Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1908

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 15 juni 2018

aan de minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen

Luchthaven van Zaventem - Milieueffectenstudie - Stand van zaken - Betrokken partijen

luchthaven
toezicht op het milieu
invloed op het milieu
milieuonderzoek

Chronologie

15/6/2018 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 19/7/2018 )
25/9/2018 Antwoord

Vraag nr. 6-1908 d.d. 15 juni 2018 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Uiteraard is de zaak van de vliegtuigen in en rond Zaventem een aangelegenheid die transversaal is. De federale minister van Mobiliteit is bevoegd voor de vliegroutes en de Gewesten zijn bevoegd voor de geluidsnormen.

De geachte minister heeft zich ertoe geŽngageerd een milieueffectenstudie over het vliegverkeer in en rond de luchthaven van Zaventem te laten uitvoeren. Blijkbaar voldeden enkele kandidaten niet aan de voorwaarden om deze studie uit te voeren.

De minister laat echter niets horen over de evolutie in dit dossier.

Heeft de geachte minister inmiddels opdracht gegeven tot het uitvoeren van de noodzakelijke milieueffectenstudie rond de vliegtuigactiviteit in en rond Zaventem ? Welke firma is aangewezen om deze milieueffectenstudie uit te voeren ? Welke waarborgen heeft hij dat die firma de studie op een objectieve wijze zal uitvoeren en zich afzijdig zal houden van de politieke agenda van enkele machtsgroepen ? Hoe zal hij ervoor zorgen dat alle betrokkenen, namelijk de luchthavenuitbater, de actiegroepen en de gemeenten rond de luchthaven en in de buurt van de luchthaven, betrokken worden bij deze milieueffectenstudie ? Zal hij ervoor zorgen dat ook het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken worden ? Zal hij ervoor zorgen dat tegelijk ook een groot gezondheidsonderzoek wordt uitgevoerd in de brede streek rond de luchthaven ? Zal hij de Vlaamse universiteiten bij deze studie betrekken ?

Antwoord ontvangen op 25 september 2018 :

Met betrekking tot de kritiek van de geachte senator dat het stil blijft rond de evolutie van de studie, verwijs ik onder meer naar de antwoorden die in de Kamer van volksvertegenwoordigers werden gegeven op interpellaties nrs. 239 en 270 en op mondelinge vragen nrs. 20051, 20181, 20794, 3031, 22143, 22209, 22656, 23360 (cf. CRIV 54 COM 737, blz. 3 ; CRIV 54 COM 787, blz. 22 ; CRIV 54 COM 822, blz. 7 ; CRIV 54 COM 931, blz. 2), maar ook naar de talrijke persartikels over dat onderwerp.

Met betrekking tot de objectiviteit en de onafhankelijkheid van de studie, neemt het bestek, voor deze vereiste, letterlijk de bewoordingen uit het vonnis van 19 juli 2017 over.

Om die vereiste nog te verstrengen, dient het studiebureau zich te houden aan een verklaring op erewoord, waaruit blijkt dat noch het studiebureau, noch enige natuurlijke of rechtspersoon die op doorslaggevende wijze dient bij te dragen aan de uitvoering van de diensten dan wel invloed kan uitoefenen op de verwezenlijking daarvan door de inschrijver, zich in een situatie van belangenconflict verkeert voor de uitvoering van deze diensten, of met andere woorden direct of indirect financiële, economische of andere persoonlijke belangen heeft die geacht kunnen worden zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de uitvoering van de diensten in het gedrang te brengen.

Meerdere gevallen van belangenconflict worden vermoed te bestaan, onder meer indien de potentiële inschrijver de afgelopen zeven jaar voor één van de in het geding zijnde partijen heeft gewerkt of indien hij in dezelfde periode een studie in verband met de luchthaven Brussel-Nationaal heeft uitgevoerd.

In dezelfde gedachtegang heeft het aangeduide studiebureau blijk moeten geven van internationale ervaring in verband met referentieluchthavens waarvan de grootte vergelijkbaar is met Brussel.

Het studiebureau ENVISA werd aangeduid om een wetenschappelijke en onafhankelijke effectstudie te voeren over de geluidshinder van de luchthaven Brussel-Nationaal. Die studie is nu aangevat ; de medewerkers van ENVISA onderzoeken de problematiek en hebben reeds de eerste contacten gelegd met de key stakeholders.

Het is aan ENVISA om, in het kader van zijn onafhankelijkheid en zijn objectiviteit, te bepalen met welke stakeholders het in gesprek wenst te gaan.

Deze studie zal een belangrijke en, ik hoop, onbetwiste werkbasis opleveren. Indien mijn voorgangers dergelijke stappen hadden ondernomen, hadden de voorafgaande werkzaamheden met het oog op een politieke beslissing veel eerder kunnen worden aangevat.