowel voor de wetgevings-, uitvoerings-, controle-, als financieringsbevoegdheid. De Raad van State heeft in het verleden trouwens reeds gesteld dat de federale overheid zelfs niet op vrijwillige basis aan de Gewesten een financiële tegemoetkoming kan toekennen voor de begeleidingskost van werkzoekenden, aangezien de begeleiding overeenkomstig de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen een exclusieve gewestbevoegdheid is.