SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2025-2026 Zitting 2025-2026
________________
27 mai 2026 27 mei 2026
________________
Question écrite n° 8-487 Schriftelijke vraag nr. 8-487

de Fatima Ahallouch (PS)

van Fatima Ahallouch (PS)

au vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
________________
COVID-19 - Syndromes post-infectieux - Recherche - Suivi longitudinal des patients - Financement - Suivi post-infection - Stratégie nationale - Centres d'expertise spécialisés - Création éventuelle COVID-19 - Postinfectieuze syndromen - Onderzoek - Longitudinale follow-up van patiënten - Financiering - Postinfectieuze follow-up - Nationale strategie - Gespecialiseerde expertisecentra - Eventuele oprichting 
________________
________ ________
27/5/2026Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 25/6/2026)
27/5/2026Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 25/6/2026)
________ ________
Question n° 8-487 du 27 mai 2026 : (Question posée en français) Vraag nr. 8-487 d.d. 27 mei 2026 : (Vraag gesteld in het Frans)

Plusieurs études belges, notamment les projets COVIMPACT et HELICON de Sciensano, ont mis en évidence les conséquences physiques, mentales, sociales et économiques persistantes des infections au COVID-19.

Ces travaux soulignent également le manque initial de données scientifiques relatives au suivi post-infection ainsi que la nécessité d'un suivi longitudinal (suivi à long terme des patients) durable des patients concernés.

Les auditions organisées au Sénat en commission des Matières transversales – Compétences communautaires – Égalité des chances entre les femmes et les hommes ont également rappelé le manque de recherche et surtout l'insuffisance des budgets consacrés au suivi post-infectieux. Les personnes auditionnées ont souligné que les connaissances restent encore limitées concernant les mécanismes, l'évolution et la prise en charge des syndromes post-viraux.

Si ces constats ont été formulés dans le contexte du covid long, de nombreux experts ont insisté sur le fait que les avancées scientifiques dans ce domaine pourraient bénéficier plus largement à la compréhension et au traitement des conséquences à long terme d'autres infections virales.

Par ailleurs, plusieurs professionnels de santé et associations de patients alertent sur l'absence de structures spécialisées pérennes et sur les difficultés rencontrées par les patients pour accéder à un accompagnement adapté.

Au-delà de la seule problématique sanitaire, la question du suivi post-infection soulève des enjeux transversaux touchant la recherche scientifique, l'incapacité de travail de longue durée, la santé mentale, l'égalité de genre ainsi que la préparation de notre pays aux futures crises sanitaires.

Dans un contexte institutionnel où les compétences sont réparties entre l'autorité fédérale, les Communautés et les organismes scientifiques, une approche coordonnée paraît indispensable afin d'assurer un suivi durable des patients et de renforcer les capacités de recherche clinique et épidémiologique de la Belgique.

1) Quel budget fédéral a été consacré depuis 2020 à la recherche sur les conséquences post-infectieuses du COVID-19?

2) Quelle part de ces moyens a été affectée spécifiquement au suivi longitudinal des patients et à la recherche sur les syndromes post-viraux?

3) Le gouvernement envisage-t-il un financement structurel et durable de la recherche sur les syndromes post-infectieux, y compris au-delà du seul COVID-19?

4) Une stratégie nationale de suivi post-infection est-elle envisagée en collaboration avec Sciensano, le Centre fédéral d'expertise des soins de santé (KCE), les universités et les entités fédérées?

5) Le gouvernement envisage-t-il la création de centres d'expertise spécialisés permettant de centraliser la recherche, le diagnostic et le suivi des patients souffrant de syndromes post-infectieux?

 

Verschillende Belgische studies, met name de projecten COVIMPACT en HELICON van Sciensano, hebben de aanhoudende fysieke, mentale, sociale en economische gevolgen van COVID-19-infecties aangetoond.

Deze studies wijzen eveneens op het aanvankelijke gebrek aan wetenschappelijke gegevens over postinfectieuze follow-up en de noodzaak van duurzame longitudinale follow-up (monitoring van patiënten op lange termijn) van de betrokken patiënten.

Tijdens de hoorzittingen die in de Senaat werden georganiseerd in de commissie voor de Transversale Aangelegenheden – Gemeenschapsbevoegdheden – Gelijke kansen voor vrouwen en mannen werd eveneens gewezen op het gebrek aan onderzoek en vooral op de ontoereikende budgetten toegewezen aan postinfectieuze follow-up. De gehoorde personen benadrukten dat de kennis over de mechanismen, de evolutie en de behandeling van postvirale syndromen nog steeds beperkt blijft.

Hoewel deze vaststellingen werden gedaan in het kader van long covid, hebben tal van deskundigen benadrukt dat wetenschappelijke vooruitgang op dit vlak ruimer zou kunnen bijdragen tot een beter begrip en een betere behandeling van de langetermijngevolgen van andere virale infecties.

Daarnaast slaan verschillende gezondheidswerkers en patiëntenverenigingen alarm over het ontbreken van duurzame gespecialiseerde structuren en over de moeilijkheden die patiënten ondervinden om toegang te krijgen tot aangepaste ondersteuning.

Naast de loutere gezondheidsproblematiek werpt de kwestie van de postinfectieuze follow-up transversale uitdagingen op inzake wetenschappelijk onderzoek, langdurige arbeidsongeschiktheid, geestelijke gezondheid, gendergelijkheid en de voorbereiding van ons land op toekomstige gezondheidscrisissen.

In een institutionele context waarin de bevoegdheden verdeeld zijn tussen de federale overheid, de Gemeenschappen en de wetenschappelijke instellingen, lijkt een gecoördineerde aanpak cruciaal om een duurzame follow-up van patiënten te waarborgen en de capaciteit van België op het vlak van klinisch en epidemiologisch onderzoek te versterken.

1) Welk federaal budget werd sinds 2020 besteed aan onderzoek naar de postinfectieuze gevolgen van COVID-19?

2) Hoeveel van deze financiering is specifiek toegewezen aan de longitudinale follow-up van patiënten en aan onderzoek naar postvirale syndromen?

3) Overweegt de regering een structurele en duurzame financiering voor onderzoek naar postinfectieuze syndromen, ook los van COVID-19?

4) Wordt er nagedacht over een nationale strategie voor postinfectieuze follow-up in samenwerking met Sciensano, het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg (KCE), de universiteiten en de deelstaten?

5) Overweegt de regering om gespecialiseerde expertisecentra op te richten om onderzoek, diagnose en monitoring van patiënten met postinfectieuze syndromen te centraliseren?