Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-371

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 8 januari 2015

aan de minister van Justitie

Wapenhandelaars - Tussenhandelaars - Erkenning

wapenhandel
officiŽle statistiek
handelaar
tussenhandelaar
zwarte handel
toegang tot het beroepsleven

Chronologie

8/1/2015 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 12/2/2015 )
27/5/2015 Antwoord

Vraag nr. 6-371 d.d. 8 januari 2015 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Tussen 1991 en 2003 werden de grootste onderdelen van het Belgisch beleid rond buitenlandse wapenhandel een bevoegdheid van de Gewesten. Er werd sindsdien een zekere communautaire rust gerealiseerd, althans inzake de wapenexportdossiers. Maar er resten nog steeds bevoegdheden inzake wapenhandel bij de federale overheid. Daardoor is het uiterst moeilijk en moeizaam om een globaal overzicht te verwerven van de buitenlandse wapenhandel van ons land.

Exportcontrole vraagt in alle landen samenwerking tussen verschillende overheidsdiensten, maar de verdeling over de verschillende constitutionele entiteiten van de Belgische federatie voegt hier nog een laag van complexiteit aan toe. Dat wordt duidelijk wanneer we de wetgevende en de controlerende taak van de parlementen inzake de controle op wapenhandel van nabij bekijken. Volksvertegenwoordigers kunnen in hun halfrond slechts op deelaspecten van de omvattende wapenhandelproblematiek ingaan.

Federale parlementsleden kunnen toezicht houden op en koppelingen maken tussen het Belgische buitenlandse veiligheidsbeleid (Buitenlandse Zaken), de verkoop en export door het Belgisch leger (Defensie en Economische Zaken), de erkenning van wapenhandelaars en tussenhandelaars (Justitie), de bestrijding van illegale wapenhandel door de politiek (Binnenlandse Zaken), nucleaire non-proliferatie (Energie), de efficiŽntie van grenscontrole door de douane (FinanciŽn) en de beveiliging van de nationale en regionale luchthavens (Mobiliteit en Binnenlandse Zaken).

Parlementsleden uit de Gewest- en Gemeenschapsparlementen controleren op hun beurt het beleid inzake in-, uit-, en doorvoer van wapens, militair materiaal en goederen voor tweeŽrlei gebruik door particulieren, handelaars en producenten (Buitenlandse Handel), de regelgeving inzake de jacht (Leefmilieu) en sportschutters (Sport), en gebruik van folkloristische wapens (Cultuur).

Het ontwikkelen en aanhouden van een coherente visie, het aankaarten van problemen en het lanceren van nieuwe voorstellen zijn in deze context uitermate moeilijk.

Maar daar ligt een taak en opdracht van de Senaat die net inzake deze transversale bevoegdheden een onderzoek kan voeren.

In het kader van de voorbereiding van een informatieverslag ter zake verzoek ik de minister een antwoord te verstrekken op volgende vragen:

1. Welke wapenhandelaars en tussenhandelaars werden door het ministerie van Justitie erkend en dit tijdens de jaren 2012, 2013 en 2014?

2. Zijn er gegevens over de wapens die deze leveranciers verhandelen?

3. Over welke trafieken van wapenhandel ging het? Met welke derde landen hebben deze leveranciers wapentransporten opgezet?

Graag dus een overzicht per wapen: waar of van wie het aangekocht werd en wanneer.

4. Wat was de kostprijs van de door deze leveranciers geleverde en verhandelde wapens in de jaren 2012, 2013 en 2014?

5. Werden er bij deze erkende wapenhandelaars en tussenhandelaars nadien illegale wapentrafieken opgerold? Zo ja, over welke overgedragen wapens gaat het?

6. Hoe zal de minister ervoor zorgen dat er een grondige politieke en maatschappelijke controle en een debat mogelijk zal zijn over het erkennen van wapenhandelaars en tussenhandelaars?

7. Houdt de minister, in het kader van het onderzoek naar de moraliteit van deze kandidaat-handelaars, overleg met de bevoegde gewestelijke diensten die zich bezig houden met de controle op de wapenhandel? Is er overleg met de bevoegde gewestelijke ministers?

Antwoord ontvangen op 27 mei 2015 :

1) en 2) Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon op basis van de wapenwet van 8 juni 2006, die de minister van Justitie afgeeft in beroep, na een weigering door de gouverneur, en de afgifte van een voorafgaande vergunning op basis van artikel 10 van de nu grotendeels geregionaliseerde en door decretale bepalingen vervangen wet van 5 augustus 1991, die de internationale wapenhandel regelde en waarvan nog enkele aspecten federaal zijn gebleven, zoals de afgifte van een voorafgaande vergunning op basis van een moraliteitscontrole aan tussenpersonen in voornoemde handel die in ons land enkel een administratieve functie uitoefenen en die geen wapens door het Belgische grondgebied laten voorbijkomen.

In het kader van die laatste regelgeving, werden er enkele zeldzame aanvragen van voorafgaande vergunningen behandeld.

3) en 4) Of de firma's die een voorafgaande vergunning hebben verkregen daar effectief gebruik hebben van gemaakt en met welk doel, is een vraag die niet kan worden beantwoord. Het betreft immers de transfer van wapens van en naar derde landen, zonder via het Belgische grondgebied te passeren, wat geen in- en uitvoerdocumenten vereist.

5) Mijn diensten hebben geen kennis van illegale trafieken, waarbij over een vergunning beschikkende firma’s betrokken zouden zijn.

6) Een debat ten gronde over de problematiek van de wapentransfers door brokers, zal verder moeten gaan dan louter een evaluatie van de bestaande controlesystemen en dit om reden dat deze laatste in de praktijk ontoereikend blijken te zijn. In vele andere landen, waar men getracht heeft van een controlesysteem op poten te zetten stelt zich trouwens dit probleem evenzeer.

Brokers blijken immers nauwelijks controleerbaar en dit omdat hun activiteiten nagenoeg onzichtbaar kunnen blijven in de landen van waaruit ze hun activiteiten uitoefenen en een controle in dit land van oorsprong veelal illusoir is, aangezien dit veelal plaats vindt binnen de context van een land dat onstabiel is, waar er een gewapend conflict loopt of liep of waar er een dubieus regime aan de macht is. De aan deze activiteiten verbonden financiële transacties verlopen veelal evenmin via ons land.

7) In het kader van het moraliteitsonderzoek naar deze brokers, en in het algemeen van kandidaat-wapenhandelaars die in België wapens willen uit- of doorvoeren, is er een zeer vlotte samenwerking en uitwisseling van informatie met de betrokken gewestelijke diensten. Het verkrijgen van de voorafgaande vergunning na een moraliteitscontrole is een conditio sine qua non voor het verkrijgen van een gewestelijke licentie na controle van de betrokken goederen en hun bestemming. Tot nu toe lijkt het regelmatige overleg op het niveau van de administraties te volstaan.