Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-8067

van Mieke Vogels (Groen) d.d. 11 februari 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken

Woonbonus - Woonraad - Kruissnelheid - Gebruik - Verdeling

belastingaftrek
belasting van natuurlijke personen
bevoegdheidsoverdracht
officiële statistiek
woningbeleid
eigendomsverkrijging
huisvesting

Chronologie

11/2/2013 Verzending vraag
17/5/2013 Antwoord

Vraag nr. 5-8067 d.d. 11 februari 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Ter voorbereiding van de overheveling van de woonbonus naar de gewesten stelde de Vlaamse Woonraad – de door de Vlaamse regering geďnstalleerde adviesraad voor het domein wonen –, een advies op om deze woonbonus te herzien en om te vormen tot een sociaal rechtvaardiger beleidsinstrument.

Dit is ook en vooral nodig om budgettaire ontsporingen te voorkomen. Professor Huyghebaert (KU Leuven) berekende dat de woonbonus pas op kruissnelheid zal zijn in 2024 en op dat moment voor het hele land 4,87 miljard euro zal kosten. De Vlaamse Woonraad berekende dat dit voor Vlaanderen op 2,9 miljard euro zou komen. Als de overheveling gebeurt op basis van de uitgaven voor de woonbonus in 2013 betekent dit ongeveer 1,5 miljard. Dit betekent dus dat bij ongewijzigd beleid het bedrag nodig om de woonbonus te continueren bijna zal verdubbelen.

De Woonraad stelt voor om ook de bestaande contracten te hervormen en gezinnen meer selectief te ondersteunen, met extra aandacht voor gezinnen met een laag inkomen en jonge gezinnen.

Kan de geachte minister mij antwoorden op volgende vragen:

1) Bevestigen de diensten van de minister de cijfers van professor Huyghebaert, die uitgaat van het feit dat de woonbonus pas op kruissnelheid zal zijn in 2024 ?

2) Hoeveel belastingplichtigen maken jaarlijks gebruik van de aftrek van de woonbonus sinds 2005, hoeveel in 2005, 2006,… 2012?

3) Wat is per jaar (2005-2012) de verdeling van het aantal ingebrachte woonbonussen per belastingschijf, hoeveel woonbonussen leiden tot een vermindering ingebracht op de laagste belastingschijf, hoeveel op de tweede, de derde, … de hoogste schijf van 55 % ?

4) Wat is per jaar (2005-2012) de verdeling van de leeftijd van belastingplichtigen die een woonbonus aftrekken van hun belastbaar inkomen?

5) Hoe is de verdeling per jaar (2005-2012) van het aantal woonbonussen ingebracht door gezinnen en alleenstaanden?

Antwoord ontvangen op 17 mei 2013 :

1)  Lange termijnvoorspellingen zijn uiteraard steeds omgeven door onderzekerheid, tal van omgevingsfactoren kunnen intussen immers wijzigen. Onder de hypothese van ongewijzigd beleid is het anderzijds inderdaad aannemelijk dat het stelsel dat vóór de invoering van de woonbonus in 2005 van toepassing was, halfweg het volgende decennium nagenoeg geheel zal uitdoven en dat het stelsel van de woonbonus dan op kruissnelheid zal komen. De standaardlooptijd voor hypothecaire leningen bedraagt immers ongeveer 20 jaar.  

2)  De statistieken personenbelasting geven aan dat het aantal aangiften waarin een woonbonus wordt opgenomen nog steeds van jaar tot jaar stijgt. Dit aantal klom van 137 262 in het inkomstenjaar 2005, over 261 418 in 2006, 382 741 in 2007 en 494 911 in 2008 tot 604 918 in 2009 en 712 964 in 2010. Vermits de inkohiering voor het inkomstenjaar 2011 nog loopt en voor het inkomstenjaar 2012 nog dient opgestart te worden, zijn voor beide jaren nog geen relevante resultaten bekend. 

3-5) Aan de hand van een microsimulatiemodel kan meer inzicht verworven worden in de omvang en de verdeling van de woonbonus naargelang de inkomenshoogte, leeftijd en de gezinskenmerken van de begunstigden. Het microsimulatiemodel SIRe van de Studiedienst vertrekt vanuit een representatief staal (thans 1 op 200) van belastingaangiften en extrapoleert de resultaten dan naar de gehele populatie. Deze extrapolatie houdt uiteraard in dat de bekomen uitkomsten eerder een orde van grootte aangeven dan dat ze als exacte waarden fungeren. Er zijn momenteel vergelijkbare resultaten beschikbaar voor de inkomstenjaren 2006, 2009 en 2010.  

Het microsimulatiemodel laat weliswaar niet toe om het aantal per belastingsschijf op te delen, maar het laat wel een opdeling per deciel toe. Hierbij worden de aangiften van een aanslagjaar vooreerst van klein naar groot gerangschikt, in beginsel gebeurt dit naargelang het gezamenlijk belastbaar inkomen per ingekohierde aangifte. Vervolgens worden de gerangschikte aangiften in 10 groepen van gelijke omvang opgedeeld. Deze 10 groepen worden decielen genoemd. U vindt de opdeling van het aantal deelnemers (de “take-up”) per inkomstenjaar en per deciel in tabel 1.  

Tabel 1 - Woonbonus, take-up per deciel (in %)

Deciel

2006

2009

2010

1

0,0 %

0,0 %

0,0 %

2

0,9 %

0,4 %

0,3 %

3

3,7 %

5,0 %

4,9 %

4

4,2 %

3,4 %

3,6 %

5

8,8 %

7,5 %

8,0 %

6

17,1 %

13,7 %

12,1 %

7

16,7 %

15,1 %

13,5 %

8

18,0 %

17,1 %

16,8 %

9

16,3 %

20,1 %

20,7 %

10

14,3 %

17,7 %

19,9 %

Totaal

100,0 %

100,0 %

100,0 %

Tabel 2 toont de take-up per leeftijdsgroep. Binnen de in beschouwing genomen periode ligt het zwaartepunt bij de leeftijdsgroepen rond 30 jaar terwijl minstens twee derden van de belastingplichtigen die een woonbonus aftrekken jonger is dan 45 jaar. Behalve de nieuwe instappers groepeert de tabel echter ook diegenen die in de voorbije jaren startten met de aftrek van de woonbonus. Naarmate het woonbonusstelsel langer in werking is, zien we bijgevolg een licht stijgende participatie van de iets oudere leeftijdsgroepen. 

Tabel 2 - Woonbonus, take-up per leeftijdsgroep (in %)

Leeftijd

2006

2009

2010

0-19

0,3 %

0,0 %

0,0 %

20-24

7,6 %

5,0 %

3,2 %

25-29

23,3 %

24,5 %

17,4 %

30-34

22,0 %

23,7 %

20,3 %

35-39

15,1 %

15,3 %

14,8 %

40-44

11,7 %

11,4 %

10,5 %

45-49

6,7 %

9,1 %

10,6 %

50-54

5,7 %

6,4 %

9,8 %

55-59

2,7 %

2,7 %

6,9 %

60-64

2,0 %

1,3 %

5,1 %

65-69

1,3 %

0,5 %

0,8 %

70-79

1,1 %

0,1 %

0,4 %

80+

0,3 %

0,0 %

0,1 %

Totaal

100,0 %

100,0 %

100,0 %

Tenslotte geeft tabel 3 de opdeling weer naargelang de kenmerken van het gezin van de belastingplichtige die de woonbonus inbrengt. Op het eerste gezicht lijkt het aandeel van de alleenstaanden zonder kinderen (met 35 % à 45 %) zwaar door te wegen. Er dient echter rekening mee gehouden te worden dat het aandeel van de alleenstaanden dat een woonbonus inbrengt beduidend geringer is dan het aandeel van de alleenstaanden in de totale populatie van de belastingplichtigen.  

Tabel 3 - Woonbonus, take-up per gezinstype (in %)

Gezinstype

2006

2009

2010

Alleenstaanden zonder kinderen

45,7 %

40,7 %

34,9 %

Alleenstaanden met kinderen

13,5 %

13,7 %

12,8 %

Koppel, afzonderlijke belast, 0 kinderen

8,5 %

9,4 %

13,3 %

Koppel, afzonderlijke belast, 1 kind

6,5 %

10,4 %

9,2 %

Koppel, afzonderlijke belast, 2 kinderen

6,7 %

9,0 %

9,7 %

Koppel, afzonderlijke belast, >2 kinderen

1,7 %

3,3 %

3,6 %

Koppel, huwelijksquotiënt, zonder kinderen

1,6 %

1,2 %

1,6 %

Koppel, huwelijksquotiënt, met kinderen

4,0 %

3,4 %

3,5 %

Koppel, 1 pers. actief, zonder kinderen

7,3 %

5,9 %

6,9 %

Koppel, 1 pers. actief, met kinderen

4,5 %

3,0 %

4,5 %

Subtotaal alleenstaanden

59,2 %

54,3 %

47,7 %

Subtotaal andere gezinnen

40,8 %

45,7 %

52,3 %

Totaal

100,0 %

100,0 %

100,0 %