Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-2899

van Claudia Niessen (Ecolo) d.d. 29 juli 2011

aan de minister van Justitie

Facebook - Systeem van gezichtsherkenning - Standpunt van de verdedigers van de persoonlijke levenssfeer

elektronisch document management
persoonlijke gegevens
eerbiediging van het privé-leven
virtuele gemeenschap
sociale media

Chronologie

29/7/2011 Verzending vraag
1/12/2011 Antwoord

Vraag nr. 5-2899 d.d. 29 juli 2011 : (Vraag gesteld in het Frans)

In december 2010 heeft de sociaalnetwerksite Facebook, die wereldwijd meer dan 600 miljoen gebruikers telt, de zogenaamde gezichtsherkenning ingevoerd in de Verenigde Staten. Nu heeft het bedrijf verklaard dat het deze functie uitgebreid heeft tot de meeste landen.

De gebruikers van deze sociaalnetwerksite hebben al lang de mogelijkheid om foto's te "taggen", met andere woorden de naam van personen, zonder hun medeweten, aan te duiden op foto's die ze online plaatsen. Als de getagde persoon lid is van het netwerk, ontvangt hij een kennisgeving en kan hij de tag naar keuze laten weghalen of de functie uitschakelen. Als de persoon geen lid is van het sociale netwerk, wordt hij niet ingelicht over de identificatie van een foto van hem.

Het systeem van gezichtsherkenning, dat vorige winter door Facebook werd ingevoerd, breidt de functie van fototagging uit door een gebruiker, die een persoon heeft getagd, andere foto's van dezelfde persoon aan te bieden die op het wereldwijde net gedetecteerd worden via het systeem van gezichtsherkenning.

Facebook verzekert dat de identificatie van de personen in het kader van dit systeem alleen betrekking zou hebben op de nieuw gedownloade foto's. Wanneer iemand bijvoorbeeld foto's van een feest uploadt, zullen die foto's worden vergeleken met andere foto's die deze persoon in het verleden al heeft geüpload. Wanneer een herkenning wordt vastgesteld, stelt de dienst de uploader voor de persoon te taggen op alle andere foto's die werden gevonden.

De verdedigers van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer hebben vooral kritiek op het gebrek aan transparantie bij de invoering van de techniek, alsook op de communicatie van Facebook over deze nieuwigheid. Volgens het bedrijf komt het de gebruikers zelf toe het initiatief te nemen om te beletten dat hun naam automatisch voor tagging wordt voorgesteld.

Naast deze nieuwe techniek van gezichtsherkenning, is de praktijk van het uploaden en taggen door derden op zich dubieus. De getagde persoon kan weliswaar de tag laten weghalen - indien hij erover werd ingelicht - maar hij heeft geen toegang tot de foto zelf. Als hij wil dat de foto wordt weggehaald, moet hij zelf contact opnemen met de uploader, die zich in om het even welk land kan bevinden.

Gelet op deze recente evolutie van de sociaalnetwerksite Facebook, zou ik graag uw standpunt kennen met betrekking tot de eisen van bepaalde verdedigers van de persoonlijke levenssfeer die het uploaden uitsluitend willen toelaten na een voorafgaande en expliciete toestemming van de betrokkenen.

Antwoord ontvangen op 1 december 2011 :

Ik zal mij beperken tot het hernemen van het antwoord dat ik heb gegeven op de mondelinge vraag nr. 5-1104 die identiek aan deze vraag was.

Ik ben niet bevoegd om mij uit te spreken over de feiten die de senator heeft aangevoerd.

Een foto is een persoonsgegeven en de verwerkingen die erop worden toegepast, te weten de verspreiding ervan op internet en het gebruik van gezichtsherkenning, zijn onderworpen aan de bepalingen van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

Met betrekking tot de verspreiding van beeldmateriaal op internet heeft de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in haar advies 33/2007 van 28 november 2007 inzake de verspreiding van beeldmateriaal geoordeeld dat de verspreiding van beeldmateriaal op internet de expliciete toestemming van de betrokken persoon vereist. Deze toestemming moet niet schriftelijk zijn. Een mondelinge toestemming is evenwel moeilijk te bewijzen. Een voorzichtige verantwoordelijke voor de verwerking zal dan ook trachten waar mogelijk de schriftelijke toestemming van de betrokken perso(o)n(en) te krijgen als bewijsmateriaal.

Met betrekking tot het gebruik van gezichtsherkenningssoftware kan ik niet zeggen of de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer hierover een officieel standpunt heeft ingenomen. De Commission nationale Internet et liberté française en de Commission luxembourgeoise de protection des données hebben daarentegen wel geoordeeld dat de gezichtsherkenning een biometrische analyse is die onder de richtlijn 95/46/EG 'persoonlijke levenssfeer' valt, en dat het 'taggen' van personen op foto's enkel mag gebeuren met de toestemming van deze personen en niet standaard geactiveerd mag zijn bij gebreke van reactie.

De Groep 29, die de autoriteiten voor gegevensbescherming van de 27 lidstaten van de Europese Unie bijeenbrengt, werkt aan een bijwerking van zijn werkdocument over de biometrie teneinde rekening te houden met de problematiek van de gezichtsherkenning op Facebook.

Ik zal niet nalaten de adviezen van Groep 29 over deze aangelegenheid te volgen.

Ondertussen lijkt het mij niet gepast om de wet van 8 december 1992 te wijzigen aangezien de richtlijn 95/46/EG 'persoonlijke levenssfeer' die aan de basis van die wet ligt, opnieuw onderzocht wordt in de Europese Unie. Maar de personen die oordelen dat hun recht op de persoonlijke levenssfeer geschonden is, kunnen krachtens artikel 14 en 31 van de wet van 8 december 1992 evenwel klacht indienen bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt in kort geding, of bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.