Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-10083

van Cindy Franssen (CD&V) d.d. 15 oktober 2013

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen

het hoge gebruik van antidepressiva en antipsychotica bij ouderen

bejaarde
kalmerend middel
geneesmiddelenverslaving
geneesmiddel
leeftijdsverdeling
gezondheidsstatistiek
psychotropicum

Chronologie

15/10/2013 Verzending vraag
28/4/2014 Einde zittingsperiode

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-3981

Vraag nr. 5-10083 d.d. 15 oktober 2013 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Het algemene gebruik van geneesmiddelen voor de behandeling van psychische aandoeningen zit al jaren in de lift. Tussen 2004 en 2012 steeg het aantal voorgeschreven antidepressiva met 45%. Het gebruik van antipsychotica steeg zelfs met ongeveer 54%. Dat blijkt uit een nieuwe studie van het RIZIV.

Ook bij ouderen neemt het gebruik van geneesmiddelen en antipsychotica enorm toe. Bijna 20% van de 75-plussers neemt dagelijks 9 of meer geneesmiddelen. Dit is zorgwekkend, aangezien de medicatie grote gevolgen heeft op de lichamelijke gezondheid van patiŽnten en de effecten op lange termijn nog steeds niet volledig gekend zijn.

Bij ouderen is er vooral een probleem op het vlak van de dosering. Ouderen nemen regelmatig te veel of te weinig medicijnen, wat kan leiden tot bijwerkingen en onnodige ziekenhuisopnames. Het probleem wordt voornamelijk veroorzaakt door een algemene gebrekkige communicatie- en informatietechnologie, alsook door een gebrekkige communicatie tussen artsen, waardoor die laatsten niet van elkaar weten welke en hoeveel medicijnen zij voorschrijven aan dezelfde patiŽnt. Een goed overleg tussen de voorschrijvende huisarts, de coŲrdinerende en raadgevende arts, de apotheker en de verpleegkundige(n) is dan ook van cruciaal belang om voor elke patiŽnt een goed uitgebalanceerd en gecontroleerd medicatieschema uit te werken dat overconsumptie inperkt.

Reeds in 2008 ondertekenden de artsen en ziekenfondsen een akkoord waarin stond dat er een medisch farmaceutisch overleg moet komen. Zo zou men het correct voorschrijven, het correct gebruik van geneesmiddelen en een betere therapietrouw willen bevorderen. In de sector zijn reeds onderzoeken gedaan en er verschenen ook verschillende visieteksten en aanbevelingen. Er is echter nog niks veranderd.

De minister richtte de commissie Psychofarmaca en Psychostimulantia op, die onder meer richtlijnen voor de artsen zou uitwerken. Bovendien zou de minister uitzoeken hoe die zorgwekkende stijging een halt kan worden toegeroepen. Daarom gaf ze aan de commissie de opdracht om na te gaan hoe het overmatige gebruik van antidepressiva en antipsychotica kan worden ingedijkt. Hiervoor zouden binnen de commissie drie specifieke werkgroepen worden opgericht voor drie specifieke doelgroepen: jongeren, senioren en volwassenen. Bij de werkgroep 'senioren' zou ook nog een onderscheid gemaakt worden tussen de groep die in een rusthuis verblijft en zij die thuis wonen. De drie werkgroepen hebben als doel het pillengebruik in beeld te brengen en richtlijnen uit te werken om de overconsumptie van geneesmiddelen te bestrijden. De richtlijnen zijn echter niet bindend. Het zal dan ook een uitdaging zijn om te controleren of artsen de richtlijnen volgen of niet.

Graag had ik van de minister het volgende vernomen:

1) Heeft de minister cijfers met betrekking tot het aantal personen dat geneesmiddelen zoals antidepressiva en antipsychotica voorgeschreven krijgt en gebruikt? Graag kreeg ik per soort geneesmiddel een overzicht van het aantal personen per jaar en leeftijdscategorie (jonge kinderen, tieners, adolescenten, volwassenen en senioren).

2) Wat zijn volgens de minister de belangrijkste oorzaken van het stijgende gebruik?

3) Welke maatregelen zal de minister nemen om het hoge gebruik van antidepressiva- en antipsychotica, specifiek bij ouderen, terug te dringen?

4) Hoe zijn de verschillende werkgroepen binnen de commissie Psychofarmaca en Psychostimulantia opgebouwd? Wie maakt deel uit van die werkgroepen? Zijn de verschillende werkgroepen al samengekomen?

5) Welke timing voorziet de minister voor de werking van de werkgroepen binnen de commissie Psychofarmaca en Psychostimulantia? Wanneer verwacht de minister de aanbevelingen en richtlijnen van de verschillende werkgroepen?

6) Zal de minister maatregelen nemen waardoor wordt gecontroleerd of artsen de richtlijnen volgen? Zo ja, welke maatregelen plant ze?