Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-1830

van Cindy Franssen (CD&V) d.d. 22 maart 2011

aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen

De aanvraag voor het invoeren van sociale tegemoetkomingen voor drinkwaterproductie en -levering bij de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening

watervoorziening
vaststelling van de prijzen
prijsbeheersing
prijsregeling
gereduceerde prijs

Chronologie

22/3/2011 Verzending vraag
7/4/2011 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-642

Vraag nr. 5-1830 d.d. 22 maart 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Hoewel de bevoegdheden op het gebied van water zich vooral concentreren op gewestniveau, blijft de bepaling van de maximumprijs voor de waterdistributie een bevoegdheid van de federale overheid.

Vanwege het nog zeer monopolistische karakter (4 maatschappijen in Vlaanderen) van drinkwaterdistributiebedrijven, zijn deze nog altijd onderworpen aan de prijscontrole, wat betekent dat prijswijzigingen alleen kunnen plaatsvinden na goedkeuring van de minister van Economie.

Alle aanvragen voor een prijsverhoging worden onderzocht door de economische behoeften van de bedrijven en een sociaal aanvaardbaar prijsniveau voor de consument met elkaar in overeenstemming te brengen.

Enkele maanden geleden diende de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (VMW) een aanvraag in voor prijsverhoging. De reden van deze aanvraag was onder andere het invoeren van een sociale tegemoetkomingen voor waterproductie en -levering.

Het is de drinkwatermaatschappij die autonoom over de voorwaarden en de modaliteiten voor waterproductie en -levering beslist. Zo zijn er vandaag 3 drinkwatermaatschappijen in Vlaanderen, met name het gemeentelijk waterbedrijf Knokke-Heist, Pidpa en TMVW die sociale correcties toepassen op de drinkwaterproductie en -levering.

Als grootste waterbedrijf in Vlaanderen (met 1.130.000 particuliere klanten) geeft de VMW, op uitzondering van de korting voor nierdialysepatiŽnten, momenteel geen sociale tegemoetkomingen. Dat komt op zijn minst vreemd over bij inwoners van eenzelfde gemeente, maar die aangesloten zijn bij andere drinkwatermaatschappijen. Bovenal is het te betreuren dat de VMW als grootste maatschappij geen sociale tegemoetkoming heeft binnen haar tariefstelsel voor de component waterproductie en -levering. Met de aanvraag wilde ze hieraan tegemoetkomen.

Het voorstel dat door de VMW was ingediend voor nieuwe sociale tariefstelling had betrekking op een korting op de vaste vergoeding. De vaste vergoeding voor deze klanten zou daarbij ook in de toekomst geblokkeerd worden op het huidige niveau, waarbij prijsaanpassingen niet meer worden doorgerekend. Dit voorstel blijkt nu niet te zijn goedgekeurd.

Graag had ik van de minister vernomen:

1. Wat is de beleidslijn van de minister inzake sociale tarieven? Hoe komt het dat de 3 andere watermaatschappijen in Vlaanderen in het verleden de invoering van dergelijke sociale tegemoetkoming op de drinkwaterproductie en -levering wel hebben toegekend gekregen?

2. Waarom werd dit voorstel door de minister afgekeurd? Wat zijn de bezwaren? Wat dient aangepast te worden opdat het voorstel wel aanvaardbaar is? Wat waren de conclusies bij de afweging van de economische behoeften van de VMW en een sociaal aanvaardbaar prijsniveau?

3. Hoe luidde het advies van de Commissie tot Regeling der prijzen?

4. Wat is de financiŽle impact van de invoering van deze sociale tegemoetkoming? Wat is de impact op de drinkwaterprijs van dit voorstel?

Antwoord ontvangen op 7 april 2011 :

1. Het instellen van een sociaal tarief is een beslissing die autonoom genomen wordt door de drinkwatermaatschappij zelf. Hiervoor is geen goedkeuring van de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen nodig. De drinkwatermaatschappijen moeten enkel een aanvraag tot prijsverhoging indienen indien zij hun tarieven wensen te verhogen. De drinkwatermaatschappijen kunnen steeds lagere prijzen toepassen dan de maximaal toegelaten prijzen. Indien zij voor een bepaalde categorie van verbruikers geen tariefverhoging wensen door te voeren, dan moeten zij evenmin een aanvraag indienen. Indien een drinkwatermaatschappij om sociale redenen een lager tarief dan het maximaal toegelaten tarief wenst toe te passen, dan kan ik dit initiatief alleen maar toejuichen. Het sociale tarief voorgesteld door de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (VMW) betrof het behoud van het tarief van de vaste vergoeding op 44,02 euro/jaar, BTW niet inbegrepen. Dit komt voor het jaar 2011 neer op een korting van 2,40 euro per jaar ten opzichte van het tarief voor de andere verbruikers. Ter vergelijking: de TMVW past een nul-tarief toe voor de vaste vergoeding (43,97 euro/jaar exclusief BTW voor de andere verbruikers). De Pidpa kent een vermindering van 38,62 euro/jaar, BTW niet-inbegrepen, toe voor de verbruikers die recht hebben op een tussenkomst van het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW).

2. De VMW heeft in oktober 2010 een aanvraag ingediend voor de verhoging van de bedragen voor de vaste vergoeding en voor de tarieven voor het waterverbruik zelf. Het ging hier om een verhoging van de vaste vergoeding met 2,40 euro/jaar en verhogingen tussen 5,6 % en 8,4 % voor het waterverbruik. De totale gevraagde meeropbrengst bedroeg 10,8 miljoen euro. De minderinkomsten door het invoeren van het sociaal tarief vaste vergoeding bedroeg 180 000 euro. De gevraagde verhoging voor de vaste vergoeding bestond uit een verhoging van 1,64 euro voor de verhoging van de werkgeversbijdrage voor het eigen pensioenfonds, en een verhoging met 0,76 euro voor de indexering van het tarief. De gevraagde verhogingen voor het verbruik steunden hoofdzakelijk op de stijging van de aankoopprijs van water aangekocht bij de Société wallonne des eaux (SWDE) of het verminderen van het structureel verlies van de verschillende provinciale diensten. Er werden geen bijkomende verhogingen gevraagd ter compensatie van het invoeren van het sociaal tarief vaste vergoeding. De prijsverhogingen die ik op 13 december 2010 heb toegestaan werden beperkt tot 3,11 %. Ik ben inderdaad van mening dat de jaarlijkse verhogingen van de werkgeversbijdrage voor het pensioenfonds niet zomaar ten laste van de verbruikers kunnen gelegd worden. Wat betreft het structureel verlies moet ik opmerken dat de provinciale dienst met het grootste verlies, ook de laagste prijzen hanteert. Een grotere gelijkschakeling van de tarieven van de verschillende provinciale diensten is hier aangewezen. Ikzelf kan echter geen hogere tarieven toestaan dan de tarieven die de aanvrager zelf aanvraagt. Ik heb in mijn brief aan de VMW ook nergens vermeld dat het sociale tarief geweigerd werd. Indien de VMW het voorgestelde sociale tarief wil invoeren dan kan dat zonder dat ik daarvoor de toestemming moet geven vermits het gaat om een tarief dat niet hoger zou liggen dan het bestaande tarief.

3. De Commissie tot Regeling der Prijzen heeft op 17 november een unaniem advies uitgebracht om de prijsverhogingen te beperken tot 2,77 %. Ik heb de VMW toegestaan de prijs te verhogen a rato van de inflatie, zoals ik ook in dezelfde periode voor een aantal andere drinkwatermaatschappijen heb gedaan, wat de prijsverhoging op 3,11 % bracht.

4. Het invoeren van een sociaal tarief voor de vaste vergoeding zou voor het jaar 2011 een minderopbrengst meebrengen van 180 000 euro. De impact voor de volgende jaren is nog niet te becijferen vermits de VMW nog niet aangegeven heeft welke verhogingen voor de vaste vergoeding zij wil toepassen gedurende de volgende jaren. In haar dossier geeft de VMW aan dat zij gedurende drie opeenvolgende jaren de werkgeversbijdrage voor het pensioenfonds jaarlijks wil verhogen met 4,0 % en gedurende de volgende 27 jaren telkens met 2,0 %. Het dossier dat de VMW in oktober 2010 heeft ingediend bevatte geen vraag voor een bijkomende verhoging van de tarieven ter compensatie van de minderinkomsten uit de invoering van het sociaal tarief.