Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 6-1033

van Bert Anciaux (sp.a) d.d. 29 september 2016

aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Europese Zaken, belast met Beliris en Federale Culturele Instellingen

Saoedi-ArabiŽ - Wapenleveringen - Verbod - Afsluiting van een deontologisch pact - Samenwerking met de Gewesten

Saoedi-ArabiŽ
wapenhandel
internationale sanctie

Chronologie

29/9/2016 Verzending vraag (Einde van de antwoordtermijn: 3/11/2016 )
26/4/2017 Antwoord

Vraag nr. 6-1033 d.d. 29 september 2016 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Voor een belangrijk deel zijn het toezicht en de regeling van wapenleveringen aan derde landen een bevoegdheid van de Gewesten.

Nochtans is het duidelijk dat er ook belangen meespelen die rechtstreeks te maken hebben met de buitenlandse politiek van ons land. Wapenleveringen aan sommige landen zijn contraproductief voor de samenwerking binnen de Europese Unie (EU), de NAVO of de Verenigde Naties (VN).

Zeker wapenleveringen aan Saoedi-ArabiŽ is minstens een zeer gevoelig onderwerp en heeft rechtstreeks invloed op tal van internationale conflictaarden. Ook de strijd tegen het terrorisme kan hier nadeel van ondervinden.

Inmiddels is het duidelijk dat vorig jaar, 2015, meer dan 60 % van de Waalse wapens verkocht werden aan Saoedi-ArabiŽ en dat daardoor er tal van gewelddaden en mogelijk zelfs terroristische aanslagen ondersteund worden.

1) Wat zal de geachte minister doen om het beschadigde imago van BelgiŽ, ontstaan door de massale wapenleveringen aan Saoedi-ArabiŽ, te herstellen ?

2) Hoe kan hij, middels een overleg met de Gewesten, een duidelijk deontologisch pact afsluiten met deze Gewesten aangaande de wapenleveringen aan landen zoals Saoedi-ArabiŽ ?

3) Hoe zijn deze wapenleveringen te vereenzelvigen met de strijd om meer democratie wereldwijd ?

4) Wat zal hij ondernemen om deze schurkenstaat Saoedi-ArabiŽ, waar een grote meerderheid van de bevolking gediscrimineerd wordt en geen fundamentele mensenrechten krijgt, af te sluiten van internationale en nationale (Waalse en Vlaamse) wapenleveringen ? In het verleden werd met succes aan ondemocratische en dictatoriale regimes een wapenembargo opgelegd. Waarom ijvert hij en ons land niet om dit ook voor Saoedi-ArabiŽ te realiseren ? Waar wacht de federale regering op om dit door te voeren, nu belangrijke verdedigers van de wapentransporten in de federale oppositie zitten ?

Antwoord ontvangen op 26 april 2017 :

Een herinnering aan het huidige kader voor de bevoegdheidsverdeling betreffende wapenuitvoercontrole laat toe om de vragen te beantwoorden.

Artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, opgeheven bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt hersteld in de volgende lezing:

"4° De in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie, en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik, onverminderd de federale bevoegdheid inzake de in- en uitvoer met betrekking tot het leger en de politie en met naleving van de criteria vastgesteld in de Gedragscode van de Europese Unie op het stuk van de uitvoer van wapens;".
De bijzondere wet van 12 augustus 2003, die de bevoegdheidsoverdracht regelt betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel, heeft de bevoegdheid voor de in- en uitvoer van wapens grotendeels geregionaliseerd.
De Gewestregeringen zijn sinds 2003 zelf verantwoordelijk voor de controle op de internationale wapenoverdrachten uitgevoerd door de economische operatoren die op hun respectievelijke grondgebieden gevestigd zijn. De Federale regering heeft enkel een residuele bevoegdheid behouden voor vergunningen die betrekking hebben op internationale overdrachten van wapens door Defensie en de Federale Politie. Het gaat daarbij om overtollig materiaal.
De Gewesten hebben overigens hun eigen wetgeving inzake wapenhandel aangenomen met respect voor de politieke en juridische parameters van de Europese Unie (EU), het relevante internationale kader, zoals het Verdrag over de wapenhandel waarbij België partij is, de wapenembargo’s opgelegd door de resoluties van de Verenigde Naties (VN)-Veiligheidsraad en de beperkingsmaatregelen van de Europese Unie. 
Het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie, evenals van producten en technologieën voor tweeërlei gebruik van 17 juli 2007 heeft regels vastgesteld, in overeenstemming met de verdeling van de bevoegdheden bepaald door de bijzondere wet van 12 augustus 2003. Dit samenwerkingsakkoord omvat een reeks bepalingen betreffende de uitwisseling van informatie en verzoeken tot overleg en coördinatie, en betreffende de vertegenwoordiging van de Gewesten, o.a. binnen de COARM-werkgroep van de Europese Unie.
Eén keer per semester of op specifiek verzoek van een Gewest overhandigt de Federale Overheidsdienst (FOD) Buitenlandse Zaken de laatste versie van de landenanalyses opgemaakt door de FOD Buitenlandse Zaken aan de regionale contactpunten. Deze “landenfiches” omvatten, indien verantwoord, een hoofdstuk over de situatie van de mensenrechten (artikel 4).

Een lijst van de landen waarover informatie actiever moet worden uitgewisseld, zoals vermeld in het samenwerkingsakkoord over de in-, uit- en doorvoer van wapens (enz.) van 17 juli 2007, werd tot op heden nog niet opgesteld. Artikel 5 van het samenwerkingsakkoord bepaalt dat de Gewesten, in samenspraak met de FOD Buitenlandse Zaken, deze lijst opmaken. De Gewesten moeten dus het initiatief nemen.
In het kader van de gedragscode van de Europese Unie, en op basis van een on-line Europees informatie uitwisselingsprogramma dat onlangs gecreëerd werd, hebben de Gewesten een directe toegang tot de relevante gegevens van Europese partners voor de toekenning of weigering van vergunningen. 
Indien zij dit nodig achten, kunnen de Gewesten en de Federale regering een verzoek om overleg indienen bij respectievelijk de FOD Buitenlandse Zaken of de Gewesten. Een dergelijk verzoek om overleg kan aanleiding geven tot de organisatie van een informatiebijeenkomst.
Mijn departement heeft aldus in april 2015 en in april 2016, op verzoek van de Gewesten, overleg georganiseerd over Saoedi-Arabië en de Golfregio in de aanwezigheid van de betrokken geografische dienst, de dienst non-proliferatie en ontwapening, alsmede de Gewesten. Mijn departement houdt systematisch informatie ter beschikking van de Gewesten over dit deel van de wereld. De aanvullende informatie vanwege de FOD Buitenlandse Zaken houdt geen enkele aansprakelijkheid van de Federale staat in voor de toekenning of weigering van een vergunning, hetgeen de exclusieve gewestelijke bevoegdheid blijft.
De interne coördinatie in België rond wapenexport vindt op een meer systematische wijze plaats in het kader van de voorbereiding van de vergaderingen van COARM, de werkgroep van de Raad van de EU over wapenuitvoer. COARM komt tien keer per jaar bijeen. In uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 17 juli 2007 (artikel 12, § 3), wordt elke COARM voorafgegaan door een Belgische interne coördinatie. Tijdens deze coördinatie spreken de vertegenwoordigers van de FOD Buitenlandse Zaken en de Gewesten de standpunten af die België zal innemen in COARM.
In COARM bespreken de Lidstaten onder andere hun wapenexportbeleid met betrekking tot specifieke bestemmingslanden. Tijdens de afgelopen maanden heeft België in COARM drie keer het initiatief genomen voor een bespreking van Saoedi-Arabië als het bestemmingsland en heeft het deelgenomen aan de besprekingen aangevraagd over hetzelfde onderwerp door Europese Unie (EU)-partners. Er is geen internationaal of Europees embargo op dit gebied met betrekking tot Saoedi-Arabië. De gesprekken in COARM zijn vertrouwelijk.
Noch de bijzondere wet van 12 augustus 2003, noch het samenwerkingsakkoord van 17 juli 2007 omvatten een “deontologisch pact” met de Gewesten rond wapenexportbeleid, in het algemeen of voor een bepaalde bestemming.