Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-138

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 23 oktober 2014

aan de vice-eersteminister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der gebouwen

Brusselse politie - Indienstneming Brusselaars

gemeentepolitie
aanwerving
tekort aan arbeidskrachten
Hoofdstedelijk Gewest Brussels

Chronologie

23/10/2014 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 27/11/2014 )
26/2/2015 Antwoord

Vraag nr. 6-138 d.d. 23 oktober 2014 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Recent berichtten de media over een structureel probleem bij de indienstneming van politieagenten in BelgiŽ. Dat probleem is significant groter in Brussel, waar er op 5 121 personeelsleden een onderbezetting van 543 blijft bestaan. Dat is ruim 10 %. Daarbij valt op dat de geselecteerde agenten voor de Brusselse korpsen overwegend van buiten Brussel komen. Dat ligt niet aan een tekort aan kandidaten, wel aan de beperkte slaagkansen van de Brusselaars die solliciteren. De hoofdoorzaken liggen voor de hand: bedenkelijk onderwijs en, daaraan gekoppeld, geringe talenkennis van de kandidaten van etnisch diverse afkomst. Eens geselecteerd, kiezen vele agenten voor een mutatie naar een korps dichterbij hun woonplaats waar het wellicht ook minder risicovol en veeleisend werken is dan in de hoofdstad.

Het probleem is helemaal niet nieuw. Hierover de volgende vragen:

1) Beaamt de geachte minister de bijzondere en structurele problemen voor de Brusselse politie om agenten in dienst te nemen? Bevestigt ze de bijzondere lage instroom van agenten van Brusselse origine?

2) Beaamt ze dat het probleem al meer dan een decennium aansleept en dus niet verrassend of nieuw mag worden genoemd?

3) Hoe verklaart ze dat men dat structurele probleem niet kan verhelpen?

4) Beschikt de overheid over onvoldoende mogelijkheden, instrumenten om de instroom van politieagenten van Brusselse afkomst te verhogen? Kunnen de (vele) Brusselse overheden hierop geen slagkrachtig antwoord bieden door bijvoorbeeld (1) een bijzondere propaedeutische vorming aan te bieden die de achterstand via gerichte en intensieve vorming kan wegwerken, of (2) een systeem van werk en vorming, zoals een gerekte praktijkstage met eindevaluatie enzovoorts. Bestaan er al concrete plannen in die zin? Werd hiervoor al overleg gepleegd met de betrokken actoren zoals de collega's ministers van Onderwijs en Vorming van de gemeenschappen of de BGDA of andereÖ

5) Beschikt de geachte minister over een concreet en dus ook evalueerbaar actieplan dat antwoorden op de structurele problemen kan bieden? Kan ze dat actieplan bezorgen?

Antwoord ontvangen op 26 februari 2015 :

Het geachte lid vindt hieronder het antwoord op zijn vragen:

1., 2 en 3. De problematiek van een gebrek aan operationele politiepersoneelsleden van Brusselse origine binnen de politiezones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is inderdaad een recurrent probleem.

25 % van de politiejobs bevindt zich te Brussel, terwijl het aantal kandidaatstellingen, afkomstig uit dezelfde regio, slechts tussen de 7 à 8 % van het totaal aantal kandidaatstellingen van het land bedraagt.

Volgens ‘Statbel’, (laatste verwezenlijkte peiling), bedroeg het aantal personen van Belgische nationaliteit en woonachtig in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in 2011 7,79 % van het totaal. Hierdoor is het aantal politiekandidaten representatief voor de bevolking binnen het Gewest.

Niettemin is het aantal Nederlandstalige kandidaten, woonachtig op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zeker onvoldoende om de vooropgestelde quota in te vullen.

Het is dus geen verrassing dat de politie een beroep moet doen op kandidaten, afkomstig uit andere provincies, om de quota voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te bereiken.

Wat de slagingspercentages van de politiekandidaten uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, zijn deze, in het algemeen, licht lager dan het nationale gemiddelde voor de cognitieve proeven. De taalkennis speelt hierbij een essentiële en zelfs doorslaggevende rol. Daarbovenop wordt, voor de Franstalige kandidaten, een resultaat voor de fysieke geschiktheidsproef (functioneel parcours) opgetekend dat lager is dan het gemiddelde. Het slagingspercentage voor de persoonlijkheidsproeven, daarentegen, is licht hoger dan het nationaal gemiddelde.

Het is belangrijk te melden dat het aantal gekende kandidaten in de politiedatabanken er hoger is dan het nationaal gemiddelde.

4. Vanuit het oogpunt van initiatieven, andere dan de publiciteitscampagnes die de federale politie voor zijn rekening heeft genomen, zijn onder andere volgende acties met de partners ondernomen:

Sinds begin 2014 is de federale politie aanwezig geweest op 58 gelegenheden op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en dit zonder de gelegenheden, die de entiteiten zelf hebben ingericht, mee te tellen.

Ik onderlijn dat elk politiekorps, dat er niet in slaagt haar vacante betrekkingen via de interne mobiliteitsregeling, eigen aan de politie, in te vullen een beroep kan doen op een ‘onmiddellijke werving’ zoals beschreven in de ministeriële omzendbrief van de Federale Overheidsdienst(FOD) Binnenlandse Zaken van 14 mei 2013. In 2014 heeft geen enkel Brussels politiekorps van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

5. Het komt mij niet toe om in het kader van de personeelsinvulling en rekrutering in de zes Brusselse Zones een concreet en evalueerbaar actieplan op te stellen. Samen betrokken actoren ondernemen we wel, in partnerschap, verschillende acties (zie punt 4) om deze problematiek te verhelpen.

Overigens heeft de politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene recent in de pers aangekondigd haar diensten te willen optimaliseren met het oog op een verbetering van haar zichtbaarheid zonder hierbij bijkomende talrijke indienstnemingen te beogen.