Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8944

van Cindy Franssen (CD&V) d.d. 3 mei 2013

aan de minister van Werk

De bestrijding van misbruiken en wantoestanden met betrekking tot dienstenchequebedrijven

bijkomend voordeel
fraude
faillissement
officiŽle statistiek

Chronologie

3/5/2013 Verzending vraag
13/6/2013 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-3348

Vraag nr. 5-8944 d.d. 3 mei 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Door het groeiende succes van de dienstencheques - zowel in aantal erkende ondernemingen (+3,38% in 2011 tegenover 2010), in aantal actieve gebruikers (+9,76% in 2011 tegenover 2010) als in aantal aangekochte cheques (+12,26% in 2011 tegenover 2010) - heeft de minister het systeem in het KB van 3 augustus 2012 tot wijziging van het KB van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques een aantal wijzigingen en beperkingen opgelegd. Zo gaat de aankoopprijs van een cheque van 7,5 naar 8,5 euro vanaf 1 januari 2013 en moeten de dienstenchequebedrijven nu reeds 60% van hun aanwervingen doen binnen de doelgroep van volledig uitkeringsgerechtigde werklozen en mensen met een leefloon.

Deze maatregelen zijn echter nutteloos als ze niet gepaard gaan met een strenge bestrijding van misbruiken en wantoestanden bij de dienstenchequebedrijven zelf. In haar persbericht van 20 april 2012 kondigde de minister een aantal maatregelen aan die de fraudebestrijding en de controle bij dienstenchequebedrijven moeten bevorderen en in totaal ook 9 miljoen euro zou moeten opbrengen.

Ten eerste zou de erkenning van een onderneming kunnen worden ingetrokken wanneer leidinggevende rechtspersonen bij een faillissement betrokken waren. Daarnaast zou een borgsom van 25.000 euro moeten worden gestort op een geblokkeerde RVA-rekening bij een aanvraag tot erkenning. Ten slotte kan ook de tegemoetkoming van de overheid deels ingehouden worden als de onderneming niet aan de erkenningsvoorwaarden voldoet en volledig ingehouden worden bij zware inbreuken, dit om eventuele schulden te dekken.

Graag antwoord op volgende vragen.

1) In hoeveel gevallen heeft de minister sindsdien de erkenning van een onderneming moeten intrekken omdat leidinggevende rechtspersonen bij een faillissement betrokken waren?

2) In hoeveel gevallen heeft de minister sindsdien tegemoetkomingen deels of volledig ingehouden?

3) Is de borgsom van 25.000 euro sindsdien consequent geblokkeerd op een rekening van de RVA bij een aanvraag tot erkenning?

4) Hoeveel hebben de maatregelen sindsdien samen opgebracht?

Antwoord ontvangen op 13 juni 2013 :

1. Artikel 2, § 2, f., van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen werd inderdaad verstrengd door de wet van 22 juni 2012 met ingang van 24 december 2012. Zo kan de erkenning worden geweigerd of ingetrokken wanneer de verantwoordelijke personen, zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, betrokken waren in een faillissement of liquidatie. De intrekking gebeurt niet door de minister maar wel ambtshalve door de voorzitter van de adviescommissie erkenningen op basis van artikel 2nonies van het Koninklijk Besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques. De uitbreiding naar leidinggevende rechtspersonen die bij een faillissement betrokken waren, gebeurde omdat in het verleden werd vastgesteld dat deze ten onrechte immuun waren voor de sancties van weigering of intrekking.

Sinds het invoeren van deze bepaling werden evenwel nog geen erkenningen geweigerd of ingetrokken omdat leidinggevende rechtspersonen bij een faillissement betrokken waren.

De erkenning werd in 2013 wel drie maal geweigerd omdat een leidinggevende natuurlijke persoon de voorbije drie jaar bij een faillissement betrokken was.

De erkenning werd in 2013 zeventien keer ambtshalve ingetrokken door de voorzitter van de adviescommissie erkenningen omdat de onderneming failliet was.

2. Het antwoord op deze vraag werd opgenomen in het antwoord op vraag 4.

3. Een onderneming die een erkenning dienstencheques wil bekomen moet een bedrag van 25 000 euro storten aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) om een borgsom samen te stellen. Om aan deze voorwaarde te voldoen moet dit bedrag gestort worden op een specifieke rekening van de RVA.

De borgsom blijft geblokkeerd zolang de erkenning loopt. Bij een vrijwillige stopzetting van de activiteiten of bij intrekking van de erkenning wordt deze borgsom teruggestort na aftrek van eventuele schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), de RVA en de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën.

4. Een bedrag van 1 741 508,76 euro werd ingehouden bij in totaal negenenzeventig erkende ondernemingen. Voor zeven erkende ondernemingen werd zowel een gedeeltelijke inhouding als een volledige inhouding uitgevoerd. (Toestand op 23 april 2013).

 

Aantal

bedrag

Volledige inhouding

56,00

1.551.008,76

Gedeeltelijke inhouding

30,00

190.500,00

Totaal:

86,00

1.741.508,76

zeventien kandidaat erkende ondernemingen hebben een borg van 25 000 euro op de daartoe bestemde financiële rekening van de RVA gestort. Dit maakt een totaal bedrag van 425 000 euro. (Toestand op 23 april 2013)